Kwartierstaat van Hendrik Berkhof

--- In de genealogische database vindt u dezelfde informatie anders gepresenteerd inclusief foto's. Levende personen worden niet weergegeven, tenzij toestemming is verleend. genealogische database---

Generatie I

1. Hendrik Berkhof, geb. Schoonebeek 4 okt. 1958.

Notitie bij Hendrik: rijksambtenaar Amsterdam

Generatie II

2. Gerhardus Engbertus Berkhof, geb. Vriezenveen 19 mei 1926, † ald. 3 nov. 1993, tr. Vriezenveen 21 mei 1953
3. Hendrika Johanna Schipper, geb. Vriezenveen 25 dec. 1930.

Notitie bij Gerhardus Engbertus: aanvankelijk nog landbouwer op het ouderlijk erf, later machinist bij de melkfabriek (Schoonebeek, Hardenberg, Utrecht), bedrijfsleider rioolwaterzuivering (IJsselstein) rayonchef Prov. Waterstaat Friesland (Drachten), bijnaam Onwjears Gerhard.

Generatie III

4. Hendrik Berkhof, geb. Vriezenveen 30 april 1897, † ald. 19 mei 1967, tr. Vriezenveen 15 nov. 1923
5. Magdalena Johanna Teunis, geb. Vriezenveen 28 dec. 1896, † ald. 24 febr. 1953.

Notitie bij Hendrik: landbouwer, Wijk I-nr. 79 (adres 1943), Oosteinde 345 (huidige nummering), bijnaam "Onwjears Hendrik" of op gewoon Nederlands "Onweers Hendrik"
bestuurslid K.I.-vereniging Hellendoorn-Den Ham-Vriezenveen
bestuurslid van de Slachtcoperatie de G.O.S.
bestuurslid van de Coperatieve Zuivelfabriek
bestuurslid van de Overijsselse Landbouw Maatschappij

Hendrik was n van de eersten die zijn boerenbedrijf na de ruilverkaveling (vijftiger jaren 20e eeuw) verplaatste van het Oosteinde naar de Dalweg. Zijn bedrijf diende vele jaren als een voorbeeldbedrijf van het landbouwconsulentschap Overijssel en van de Vereniging voor Bedrijfsvoorlichting. Met de verplaatsing van het bedrijf kwam een einde aan de bewoning van de oude boerderij (Onwjearserf) die generaties lang in de familie was gebleven (zeker meer dan 300 jaar).
Bron: familiearchief Onweersboerderij en krantenartikel nav overlijden Hendrik Berkhof in 1967.
Zie ook notities vader Hendrikus Berkhof(f) en grootvader Albertus Jaspers Faijer.
Notitie bij Magdalena Johanna: bijnaam Marrin Lena.
Notitie bij het huwelijk van Hendrik en Magdalena Johanna: huwt op dezelfde dag als zuster Julia Johanna

6. Derk Schipper, geb. Vriezenveen 7 jan. 1889, † ald. 16 mei 1964,1 tr. Vriezenveen 29 juni 1918
7. Johanna Bramer, geb. Vriezenveen 25 mei 1890, † ald. 13 nov. 1966.

Notitie bij Derk: timmerman en aannemer, Westeinde nummer 133, bijnaam Boosmans Derk.
Notitie bij Johanna: Gjtten Hanna, bij trouwen dienstbode bij L. ter Braker (G.B.zn.) wijk 6 nummer 645 (bron: dienstboderegister 1900-1910 en 1910-1920 Vriezenveen).
grossier Lambert ter Brake, waar ze ook inwonend was. Ze ging al jeugdig het huis uit evenals haar zuster Cornelia, die bij hotel ter Brake diende.

Generatie IV

8. Hendrikus Berkhof(f), geb. Vriezenveen 8 aug. 1857, † ald. 25 juni 1924, tr. Vriezenveen 2 april 1886
9. Johanna Jaspers Faijer, geb. Vriezenveen 10 maart 1864, † Heino 10 febr. 1941.

Notitie bij Hendrikus: landbouwer, Wijk I-nr. 79 (adres 1943), Oosteinde 345, bijnaam Jan Butens Dieks, ontvanger Ned. Herv. kerk (in elk geval van 1897 tot 1907). Was afkomstig van het bekende Jan Butenserf, waar al honderden jaren Berkhoffs woonden. Was de eerste Berkhof die het Onweerserf bewoonde. Moet volgens overlevering een nogal norse man geweest zijn.
Bij de boedelscheiding van de ouders van Johanna Jaspers Faijer (zijn echtgenote), in 1896 staat bij Hendrikus Berkhof vermeld "zich ook wel schrijvende Berkhoff". Hendrikus ondertekent de akte zijn naam met dubbel ff.
Op 21-10-1913 koopt Hendrikus de boterpacht af van het zogenaamde "Onweersland"; hij betaalt hiervoor 48 gulden en hiermee vervalt zijn plicht voor dit land jaarlijks "acht halve Nederlandsche ponden boter" op Sint Martini aan de heer van Almelo te voldoen. Zie voor uitleg over de boterpacht ook mijn scriptie op deze website (zie index hoofdstuk 1 par.2 onder het kopje verhouding tot het Huis van Almelo). http://onweersberkhof.com/scriptie/inhoudsopgave.html
Na het overlijden van Hendrikus in 1924 vindt een eerste boedelscheiding plaats. Huis en erf komen aan Hendrik Berkhof toe, de landerijen zijn vergeleken met de vorige generatie aardig geslonken (zon 15 hectare). De smederij die de "Onweersfamilie" sinds 1858 in bezit heeft gaat naar zoon Johan Gerrit.
Notitie bij Johanna: Onwjears Hanna, overleed op 10 februari 1941 tijdens een bezoek aan haar dochter Julia in Heino. Op 13 februari werd haar lichaam door een ziekenauto van het Groene Kruis raison van 30 cent per kilometer naar Vriezenveen vervoerd, waar ze naast haar man werd begraven op het zogenaamde "rijkeluis-kerkhof" (zie voor meer informatie over het standenkerkhof mijn scriptie; http://onweersberkhof.com//scriptie/inhoudsopgave.html)

10. Gerhardus Engbertus Teunis, geb. Vriezenveen 28 febr. 1845, † ald. 13 jan. 1927, tr. 1e Vriezenveen 8 april 18912 Magdalena Holland, geb. Vriezenveen 29 dec. 1858, † ald. 18 sept. 1893, zuster van zijn tweede echtgenote; tr. 2e Vriezenveen 29 mei 18953
11. Pieterlina Holland, geb. Vriezenveen 21 jan. 1865, † ald. 3 dec. 1939.

Notitie bij Gerhardus Engbertus: 1904-1909 notabele van de N.H.kerk. Van beroep kastelein, winkelier, koopman in tuinzaden en landbouwer (bereisde voor
zn tuinzaadhandel samen met zn broer Johannes Teunis vnl Duitsland); de oudste broer Jan (geboren in 1828) ging op 17 jarige leeftijd naar St. Petersburg en overleed daar in 1847 aan zenuwzinkenkoorts toen hij 19 jaar oud was; mondelinge info van Johanna Bom-Teunis te Almelo ca. 1972). Was van 1904 tot 1909 notabele van de N.H. kerk te Vriezenveen.
Bewoonde het pand Oosteinde 116-118-120.

Bij een boedelbeschrijving na het overlijden van Magdalena Holland op 19-12-1893 is een goed beeld te krijgen van de huishouding van de familie, naast 4 wagens met toebehoren en enig landbouwwerktuig had G.E. Teunis, 2 roodbonte koeien, een paard en een vet varken, 15 kippen en 3 hanen. Verder worden de potten en pannen beschreven, serviesgoed, bedden, 1 uitrektafel met 8 stoelen, daarnaast nog een uitrektafel met 12 stoelen en een leuningstoel, 10 schilderijen, 2 spiegels, linnenkast met 3 potten, glasgordijnen etc. kerkboek met gouden knip, 2 onderbedden, 1 bovenbed en een ledikant etc. etc. Verder worden de winkelwaren beschreven, een breed assortiment, voedingsmiddelen, zoals suiker, zout en rozijnen, zeep, stijfsel, peper en nagelgruis, pruimen, drop, serviesgoed, petroleumkannen, diverse klompen, een kerkboek met zilveren band, een zilveren horlogerie, garen, raapolie, petroleum, lampenglazen en een flinke hoeveelheid jenever, brandewijn en likeuren. Deze laatsten vertegenwoordigden een waarde van 200 gulden, meer dan 15 hectare land en uitstaande leningen, waaronder een lening aan Hendrik Jan van der Linde te Arrin, Ambt Ommen van tweeduizend zevenhonderd zestig gulden en bij Fedde Cornelis van der Veem te Daarle stond drieduizend gulden uit en bij Derk Teunis te Daarlerveen zevenhonderd gulden.

5-4-1889 is er een boedelscheiding van de nalatenschap van Engberdina Johanna Teunis, overleden 20-10-1888. Erfgenamen zijn: 1. Johannes Teunis, koopman en grondeigenaar 2. Johannes Albertus Smelt, gemeenteontvanger, echtgenoot van Johanna Gerharda Teunis 3. Gerhardus Engbertus Teunis, winkelier en koopman 4. Jan Schuurman, timmerman en winkelier, wonend te Den Ham, echtgenoot van Esina Theresia Teunis 5. Mejuffrouw Truida Johanna Teunis, zonder beroep, weduwe van de heer Gerhardus Winter. Ze erven zon 14 hectare bouw en weidegrond en 2 hectare veengrond. Tevens het aandeel van de leningen van de vader van Engberdina Johanna, dat voor haar persoonlijk uit een aandeel bestond van ruim drieduizend gulden. In totaal wordt een geldwaardebedrag van 8000 gulden verdeeld en krijgt ieder 1600 gulden aan waarde.

(bron akten uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
Notitie bij de geboorte van Pieterlina: bij haar geboorte heet de vader Engbertus Holland koopman van beroep te zijn en afwezig, de geboorte werd aangegeven door Gerrit Otto Boom, geneesheer en verloskundige.
Notitie bij het overlijden van Pieterlina: na de dood van Pieterlina verandert, volgens informatie van het kadaster, de bestemming van de woning. De woning van de familie Teunis wordt inwendig verbouwd en na ca. 200 jaar was de winkelnering op deze plek verleden tijd.

12. Berend Schipper, geb. Vriezenveen 9 aug. 1848,4 † ald. 7 mei 1926, tr. Vriezenveen 29 maart 1877
13. Johanna Hendrika Nijen Twilhaar, geb. Vriezenveen 10 nov. 1854, † ald. 17 maart 1931.

Notitie bij Berend: landbouwer, (bron huwelijksakte). bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering.
Notitie bij Johanna Hendrika: bij huwelijk dienstmeid van beroep

14. Berend Bramer, geb. Vriezenveen 4 april 1864, † ald. 30 aug. 1899, tr. Vriezenveen 1 juli 1887
15. Janna Aman, geb. Vriezenveen 15 juni 1865, † ald. 15 maart 1928, tr. 2e Vriezenveen 25 juni 1909 Johannes Wessels, geb. Vriezenveen 18 febr. 1855, † ald. 2 febr. 1950,5 zn. van Gerrit en Aleidina Engberts en wedr. van Mina Gezina Bramer.

Notitie bij Berend: kantoorbediende bij Jansen en Tilanus, daarnaast had hij een boerenbedrijfje. Volgens overlevering van Johannes Jacob Bramer zou Berend zijn overleden doordat hij met het hooien tijdens een naderende onweersbui de pet aan zijn knecht gaf, en daardoor zelf een longontsteking opliep. Is geboren op het Gjttenspil, de boerderij, gelegen aan het Westeinde 144 huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 188).
Notitie bij het overlijden van Berend: overleden op het adres wijk 4 nummer 475.
Notitie bij Janna: Janna was afkomstig van het puntje van het Oosteinde (tegenover de Jan Butens boerderij van de familie Berkhoff), nr. 409, haar bijnaam was "Baais Janna".
Notitie bij het huwelijk van Berend en Janna: helaas is van dit echtpaar geen foto bekend, al dan niet vanwege godsdienstige redenen wilde Janna Aman niet op de foto, hoewel hier vaak een poging toe gedaan is door hoteleigenaar ter Brake, waar hun dochter Johanna Bramer in dienst was.

Generatie V

16. Fredrik Johannes Berkhof(f), geb. Vriezenveen 15 febr. 1823, † ald. 26 dec. 1891, tr. Vriezenveen 7 april 1849
17. Janna Aman, geb. Vriezenveen 3 febr. 1824, † ald. 20 aug. 1879.

Notitie bij Fredrik Johannes: landbouwer, Oosteinde 390, huidige nummering , bijnaam Jan Butens Freek. Vervulde diverse bestuurlijke functies in kerk en gemeente. Was gemeenteraadslid vanaf 1862 toen de gemeenteraad werd uitgebreid in verband met de bevolkingsvermeerdering van de gemeente Vriezenveen. Bedankt in 1883 voor de eer van het raadslidmaatschap. Was in de kerk o.a. actief in de functie van notabele (1856-1880), diaken (1870-1873) en ouderling (1855-1860).
Op 22-8-1889 vindt er een boedelscheiding plaats naar aanleiding van het overlijden van Janna Aman in 1879. Hieruit blijkt dat de familie er warmpjes bij zat en aan hypotheken en leningen meer dan 15.000,- gulden uit had staan. Elk der kinderen verwierf 1.889,- uit de boedel. (bron: familiearchief Onweersboerderij)

Volgens de huwelijkse bijlagen was Fredrik Johannes vrijgesteld voor zijn dienstplicht voor de nationale militie. Overigens stond hier niet bij wat de gebreken wel waren.
Notitie bij de geboorte van Fredrik Johannes: geboorteregistratie: Fredrik Johannes Berkhof, vader tekent de geboorteakte als "Jan Berkhoff".
Notitie bij het overlijden van Fredrik Johannes: grafsteen nog aanwezig op kerkhof Vriezenveen anno 2005
Notitie bij Janna: bijnaam: Joonkbeernds Janna
Notitie bij de geboorte van Janna: in haar geboorteakte staat vermeld dat ze de dochter is van Hendrikus Aman Fz. koopman en landbouwer te Vriezenveen 36 jaar, hij doet ook de aangifte van de geboorte en Johanna Broertjen, zijne huisvrouw, zonder speciaal beroep, 31 jaar. getuigen waren: Jasper ten Cate, bode 57 jaar en Hendrik Schipper Albz. 48 jaar landbouwer.
Notitie bij het overlijden van Janna: grafsteen anno 2005 nog aanwezig op kerkhof te Vriezenveen

18. Albartus Jaspers Faijer, geb. Vriezenveen 21 okt. 1827, † ald. 10 maart 1897, tr. Vriezenveen 23 juni 1860
19. Johanna Lena Webbink, geb. Vriezenveen 1837, † ald. 12 aug. 1869.

Notitie bij Albartus: Ook wel Albartus (bijnaam Onwjears Bats) genoemd, landbouwer en grondeigenaar, bewoonde het Onweersgoed aan het Oosteinde nr. 345 (huidige nummering).
In oa 1893 fungeerde Albartus Jaspers Faijer als ambtenaar van de burgerlijke stand te Vriezenveen.
Koopt op 25-6-1864 zon 6 hectare land voor 200 gulden van de kinderen van Jan Aman en Klasina Berkhoff genoemd de oostelijke helft van het zogenaamde "Onweersland" aan de zuidkant van de dorpsstraat. In 1876 wordt de boerderij op een gemiddelde huurwaarde van 90 gulden geschat, dat is ruim boven het gemiddelde van ruim 52 gulden in Vriezenveen (bron: archief kadaster Zwolle). Opmerkelijk is dat het erf op naam van de broer van Albertus genaamd Hendrik staat, die al in 1865 is overleden, aangezien de boedel van de vader van Albertus pas jaren na zijn dood (in 1891) is verdeeld was eigenlijk iedereen van de kinderen eigenaar in 1876, maar opmerkelijk is toch wel dat Hendrik op dat moment al jaren was overleden, dus de registratie van het kadaster was niet echt up-to-date.
Albartus was gemeenteraadslid vanaf 1862, toen hij zitting kreeg in een grotere gemeenteraad in verband met de vermeerdering van de bevolking van de gemeente Vriezenveen in die tijd; was in elk geval in 1866 nog gemeenteraadslid. Vervulde de functie van wethouder van 6-9-1887 tot zijn overlijden op 10-3-1897. De heer J. Harmsen volgde hem op (bron: gemeentearchief Vriezenveen).
Op 19 april 1864 is er een boedelbeschrijving nav het overlijden van de neef Derk Jaspers Faijer die als wees op 19 jarige leeftijd op het Onweerserf in het huis van zijn oom Albartus overlijdt. Er wordt vermeld dat de boedelscheiding van de grootouders Jannes Jaspers Faijer en Gerritdina Kosters nog niet heeft plaatsgevonden en dat Albertus bij testament enig erfgenaam is geworden van het erfdeel van neef Derk en Derks eigen bezittingen. Het Onweersbezit wordt dan getaxeerd op 17.249,72. Derks erfdeel hiervan is n vierde deel, te weten 4.302,43. Naast dit erfdeel dat dus volledig aan Albertus toevalt vallen de bezittingen van Derk aan Albartus toe. Deze bestaan vrijwel uitsluitend uit hypotheken en uitstaande leningen ter waarde van 8.173,05. (zie ook notities neef Derk Jaspers Faijer (1845-1864).
In oktober 1871 vindt er al weer een boedelbeschrijving plaats naar aanleiding van het overlijden van dochter Julia: landerijen, woning, meubilair, kleding, geld, en waardepapieren worden geschat op ruim 23.000 gulden.
Op 8-6-1872 vindt opnieuw een boedelscheiding plaats nav het overlijden 3 jaar eerder van echtgenote Johanna Lena Webbink. Dit is opmerkelijk omdat de boedelscheiding van de vader van Albertus (overleden in 1858) pas jaren later plaats vond, terwijl het hier toch om de inboedel van het zelfde erf gaat, waar eigenlijk in het geheel geen boedelscheiding over had kunnen plaatsvinden, aangezien de boedelscheiding van een generatie eerder nog niet had plaatsgevonden (pas in 1891). Het lijkt erop dat Albertus ervan uitging dat een boedelscheiding van zijn ouders niet meer plaats zou vinden en dat het erf en landerijen hem toekwamen!

De beschrijving van de inventaris is erg uitvoerig. Een greep hieruit: een Friese hangklok ter waarde van 15 gulden, twee dozijn witte borden en twee dito schotels te waarde van 1,20. 9 stuks gekleurde borden en 5 dito schotels gewaardeerd op 0,50. 9 tinnen borden ter waarde van 6 gulden, 40 tinnen lepels en een dito soeplepel op 1,50. 15 ijzeren vorken en 16 messen getaxeerd op 1,50. Een koperen tabaksdoos , een servies met 30 kopjes en schoteltjes van aardewerk op 2 gulden geschat, een tinnen koffiekan, een verlakte tinnen koffiekan en 2 tinnen theepotten, 12 keukenstoelen. 3 petroleumlampen, waaronder 1 hanglamp, 6 eierlepeltjes, 2 bierglazen, 33 linnen beddenlakens geschat op 20 guldens, 1 rol ongemaakt linnen geschat op 30 gulden, 1 kerkboek met zilveren sloten en beugel geschat op 12 gulden. In de "groote oostelijke kamer van het huis een ovale geschilderde tafel met 6 stoelen, 3 schilderijen en een spiegel, een opgelegd eikenhouten kabinet, 2 katoenen parapluis, 1 strijkijzer, 2 onder en bovenbedden. Ook in de keuken met uitzicht op de straat is een onder en bovenbed en verder is dit zelfde ook te vinden in een kamertje boven de kelder, daar zijn ook nog 6 stoelen met rieten zittingen en 6 stoven te vinden. In totaal lijken er 8 slaapplaatsen te zijn. 2 in de keuken, 4 in de kamer en 2 in het bovenkamertje. In de kelder zijn melkvaten en een balans met schalen te vinden.
Verder de nodige pannen, melkvaten etc.
De veestapel was beperkt, 1 paard (120 gulden) 3 zwartbonte koeien (330 gulden), 2 kalveren (60 gulden), 1 oud varken (20 gulden), 25 kippen en 1 haan (7 gulden), 2 katten (!) worden geschat op 30 cent, 2 beslagen wagens (45 gulden), 2 mestwagens (20 gulden), divers boerengereedschap, 3 koperen wasketels. "Voorradige gedorschte rogge en boekboekweit" (55 gulden). aardappelen (9 gulden), hooi en stro (10 gulden) en mest in de stal (40 gulden), turf (15 gulden), op het veld staande vruchten (350 gulden), voorradige levensmiddelen (30 gulden), voorradige contanten (150,82).

De kleding van Johanna Lena Webbink bestond uit:
-5 katoenen en 7 wollen jakken, 15 gulden
-6 wollen rokken, 10 gulden
-3 gestreepte en een rode "baaijen" rok, 9 gulden
-15 mutsen, 1,80
-4 boezelaars, 3 gulden
-10 linnen hemden, 10 gulden
-40 linnen halsdoeken, 10 gulden
-6 linnen zakdoeken, 0,90
-een kerkboek met 2 zilveren sloten, 10,90

De kleding van Albertus Jaspers Faijer bestond uit:
-2 lakense jassen, 6 gulden
-1 duffelse jas, 5 gulden
-2 broeken en 2 vesten, 8 gulden
-2 "duffelsche en een lakens buis" , 5,50
-1 hoed en 2 petten, 4 gulden
-2 paar laarzen, 4 gulden
-2 "baaijen" en 4 katoenen borstrokken, 3 gulden.
-6 halsdoeken, 1,50
-2 oude zilveren horloges, 18 gulden
-6 linnen en 6 katoenen zakdoeken
-12 linnen hemden, 9 gulden
-6 paar kousen en 2 paar klompen, 3 gulden

Uitstaande leningen bedroegen in totaal 14.449,57, daarnaast bezaten Albartus en zijn vrouw nog effecten en obligaties ter waarde van 1.566,49, waaronder Russische en Oostenrijkse obligaties.
De landerijen omvatten ca. 44 hectare grond en naast het eigen erf 1/4 aandeel in een katerstede te Wierden.
Daarnaast waren er nog schulden: grond en personele belasting 25 gulden en aan verschuldigd loon voor dienstboden 250 gulden.

Pas in 1891 vindt de boedelscheiding van de ouders van Albartus plaats, de boerderij is even daarvoor geheel afgebrand (zie notities bij vader Johannes Jaspers Faijer).

In december van 1897 vindt na zijn eigen overlijden, eerder dat jaar, weer een boedelscheiding plaats. Het onroerend goed wordt vastgesteld op 10.450 gulden, waaronder een boederij, een smederij en 1/4 deel eigendom van een katerstede te Wierden. Het eigendom aan landerijen omvat maar liefst ca. 46 hectare aan land. Hij wordt dus niet voor niets in de oude akten grondeigenaar genoemd. Zijn bezit was erg omvangrijk. Hij verhuurde veel van zijn landerijen. Aan waardepapieren (hypotheken en dergelijke) bezat Albertus de lieve somma van 18.760 gulden.
De inboedel en verdere roerende "lighamelijke zaken" werden getaxeerd op 800 gulden. Aangezien er slechts 2 erfgenamen waren erfde ieder een kapitaaltje van 14.605 gulden (de derde dochter Julia was al op jonge leeftijd overleden).

De tijd van Albertus Jaspers Faijer is de tijd van de "Onweersboer" als grootgrondbezitter. Na 1899 zal het grondbezit door boedelsscheidingen en verkoop haar aanvankelijke omvang snel verliezen. Volgens het kadaster was het grondbezit van de " Onweersboer" in 1859 in Vriezenveen (er was ook bezit in Wierden en Geesteren!) zon 33 hectare. In 1926 was hier nog maar 14 hectare van over, die omvang zou het erf vanaf deze tijd behouden.
(Bron: familiearchief Onweersfamilie).
Notitie bij de geboorte van Albartus: geboren als Albartus
Notitie bij het huwelijk van Albartus en Johanna Lena: Albertus huwde als Albartus Faijer met als beroep landbouwer, Johanna Lena Webbink was dienstmeid.
Albartus heette de zoon te zijn van Jannes Jaspers Faijer en Gerritdina Koster. Een wijziging van de namen in de huwelijksakte van Albertus vindt plaats op 09-11-1888 waarbij Albartus naam wordt gewijzigd in Albartus Jaspers Faijer en die van zijn moeder Gerritdina Koster wordt veranderd in Gerritdina Coster.

20. Engbert Teunis, geb. Vriezenveen 14 jan. 1802, † ald. 1 april 1863, tr. Vriezenveen 9 juni 18276
21. Johanna Bom, geb. Vriezenveen 23 dec. 1807, † ald. 8 jan. 1880.

Notitie bij Engbert: landbouwer, koopman en winkelier. Bij de geboorte van zoon Johannes is Engbert op reis, dat wil zeggen dat hij handel zal hebben gedreven. De oudste zoon Jan (geboren 1828) ging op 17 jarige leeftijd naar St. Petersburg en overleed daar in 1847 aan zenuwzinkenkoorts toen hij 19 jaar oud was; Diaken 1831- 1835. Ouderling 1845- 1849,
notabele 1820-1830. Behoorde in 1830-1832 en 1854 tot n van de 34 families in Vriezenveen die zich een eigen huurbank in de kerk kon veroorloven, deze werden jaarlijks door inschrijving verhuurd.
bezat volgens kadastrale gegevens in 1832 27 bunder en 48 roeden land, daarnaast meer dan 15 bunder in gemeenschappelijk bezit.

Op 19-1-1827 sluit Engbert met zijn zuster Trijntjen Teunis een contract, hun deel in de nalatenschap van hun vader Jan Teunis, "provisioneel in gemeenschap te behouden en ten gemeene nutte aan te wenden", als n van beiden uit de gemeenschap stapt en op zich zelf gaat wonen, moet hij/zij de ander 500 gulden meegeven zonder verdere verrekening of afrekening. Als Trijntjen op zich zelf gaat wonen is ze daarboven ook nog verplicht Engbert jaarlijks 30 guldens te betalen, zolang ze leeft, "tot aanschaffing eener woning of andere uitgaven". Mocht Tryntjen vertrekken dan mag zij meenemen "haar klederen, kaste en het bed door haar beslapen en zes lakens en zes slopens".

Engbert is samen met zijn zuster Tryntjen, begunstigd in een testament van Klasina Jansen, van beroep naaister, 70 jaar oud, wonende te Vriezenveen, dochter van wijlen Jan Jansen (ook wel Balthazar genoemd) en wijlen Grietjen Egberts (Hoff) voor een derde deel der nalatenschap akte d.d 13-1-1840.
(bron akten uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).

Volgens het register van de nationale militie (aanwezig in de huwelijkse bijlagen van de huwelijksakte) had Engbert de volgende verschijningsvorm:
-aangezicht: langwerpig
-lengte: 1 el en 698 str.
-voorhoofd: langwerpig
-ogen: blauw
-neus: klein
-mond: id.
-kin: rond
-haar: bruin
-wenkbrauwen: id.
merkbare teekenen: geene
Notitie bij het overlijden van Engbert: (grafsteen nog op kerkhof van Vriezenveen 2012).
Notitie bij Johanna: winkelierster
Notitie bij de geboorte van Johanna: gedoopt als Johanna dv Jannes Bom en Johanna Schuurman.
Notitie bij het overlijden van Johanna: 1880 (grafsteen nog op kerkhof van Vriezenveen 2012).

22. Engbertus Holland, geb. Vriezenveen 17 okt. 1825, † ald. 1 nov. 1877, tr. Vriezenveen 10 juni 1854
23. Janna van Eijck, geb. Tubbergen 8 sept. 1825, † Vriezenveen 16 mei 1901.

Notitie bij Engbertus: logementhouder, koopman in tuinzaden, winkelier in manufacturen en landbouwer (grafsteen nog op het kerkhof van Vriezenveen 2004).
In 1868 koopt hij van de erfgenamen van Johanna Alberdina Vetker een pand op het Midden,-aan de kant van het Oosteinde- en in 1869 laat hij het pand afbreken en bouwt een nieuw pand met winkel en logement Tot 1947 blijft het pand in handen van de familie Holland (Jan een zoon van Engbertus, koopman en hotelhouder). Na zijn overlijden erft Wicher Willem Winkel het pand, hij baat er een caf uit dat wordt afgebroken in de zeventiger jaren (?). Een rotonde komt er voor in de plaats. (informatie uit het kadaster en eigen info).
Notitie bij Janna: logementhoudster
(grafsteen nog op het kerkhof van Vriezenveen 2004). Hoewel de familie in de bevolkingsregister in Vriezenveen doorgaans als van Eijck wordt aangeduid, schrijft Janna haar naam bij het huwelijk, evenals haar vader altijd deed met "van Eyck".

24. Dirk Schipper, geb. Vriezenveen 6 sept. 1812, † ald. 6 maart 1892, tr. Vriezenveen 26 maart 1842
25. Jesina Roelofsen, geb. Vriezenveen 5 mei 1819,7 † ald. 29 nov. 1914.

Notitie bij Dirk: bij huwelijk timmerman van beroep. Bij overlijden en in het kadaster staat hij vermeld als landbouwer (1876).bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering. (Zie blz. 95 Ken uw dorp en heb het lief). In 1876 had de boerderij een gemiddelde huurwaarde van 60 gulden per jaar en lag daarmee boven het gemiddelde van Vriezenveen, dat toen op 52,22 lag. (bron: kadastraal archief Zwolle).

Volgens de militaire verlofpas van Dirk (die nog steeds in familiebezit is) gedateerd 25 juli 1834 was Dirk lang 1 el, 1 palm, 6 duimen en 1 streep (is omgerekend ongeveer 116 cm lang). Het aangezicht was smal, het voorhoofd, de neus en de mond waren "ordinair", de ogen bruin, de kin spits en het haar en de wenkbrouwen bruin. Dirk was schutter van het 1e bataillon van de tweede afdeling van de Mobiele Afdeling van de Overijsselsche Schutterij. Arda Vossebeld maakte me attent op het verschil met de info van het certificaat van de nationale militie dat qua signalement en trouwens ook geboortedatum nogal afwijkt.
Volgens dit certificaat ziet Dirk er als volgt uit:
lengte 1 el 675 strepen (=omgerekend 167,5 cm lang)
aangezicht: ovaal
voorhoofd: smal
ogen: blauw
neus: klein
mond: idem
kin: rond:
haar en wenkbrauwen: blond.
Uitgaande dat de lengte van de verlofpas niet juist geweest kan zijn, met 116 cm werd je ook toen ongetwijfeld niet goedgekeurd voor militaire dienst, komen ook de andere elementen van de beschrijving op de verlofpas in een onbetrouwbaar daglicht te staan. Overigens ook de geboortedatum op de verlofpas (20 april 1812) is aantoonbaar onjuist. Derk lijkt dan toch blond geweest te zijn met blauwe ogen.


Op 25-8-1892 vindt de boedelscheiding plaats na het overlijden van Dirk Schipper. Enig erfgenaam is zoon Berend Schipper met het beding dat de andere erfen een deel in contanten krijgen. De boedel wordt gewaardeerd op 6.300 gulden, daar gaat dan nog 1000 gulden aan schuld aan zoon Berend vanaf, zodat een boedel van ruim 5.000 overblijft.
Het grondareaal van Dirk en Jesina besloeg ruim 9 hectare. Verder had het echtpaar nog diverse stukken land in gemeenschappelijk bezit met derden. Hun aandeel bedroeg hiervan minstens 6 hectare, zodat het grondbezit op meer dan 15 hectare uitkwam.
Notitie bij de geboorte van Dirk: geboren als Dirk zv Derks Schipper Gz. landbouwer en Hendrika Japsers Faijer.
Notitie bij het overlijden van Dirk: overleden op adres wijk II nummer 213

26. Jan Hendrik Nijen Twilhaar, geb. Hellendoorn 7 okt. 1819, † Vriezenveen 12 febr. 1885, tr. Vriezenveen 3 mei 1851
27. Johanna Smelt, geb. Vriezenveen 7 aug. 1825, † ald. 5 april 1882.

Notitie bij Jan Hendrik: landbouwer van beroep (bron trouwakte dochter Johanna Hendrika). Bewoonde een half boerenerf gelegen aan het middengedeelte van het Oosteinde. Volgens informatie van het kadaster had de woning toen een gemiddelde huurwaarde van 10 gulden. Het moet een armoedige boerenbehuizing zijn geweest. Het gemiddelde voor Vriezenveen lag nl. op 52,22! Misschien moet hij dan ook eerder als een boerenarbeider dan als landbouwer worden beschouwd.

Was in 1859, 1860 en 1861 diaken van de NH-kerk te Vriezenveen. Ondertekent de diaconale rekening als J.H. Twilhaar. In 1860 is hij de boekhouder van de jaarrekening.
Notitie bij het overlijden van Jan Hendrik: overleden wijk II nr. 149
Notitie bij het overlijden van Johanna: in de overlijdensakte staat vermeld, oud 56 jaar, zonder beroep, echtgen. van Jan Hendrik Nijen Twilhaar, dochter van Jan Smelt Gerritsz. en Johanna Tromp, beiden overleden.

28. Willem Bramer, geb. Vriezenveen 29 juni 1832, † ald. 9 juli 1906, tr. 22 maart 1856
29. Hendrika Pot, geb. Vriezenveen 5 febr. 1831, † ald. 28 febr. 1902.

Notitie bij Willem: landbouwer volgens huwelijksregistratie in 1856, vervult diverse bestuursfuncties in kerk en gemeente, is vanaf 1877 gementeraadslid, vanaf 1879 wethouder. Vervulde in de kerk de functies van diaken (1874-1877), ouderling (1862-1867), notabele (1867-1880) en kerkvoogd.
Was geboren op het Gjttenspil, de boerderij, gelegen aan het Westeinde 144 huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 188).
Notitie bij de geboorte van Willem: geboren als Willem zv Hendrik Bramer landbouwer 33 jaar en Gesina Gerrits zijn huisvrouw, zonder beroep, 34 jaar.
Notitie bij Hendrika: dienstmeid volgens huwelijksregistratie in 1856

30. Cornelis Lambertus Aman, geb. Vriezenveen 21 febr. 1835, † ald. 26 maart 1888, tr. Vriezenveen 25 maart 1864
31. Johanna Jesina Aman, geb. Vriezenveen 1 dec. 1843, † ald. 15 april 1911.

Notitie bij Cornelis Lambertus: landbouwer, boerwerker en turfsteker, werkte erg lange dagen volgens overlevering van 3 uur s-ochtends tot 7 uur s-avonds (mondelinge overlevering van Johannes Jacob Bramer geb. 1898). Trouwde met zijn nicht. De familie zal het niet breed hebben gehad. De bijnaam van deze familie Aman was "de Baais".
Cornelis Lambertus bewoonde de boerderij gelegen aan het Oosteinde 409 (huidige nummering). Dit huis had in 1876 een gemiddelde huurwaarde van 40 gulden. Dit lag hiermee beneden het gemiddelde dat boven de 50 gulden lag (bron kadaster, zie ook mijn scriptie).
Schrijft zijn naam zelf als Kornelis Lambertus, dus niet met een C, maar met een K.
De boerderij was voorheen in het bezit geweest van de familie Weiteman en was een oude Berkhof’s boerderij, zo waren de Jan Butens (bijnaam van een tak van de familie Berkhoff) oorspronkelijk afkomstig van dit boerenerf.
Notitie bij het overlijden van Cornelis Lambertus: heet bij zijn overlijden de zoon te zijn van Jan Aman en Clasina Berkhof, overleden in de woning wijk 1 nummer 8.
Notitie bij het overlijden van Johanna Jesina: overleden onder de naam Johanna Jezina Aman zonder beroep weduwe van Cornelis Lambertus Aman. Wijk 1 nummer 9.

Generatie VI

32. Jan Berkhof(f), geb. Vriezenveen 7 sept. 1797,8 † ald. 4 febr. 1871,5 tr. Vriezenveen 10 okt. 1819
33. Alberdina Broertjen, geb. Vriezenveen 7 sept. 1796,8 † ald. 19 febr. 1834.

Notitie bij Jan: landbouwer, Oosteinde 390, huidige nummering (bron: trouwakte zoon F.J. Berkhof in 1849). Tekent in 1849 de trouwakte van zijn zoon als "J. Berkhof", dus met n f, echter in 1820 bij de geboorte van dochter Hendrika tekent hij met dubbel ff en ook bij zijn eigen huwelijk.

Op 19 november 1820 des namiddags om 4 uur verschijnen voor de arrondisementsrechtbank van Almelo en op het verzoek van:
-Hendrik Meulink, landbouwer wonend te Vriezenveen aan het Oosteinde, weduwnaar van Lena Schipper, voor zich zelf en als vader en wettig voogd over zijn minderjarige zoon Hendrik Meulink, door wijlen zijn vrouw verwekt voor ruim 14 jaar.
-Jan Berkhof, landbouwer te Vriezenveen, voormeld woonachtig, zoon van wijlen Hendrik Berkhof en gemelde Lena Schipper, voor zich zelf als voogd over zijn broer Johannes Berkhof, minderjarig kind van gemelde wijlen Hendrik Berkhof en Lena Schipper, aangesteld bij familieraad op de veertiende augustus j.l.
-Wolterdina Berkhof, landbouwerse, wonende mede te Vriezenveen, meerderjarige en ongehuwde dochter van wijlen Hendrik Berkhof en Lena Schipper.
-Jan Aman Fredrikszoon, koopman en tapper, als in huwelijk hebbende Klasina Berkhof, zonder speciaal beroep, beide te Vriezenveen, meergemeld woonachtig.

In aanwezigheid van Wolter Schipper en Fredricus Schipper bouwlieden mede te Vriezenveen, vaakgemeld woonachtig, als toeziend voogden, de eerstgenoemde over gemelde Johannes Berkhof en de laatstgenoemde over gemelde Hendrik Meulink.

Door notaris Warnaars te Almelo residerend, ten huize van Jan Aman Frederikszoon te Vriezenveen voormeld.
Requiranten verkopen de volgende tot hun gemeenschappelijke boedel behorende goederen±
De aanvaarding der percelen is dadelijk behalve het huis, hetwelk eerst de eerste mei eerstkomende en het roggeland als de rogge ingezameld zal zijn, zullen aanvaard worden, na voorlezing van het voorgaande handelt het om de hierondergeschreven percelen:
-het 17e perceel , een hoekje hooiland, het derde deel genaamd ongeveer 4 roeden onder Geesteren in gemeenschap met Jan Faijer en anderen.
ingezet door jannes faijer, bouwman te Vriezenveen op 8 guldens
afgeslagen van een hoger som en niemand gemijnd hebbend, zo is de inzetter koper geworden.

Van vorenstaande vaste goederen behoort een vierde gedeelte aan de medequirant Hendrik Meulink
aan de medequirant Jan Berkhof, Jan Aman, als in huwelijk hebbende Clasina Aman en aan Wolterdina Berkhof ieder een vijfde part
(archief vereniging Oud Vriezenveen toegang nr. 1.4 map B inv. nr. 81.4).
Notitie bij Alberdina: bij trouwen dienstmeid.

34. Hendrikus Fz. Aman, ged. Vriezenveen 7 maart 1788, † ald. 16 maart 1855, tr. Vriezenveen 27 mei 1815
35. Johanna Broertjen, geb. Vriezenveen 3 juni 1793, † ald. 19 april 1832.

Notitie bij Hendrikus Fz.: Koopman, landbouwer en imker.
Hendrikus zal waarschijnlijk een marskramer in tuinzaden zijn geweest, waarbij hij ’s-winters op pad zal zijn geweest. Dat blijkt uit een paar geboorteakten van zijn kinderen, waarvan een aantal in januari geboren was en waarbij de vader afwezig was en de vroedvrouw de aangifte van de geboorten deed.
In 1823 voor 4 jaar aangesteld tot wijkmeester 1e gelid (bron: dagboek Jan Kruijs).
Volgens overlijdensakte van echtgenote Johanna Broertjen (1832), bewoonde hij de boerderij Oosteinde 325-327 (huidige nummering); pand is nog steeds in originele staat en staat bekend onder de naam "Joonkbeernds". De boerderij had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 15 gulden en viel daarmee in belastingklasse 6.
Mogelijk identiek aan H. Aman die van 1825-1829 ouderling van de N.H. kerk was.
Erfde het erf van Jan Holland (familierelatie via zn schoonmoeder Janna Berends Holland). Het echtpaar Aman-Broertjen woonde in bij de ooms Jan en Albert Holland van Johanna Broertjen.

Jan Holland maakte op 24-04-1823 voor notaris Warnaars te Almelo zijn testament.
Tot erven werden benoemd:
1. de Hervormde Armenstaat 150 gulden.
2. aan zijn nicht Janna Holland, huisvrouw van Berend Broertjen 250 gulden en bij haar vooroverlijden haar nakomelingen.
3. aan de kinderen van wijlen zijn nicht Berendina Holland, in leven huisvrouw van Gerrit Freriks, met namen: Janna Fredriks, Frederik Fredriks, Gesina Fredriks en Berend Fredriks, samen 250 gulden.
4. aan de kinderen van wijlen Jenneken Holland, in leven huisvrouw van Jan Hof, met namen: Janna Hof, Sina Hof en Berendina Hof, samen 250 gulden.
5. aan de kinderen van wijlen Jan Holland, zoon van zijn broeder Berend Holland: met namen: Johannes Holland, Derkdina Holland, Lena Holland en Hendrika Holland de somma van 450 guldens.
6. aan zijn broer Gerrit Holland en bij diens vooroverlijden diens kinderen, de som van 1.000 gulden.
7. aan Johanna Broertjen, gehuwd met Hendrikus Aman Frederikz. , alle roerende zaken, de inboedel des huizes, vee en zaadgewassen.


Verkoopakte gedateerd 20 oktober 1827 van Jan Faijer en zijn zoon Jannes Faijer, landbouwers in Vriezenveen. Zij verklaren te verkopen aan Hendrikus Aman Frederikszoon, een stuk woeste uitgegraven veengrond aan de westzijde van de Paterij in Vriezenveen, tussen de woeste grond van de aankoper en van Hendrik Mollink, beginnende voor de Oudenhoevenweg in de daar zijnde draai, en eindigende voor de Nieuwehoevenweg ter lengte van 550 Nederlandse ellen (bron: inventaris nr. 81.4 archief verening Oud Vriezenveen).

Naar aanleiding van het overlijden van Johanna in 1832 wordt bij notaris Riemsdijk een inventaris van aanwezige goederen opgemaakt (notar. arch. inv. nr. 33 Hist. Centrum Overijssel). Hij is een uitgebreide inventaris, die de opmakers ervan maar liefst drie dagen werk heeft gekost!
In de inventaris zijn mede extracten te vinden van testamenten van 2 oudooms van Johanna Broertjen, te weten Jan en Albertus Holland. Diverse waardepapieren passeren de revue. Als voogd van de minderjarige kinderen was aangesteld Bernardus Broertjen, zaadkramer wonend te Vriezenveen, broer van de overleden Johanna Broertjen.
Een (onvolledige) greep uit de boedelbeschrijving (gezamenlijke waarde huisraad en gereedschap etc. 1104,85):
-12 tinnen borden 4,80
-2 tinnen schotels 3,50
-3 tinnen kannetjes 0,75
-28 tinnen lepels 2,80
-9 bont aarden schotels 1,80
-een tinnen(?) theepot, biermengele
en waterfles 4,00
-2 spiegeltjes 1,50
-3 rood koperen keteltjes 4,00
-12 stoelen 4,00
-3 tafels 4,50
-een hangklok 6,00
-een bijbel en wat boeken 2,00
-4 stapelkisten en een korenkist 30,00
-2 uitgesneden eikenhouten kasten 20,00
-2 ploegen 16,00
-landbouwgereedschappen 13,00
-4 boerenwagens 110,00
-een blauw gestreept bombazijnen bed 14,00
-een kerkboek met zilveren krappen 14,00
-een kerkboek met zilveren krappen 17,00
-een zilveren beugelstas, nog een tas 10,00
-een paar zilveren schoengespen 3,50
-23 korven met bijen en 40 honingkorven
met toebehoren 225,00
-een zwartbles ruin paard 80,00
-4 melkbeesten (divers) 100,00
-2 kalveren en 3 starken 40,00
-3 ossen (gecastreerde stieren) 80,00
- 8 mud gedorste rogge, 6 mud gedorste
boekweit 56,00
-een turfschuit 35,00

Aan leningen had het echtpaar meer dan 2.000 gulden uitstaan. Ook stond er nog een legaat van oud-oom Jan Holland op naam van Johanna Broertjen groot 250 gulden.

aan kosten voor de begravenis van Johanna Broertjen staat in de inventaris opgenomen:
-doodskist 6,00
-bier, jenever en andere dranken 32,00
-voor uitdeling aan de armen 30,00
In de hele inventaris valt op dat landerijen en woning niet in de opsomming van bezittingen zijn meegenomen. Verder wordt duidelijk dat het gezin niet echt krap bij kas heeft gezeten en dat de inkomsten van bestaan gezocht moeten worden in de imkerij (evenals vader Fredrik Aman), landbouw, veeteelt, handel en turfschipperij.

Kennelijk vergaat het Hendrikus na het overlijden van zijn vrouw Johanna in 1832 minder goed. De verwanten stellen hem in 1839 onder curatele (vonnis arrondisementsrechtbank 19 juni 1839); bron: Staatscourant 24 juni 1839. Helaas is de jaargang 1839 van het archief van de arrondisementsrechtbank van Almelo niet bewaard gebleven, anders zouden de achterliggende redenen van de onder curatelestelling wat duidelijker kunnen worden. Bij het huwelijk van dochter Janna Aman met Frederik Johannes Berkhof in 1849 kon Hendrikus Aman zijn toestemming voor het huwelijk, vanwege de curatelestelling niet geven.
Notitie bij Johanna: begunstigde in het testament van haar oom Albert Holland d.d. 24 april 1823 bij notaris Jan Hendrik Warnaars te Almelo. Hieruit blijkt dat hij zijn woning samen met Bernardus Holland bewoonde. Johanna Broertjen (gehuwd met Hendrikus Aman) krijgt daarbij gelegateerd de inboedel van het huis, vee en zaadgewassen, in gemeenschap met Bernardus Holland bezeten.

oom Jan Holland (samenwonend met broer Albert) maakte eveneens op 24-04-1823 voor notaris Warnaars te Almelo zijn testament.
Tot erven werd oa benoemd:
7. aan Johanna Broertjen, gehuwd met Hendrikus Aman Frederikz. alle roerende zaken, de inboedel des huizes, vee en zaadgewassen.

36. Johannes (Jannes) Jaspers Faijer, geb. Vriezenveen 26 dec. 1792, † ald. 2 juli 1858, tr. Vriezenveen 16 nov. 1814
37. Gerhardijna (Gerritdina) Coster, geb. Vriezenveen 5 juli 1794, † ald. 30 jan. 1838.

Notitie bij Johannes (Jannes): grondeigenaar en landbouwer. Moet een geziene persoonlijkheid zijn geweest. Was van 1819-1823 ouderling en in 1823 en van1837-1841 diaken van de kerk.(zie voor een uitleg van de aard van de functies mijn scriptie over het 19e eeuwse Vriezenveen, te bereiken via mijn homepage).
Bewoonde het Onweerserf, Oosteinde 345 (huidige nummering). Pas in februari 1891 volgt de verdeling van de nalatenschap van Johannes Jaspers Faijer en Gerritdina Coster. Dat is 32 jaar na het overlijden van Johannes! De inventaris van de boedel had volgens aangehechte bijlage plaats op 11 december 1890. De Onweersboerderij was toen pas afgebrand (volgens overlevering van mijn vader door een uit de hand gelopen paasvuur). Uit de boedelscheiding blijkt dat de "roerende lighamelijke goederen, voor het grootste gedeelte door brand zijn vernield", het zaakje was wel verzekerd want Albertus Jaspers Faijer moet de verkregen vergoeding van de Brandverzekeringsmaatschappij 800 gulden inbrengen in de boedel, de waarde van de kennelijk van de brand geredde roerende lighamelijke goederen bedraagt 723 gulden. De landerijen gelegen in Vriezenveen, Wierden en Tubbergen worden geschat op bijna 8.000 gulden! Het totaal van het bezit, inclusief landerijen wordt vastgesteld op bijna 22.000 gulden. Hieronder zitten talrijke te gelde gemaakte uitgezette hypotheken. Zoon Albertus had recht op n kindsdeel (uit het huwelijk waren 5 kinderen geboren). Aangezien broer Johannes al in 1859 is overleden zonder kinderen moest de boedel door 4 gedeeld worden. Albertus had door testament (in 1864) echter ook het aandeel van zijn broer Derk verworven doordat diens enige zoon Derk (vroeg wees geworden en verder door Albertus Jaspers Faijer op het Onweerserf opgevoed) vlak voor zijn dood Albertus enig erfgenaam had gemaakt. Hierdoor had Albertus recht op de helft van de nalatenschap; dus ruim 10.000 gulden aan waarde. Doordat echter de vrouw van Albertus ook al was overleden verviel de helft van zijn aandeel in de boedel direct aan zijn kinderen.
(Bron: familiearchief Onweersfamilie).
Notitie bij het overlijden van Johannes (Jannes): overleden Jannes Jaspers Faijer, 65 jaar landbouwer zv Derks Jaspers Faijer en Aaltjen Faijer, beiden overleden.
Notitie bij Gerhardijna (Gerritdina): afkomstig uit de koopmansfamilie Costers, die op diverse manieren verwant is met de familie Jaspers Faijer.
Notitie bij het huwelijk van Johannes (Jannes) en Gerhardijna (Gerritdina): het huwelijk was een moetje, het eerste kind werd geboren in maart. documentnummer 2.

38. Jan Hendrik Webbink, geb. Vriezenveen 1 mei 1813, † ald. 3 nov. 1870,5 tr. Vriezenveen 18 okt. 1834
39. Johanna Schipper, geb. Vriezenveen 11 jan. 1809, † ald. 23 okt. 1890.9

Notitie bij Jan Hendrik: bij huwelijk boerenknecht. landbouwer en turfgraver, turfschipper. Uit de stukken van het archief van de "Onweersboerderij" krijg ik sterk de indruk dat de familie Webbink een vervenersfamilie was. Dochter Johanna Lena trouwde duidelijk boven haar stand door met Albertus Jaspers Fayer te trouwen.
In 1860 wordt als beroep vermeld landbouwer (bij huwelijk dochter Johanna Lena).
In 1858 is Jan Hendrik Webbink samen met zijn broer Jan getuige bij de overlijdensakte van Johannes Dekker (4-1-1858), zij heten beiden turfschipper van beroep te zijn.
Jan Hendrik bewoonde een boerderij aan het Oosteinde (in de buurt van nummer 187 huidige nummering). In 1876 was de gemiddelde huurwaarde van zijn woning 50 gulden en dat was net iets onder het gemiddelde voor Vriezenveen.
Notitie bij Johanna: naaister van beroep voor haar huwelijk (bron huwelijksakte]
Notitie bij de geboorte van Johanna: gedoopt als dochter van Lucas Klaassen en Janna Schipper

40. Jan Teunis, ged. Vriezenveen 29 okt. 1752, † ald. 6 april 1810, tr. Vriezenveen 20 mei 1781
41. Eva Egberts, ged. Vriezenveen 19 okt. 1755, † ald. 6 maart 1828.

Notitie bij Jan: winkelier, koopman en landbouwer. bij volkstelling 1795 als koopman vermeld.
Koopt 4-2-1783 een grasgaarden en een dagwerk van gemaaij in de landerijen van de
Verkoopster de wed. Jan Leenders gelegen, haar momber (vertegenwoordiger bij verkoop) is Derk van Olde.
(bron akte uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).

Jan Teunis is in 1788 bij een proces betrokken omtrent het schutten van "beesten" van Jenneken Jansen wed. van Frerik Klaasen. Samen met een zekere Eesse Janssen had hij de beesten van Jenneken geschut. Jenneken sleepte de twee voor het gerecht en ze kreeg haar gelijk. Het was vanouds nl. gebruik om de weiden van anderen te mogen gebruiken voor het heen en weer drijven van de beesten, zonder dat dit aan Jan Teunis en Eesse Janssen het recht geeft haar beesten tegen schadevergoeding te schutten. Laatstgenoemden worden veroordeeld in de proceskosten en alle overige kosten. Bron akten 12-8-1788 en 7-8-1789 uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
NB. Het schutrecht bestond in het Germaans georinteerd Europa en was een uiting van het primitief en primair rechtsgevoel bij onze voorouders. De eigenaar of gebruiker van een stuk land eigende zich hierbij het recht toe om loslopende dieren van een ander, die schade berokkenden, te vangen en te schutten. Dit schutten hield in dat men de dieren opsloot en deze eigenmachtig in pand nam. Zodoende kon men van de eigenaar der dieren een schadevergoeding eisen. (Bron: http://users.pandora.be/ludo.verhaert/koeriertjes/jan2003.htm ).

Op 5 januari 1797 heeft Jan Teunis de 50e penning aangegeven van de aankoop van 2 wanden hooiland, liggend in het zogenaamde Havixland voor 40 gulden, en nog 2 wanden hooiland daar tegenaan liggend voor 38 gulden. Beide gekocht van Berent ten Bruggencate in 1796. Het land verkoopt Jan Teunis door aan Gerrit ten Bruggen voor 96 gulden, waarvan Gerrit ten Bruggen de 50e penning aangeeft op 1 december 1797 (bron: kohier van de 50e penning; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).
Notitie bij Eva: winkelierse.
20-11-1779 koopt Eva Egberts van de erfgenamen van Hendrick Arentsen een akker turfland op de Superplus "verscheijden met Albert Prinsen" voor 152 guldens. De erfgenamen zijn: Gerhardus Harwig namens Janna Berkhof, Jannes Braemer en huisvrouw, Henderikjen Berkhof, Hendrik Coster voor zich zelf en namens Henderik Berkhof, Berent Jansen Coster en huisvrouw, Janna Jansen en Derk Arents Smit en vrouw, Egbert Schuurman en vrouw (Jenneken Hendriks), Engbert Egberts en tenslotte Henrik Smelt en huisvrouw.

19-1-1827 verkoopt Eva Egbers aan haar zoon Engbert Teunis, landbouwer te Vriezenveen al haar onroerende goederen, niets uitgezonderd, zoals ze deze samen met haar man Jan Teunis heeft bezeten, verder de helft van: het huis in het Oosteinde en land erachter tussen de buren Egbert Engberts en Derk Meijer,28 roeden bouwgaardens bij de Waterleydyk, 28 roeden grasgaarden agter de Waterleydyk, een zesde gedeelte of twee koeweiden in het zogenaamde Kwast Gerritsland, in gemeenschap met Jan Companjen en Harmen Nollen en anderen, een grasgaarden op het zelfde land van 8 roeden, ongeveer 60 roeden hooiland in het Koortsland in gemeenschap met Harmen Nollen, alles in het Oosteinde.70 roeden hooiland in de Woesten, 40 roeden hooiland in Kroemenland achter de Butereweg in gemeenschap met mejuffrouw Engberts en anderen. Een grasgaarden van 20 roeden op Jan Lubbersland en 30 roeden grasland op Sientjesland, alles in het Westeinde en verder een akker Turfland op de Superplus. Voorts alle roerende goederen met uizondering van " mijne klederen, actien en crediten, in en uit schulden ". Dit voor de som van 800 guldens vrijgeld onder voorwaarde van vrij vruchtgebruik door Eva gedurende haar leven.

8-4-1815 verzoekt Eva Egberts, winkelierster een inventarisatie, van haar goederen, die ze samen met haar overleden echtgenoot Jan Teunis bezeten heeft. Verwezen wordt naar een Besluit van de familieraad, welke gehouden is op 6-7-1811, voor het kantongerecht van Almelo, waarbij de kleermaker Albert Teunis, broer van Jan Teunis, aangewezen is als toeziend voogd van de minderjarige Engbert Teunis. Belanghebbenden zijn: Engbert Teunis, veertien jaar geleden in echte verwekt, Egbert Teunis (volgens een familienotitie geboren "1783 den 26 feberwaris"), Trijntjen Teunis (volgens een familienotitie geboren "1785-den 22-april"), Johanna Teunis (volgens een familienotitie geboren 1788-den-3-april", laatstgenoemde is gehuwd met Berend [Jansen Pleij, schoolmeester wonende te Tubbergen.
De winkelwaren en winkelgereedschappen worden getaxeerd op respectievelijk 80 en 30 gulden, verder wordt de inboedel van het huis beschreven, waaronder een klok met kast, een kast, een roggekist,14 schepel rogge, 2 koperen ketels, 5 koffieketels, 3 melkvaten, een karne, potten en panne, een boerenwagen, 3 tafels, 15 stoelen, 2 spinnewielen, in de keuken 13 aarden en 7 tinnen schotels, 7 tinnen kommetjes,vorken, messen een spiegel, een bedddepan, een vogelkooi, beddegoed, bedgordijnen, divers boerengereedschap, 10 hemden, 4 servetten etc. en in de stal een zwart bonte os, een "schimmelde koe en een zwart blaarde koe". Verder worden obligaties en uitstaande leningen en schulden beschreven. De grootste schulden staan uit aan Hermannus ten Bruggencate en de gebroeders Hanterman te Almelo respectievelijk 198 en 145 gulden. Verder worden de diverse landerijen beschreven (bouwgaarden, grasgaarden, hooiland, koeweiden en een akker turfland op "den Kleijnen Suplenplus") en het huis met schuur staande op het Oosteinde 123.
(bron akten uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
Notitie bij het overlijden van Eva: volgens akte van overlijden dv Egbert Egberts en Eessien Gerrits Spijker.

42. Johannes (Jannes, Jan) Bom, ged. Vriezenveen 17 dec. 1770, † ald. 26 jan. 1846, tr. Vriezenveen 1796
43. Johanna Schuurman, ged. Vriezenveen 27 jan. 1775, † ald. 25 maart 1857.

Notitie bij Johannes (Jannes, Jan): dekker (1813 geb akte 1813 nr. 68 getuige) en landbouwer (geb akte dochter 1814), tevens slager (bron: dagboek Jan Kruijs 1828)
1812 kerkmeester, 1825-1829 ouderling, behoorde in 1842-1844 tot n van de 35 families in Vriezenveen die zich een eigen huurbank in de kerk konden veroorloven. Bewoonde erve Doornbosch, Westeinde 85 huidige nummering.
In 1808 verkoopt Jannes Bom z’n woning echter aan Jan Doornbosch en Berend Schipper (bron: ken uw dorp en heb het lief, blz. 185).
Jan Bom vestigt zich westelijker aan het Westeinde in de buurt van nummer 175. Jan Bom staat in 1808 in het belastingkohier namelijk naast Hendrik Tromp vermeld en deze was woonachtig op nummer 175-177. In het kohier op de personele quotisatie uit 1808 staat als inwonend vermeld schoonzus Trijntje Schuurman. Dat buurman Hendrik Tromp evenals Jannes Bom dakbedekker was is mogelijk geen toeval (bron volkstelling 1795). Wie weet werkten ze wel samen.
In 1834 (kadaster) valt de woning van Jannes Bom in belastingklasse 6.
Als we de giftenlijst van de kerk uit 1801 (zie digitaal archief onweersberkhof.com) vergelijken met het belastingkohier uit 1808 dan kunnen we concluderen dat Jannes Bom de woning van de weduwe Mannes Brouwer (ook wel Hermannus Brouwer) heeft betrokken.
Notitie bij het overlijden van Johanna: overleden aan de 5e wijk Westeinde.

44. Jan Holland, ged. Vriezenveen 23 mei 1790, † ald. 8 dec. 1865, tr. Vriezenveen 5 april 1817
45. Gerritdina (ook Gerhardina) Engberts, ged. Vriezenveen 10 aug. 1788, † ald. 3 maart 1857.

Notitie bij Jan: landbouwer (bij overlijden), bij zijn huwelijk boerenknecht. 1843-1847 ouderling,

Vermoedelijk had Jan Holland evenals zijn zoon Engbertus een logement. Regelmatig duiken er in de diaconale rekeningen van de Hervormde kerk uitgaven op aan Jan Holland, zoals in 1832 en 1833 voor huishuur of kostgeld voor diverse personen. Jan Holland heeft in 1846 een conflict met de kerk, hij weigert samen met Jan Hospers --(zij vertegenwoordigen daarbij andere weigeraars)- het zogenaamde pastoorskoorn te betalen, een belasting die op bepaalde landerijen rustte. Er wordt een proces gevoerd tegen de predikant van die tijd H. Gallois (Bron: Archief N.H. kerk).

In 1832 heeft Jan een woning in eigendom naast dat van zijn vader aan het Oosteinde 215 (huidige nummering) het was ingedeeld in belastingklasse 7, dat wil zeggen het had een gemiddelde huurwaarde van 12 gulden en dat was enigszins beneden het gemiddelde van 15,27.

Zoon Johannes was linnenhandelaar in Sint Petersburg en later gemeenteontvanger te Vriezenveen, deze woonde later in bij zijn tante Fina Engberts (zuster van Gerritdina) op het Midden (zie ook notities Engbert Engberts, vader van Gerritdina en Fina).
Notitie bij Gerritdina (ook Gerhardina): bij haar huwelijk dienstmeid, ondertekent de huwelijksakte als "Gerridina Engbrets".
Notitie bij de geboorte van Gerritdina (ook Gerhardina): gedoopt als dochter van Engbert Baerends en Janna Jansen.
Notitie bij het overlijden van Gerritdina (ook Gerhardina): bij overleden staat vermeld, zonder beroep, dochter van Engbert Barends en Janna Jansen, echtgenoot van Jan Holland..

46. Pieter Jelkes van Eijck, geb. 27 nov. 1790, ged. Marssum (Frl.) 25 dec. 1790, † Vriezenveen 29 juni 1858, tr. Vriezenveen 4 juni 1825
47. Magdalena Hospers, geb. Vriezenveen 13 febr. 1806, † ald. 9 febr. 1883.10

Notitie bij Pieter Jelkes: (hoofd-)commies.

In een krantenartikel uit 1815 staat P.J. van Eijck vermeld als "extra-ordinaire commies ter recherche Oostmahorn" (bron: Nederlandse Staatscourant 9 juni 1815). Hij doneert dan 30 gulden in verband met een gift voor de versterking van de strijdkrachten in verband met de situatie in Nederland op dat moment. Zijn naam staat in een overzicht van giften door commiezen.
Op 30-06-1815 staat zijn naam vermeld in een lijst van eervolle vermelde commiezen die zich aangemeld hadden voor de vrijwillige wapening. Vermeld staat dat Pieter een jaarlijks traktement had van 250 gulden, ter vergelijking een rijdende commies had een jaartraktement van 800 gulden. Pieter was toenertijd 24 jaar oud en werkzaam in het District Hogezand, Ressorten Harlingen, Departement Harlingen. Hij was ingedeeld als jager te paard in het arrondisement Arnhem (bron: Nederlandse Staatscourant).

volgens de huwelijksakte was Pieter toen douaneambtenaar "commis van de eerste Klasse te voet, der Directe Belastingen in- en uitgaande rechten en accijns, gestationeerd te Vriezenveen". In de geboorte en overlijdensregisters ook wel aangeduid als hoofdcommies. Later winkelier in kleding en volgens Johanna Bom-Teunis ook gemeenteontvanger te Vriezenveen (mondelinge info ca. 1972). Bij het overlijden van zoontje Pieter Jelkes in 1851 wordt hij landbouwer genoemd.
Bij de geboorte van dochter Gerharda in 1831 wordt Pieter hoofdcommies van beroep genoemd. Het woord "hoofd" bij commies was aanvankelijk vergeten, maar later alsnog door de getuigen en Pieter zelf als aangever bijgeparafeerd.
Notitie bij het overlijden van Pieter Jelkes: bij overlijden gepensioneerd ambtenaar. Aangevers van het overlijden zijn de buren: Jasper Waanders en gerhardus Weiteman.
Notitie bij Magdalena: 1806 winkelierster, bij huwelijk zonder beroep, zij woonde later op het midden op de plek waar nu slagerij Kenkhuis is (oude foto van het pand in boek Ken uw dorp en heb het lief, blz. 48)

48. Derk Schipper, ged. Vriezenveen 8 aug. 1779, † ald. 9 maart 1852, tr. Vriezenveen omstr. 1806
49. Hendrika (ook wel Hendrikje) Jaspers Faijer (ook Jaspers of Derks), ged. Vriezenveen 15 juni 1788, † ald. 22 sept. 1838.

Notitie bij Derk: landbouwer (bron geb en huwelijksakte zoon Dirk, eigen overlijdensakte), bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering. (Zie blz. 95 Ken uw dorp en heb het lief). In 1832 had de boerderij een gemiddelde huurwaarde van 60 gulden per jaar en dat lag daarmee boven het gemiddelde van Vriezenveen, dat toen op 52,22 lag.
diaken (oa 1809)

20-8-1819 koopt Derk voor 200 gulden land, gelegen aan het Oosteinde van plaatsgenoot Hendrikus Koersen (bron: archief familie Schipper)
Notitie bij Hendrika (ook wel Hendrikje): ook genoemd Hendrika Derks (oa bij huwelijk zoon Gerhardus in 1837), toegevoegd staat ook genoemd Hendrika Faijer, bij haar overlijden staat ze te boek als Hendrika Faijer, ook genoemd hendrika Jaspers of Hendrika Derks.
Bij de geboorteakte van zoon Albartus in 1821 staat de moeder vermeld onder de naam Hendrika Jaspers Faijer.
Notitie bij de geboorte van Hendrika (ook wel Hendrikje): gedoopt als Hendrika dochter van Derk Jaspers en Aaltjen Jansen.

50. Berend Albert Roelofsen, ged. Vriezenveen 7 juni 1778, † ald. 31 dec. 1859,11 tr. Vriezenveen omstr. 1806
51. Hendrika Bramer, ged. Vriezenveen 14 maart 1788, † ald. 23 dec. 1879.

Notitie bij Berend Albert: landbouwer (bron huwelijksakte dochter Jesina). Bewoonde de boerderij gelegen ongeveer tegenover het Oosteinde 161 (huidige nummering). In 1876 had de boerderij volgens het kadaster een gemiddelde jaarlijkse huurwaarde van 70 gulden en dat lag boven het gemiddelde in Vriezenveen dat op ongeveer 52 gulden lag. In 1832, als Berend Albert Roelofsen eigenaar van de boederij is, heeft deze een gemiddelde jaarlijkse huurwaarde van 15 gulden. Dit is ongeveer het gemiddelde van de Vriezenveense woning die in dat jaar een gemiddelde huurwaarde heeft van 15,27.
Komt voor in de diakonale rekeningen als medeondertekenaar, zal ouderling zijn geweest, oa in 1833, 1835 en 1836. Behoorde dus tot de bestuurlijke elite van het dorp.
Notitie bij het huwelijk van Berend Albert en Hendrika: kerkelijk huwelijksboek in het provinciaal archief te Zwolle loopt tot 1791.

52. Jan Nijen Twilhaar, geb. Hellendoorn 26 maart 1794, † Vriezenveen 2 aug. 1868, tr. Hellendoorn 16 april 1819
53. Hendrika Timmerman, geb. Hellendoorn 18 sept. 1797, † Vriezenveen 16 dec. 1861.

Notitie bij Jan: bij huwelijk boerenknecht, was het schrijven niet machtig (bron geboorteakte levenloze zoon 2-8-1830 Vriezenveen). In diezelfde akte staat hij vermeld als landbouwer. Ook in de overlijdensakte van zijn vrouw (1861) staat landbouwer als zijn beroep vermeld.
Jan moet omstreeks 1820 naar Vriezenveen zijn verhuisd. De oudste zoon Jan Hendrik wordt in 1819 nog geboren in Hellendoorn, maar het tweede kind Hendrikus ziet in 1822 in Vriezenveen het levenslicht. Ook broer Jan Hendrik (ged. Hellendoorn 28-12-1797 vestigt zich in Vriezenveen). Rond 1830 wonen ze aan het Oosteinde, richting het Midden.

Inzake de hoofdelijke omslag (een belasting naar vermogen waarbij in Vriezenveen in 1846 18 verschillende vermogensklassen bestonden: in 1846 valt Jan in klasse 14 en wordt hij aangeslagen voor 3,70. Hiermee viel hij in de grote middenmoot. Ook broer Jan Hendrik valt in klasse 14.
Notitie bij het overlijden van Hendrika: in de overlijdensakte staat vermeld, geboren te Hellendoorn, zonder beroep, echtgenote van Jan Nijen Twilhaar, landbouwer, alhier.

54. Jan Gerrits Smelt de boer, ged. Vriezenveen 12 mei 1776, † ald. 14 aug. 1832, tr. Vriezenveen omstr. 1803
55. Johanna Tromp, ged. Vriezenveen 11 febr. 1780, † ald. 13 okt. 1843.

Notitie bij Jan Gerrits: volgens de volkstelling van 1795 turfschipper, volgens de huwelijksakte van zoon Gerrit was hij landbouwer (1830), bewoonde Oosteinde 56 (toenmalige nummering; overlijdensakte 1832). Volgens de huidige nummering is het Oosteinde 226 (zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 122). In het kadaster van 1832 komt Jan Smelt Gzn. 3x voor als eigenaar van een huis, 2 huizen hebben een wat lagere gemiddelde huurwaarde van 12 gulden, dus ik neem aan dat hij in de woning heeft gewoond met een wat hogere gemiddelde huurwaarde van 15 gulden.
Heeft zich niet ingeschreven voor een gift in 1801 voor de verbouwing van de plaatselijke kerk, hoewel zijn naam wel vermeld staat als Gerrit Smelt de boer. Wel geeft zijn, kennelijk inwonende, neef Mannes Smelt 1 gulden. Hoe de familierelatie precies zit met Mannes Smelt heb ik niet vast kunnen stellen.
Notitie bij de geboorte van Jan Gerrits: gedoopt als zoon van garret Berendz Smelt en Jenneken Jansen
Notitie bij het overlijden van Jan Gerrits: In de overlijdensakte staat vermeld oud 58 jaar, landbouwer zoon van wijlen Gerrit Smelt en N.N., echtgenoot van Johanna Tromp.

56. Hendrik Bramer, geb. Vriezenveen 2 dec. 1798,12 † ald. 23 juni 1883, tr. Vriezenveen 28 juni 1823
57. Geesijna (ook Gezina en Gesina) Gerrits, ged. Vriezenveen 23 jan. 1797, † ald. 18 febr. 1870.

Notitie bij Hendrik: landbouwer. ouderling oa 1825, 1826. Is geboren op het Gjttenspil, de boerderij, gelegen aan het Westeinde 144 huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 188). Bewoonde deze boederij zelf. Deze had in 1876 een gemiddelde huurwaarde van 70 gulden (zie mijn scriptie). Viel daarmee in belastingklasse 4 en dat was een meer dan gemiddelde huurwaarde (52,22). Werd in het gewone leven Hein genoemd (mondelinge overlevering Jacob Johannes Bramer geb.1898).

groot 5 voet en 2 duim blond haar, bruine ogen, smal aangezicht, voorhoofd rond, neus spits, mond klein, kin spits en geen merkbare kentekenen (bron: familysearch stamboek militairen nr. 200; https://familysearch.org/pal:/MM9.3.1/TH-1942-25184-38604-25?cc=1498335&wc=14229325). (ik schat zijn lengte op grond van voornoemde gegevens op ca. 1 meter 65. Hij was dus klein van stuk.)
Notitie bij het overlijden van Hendrik: bij overlijden vermeld als de weduwnaar van Gesina Gerrits, landbouwer van beroep. Grafsteen is nog op de begraafplaats van Vriezenveen aanwezig.
Notitie bij Geesijna (ook Gezina en Gesina): buurmeisje van Hendrik Bramer. Is bij huwelijk dienstmeid van beroep.
Notitie bij de geboorte van Geesijna (ook Gezina en Gesina): gedoopt als Geesijna dv Gerhardus Gerrits en Gerhardijna Hospes. Ook bij haar huwelijk Geesijna genoemd. Ze schrijft haar voornaam zelf echter als Gezina.
Notitie bij het overlijden van Geesijna (ook Gezina en Gesina): in de overlijdensakte staat ze vermeld als Gezina Gerrits dochter van Gerhardus Gerrits en Gerhardina Hospers.

58. Berend Jansen Pot, ged. Vriezenveen 14 aug. 1774, † ald. 2 maart 1853,13 tr. Vriezenveen 26 april 1811
59. Mina Eshuis, ged. Wierden 15 aug. 1790, † Vriezenveen 24 maart 1864.

Notitie bij Berend Jansen: landbouwer (bron: kadaster 1832) en wever (huwelijksakte 1811, geboorteakte zoon 1812 en dochter 1813 en 1818). Bij de geboorte van dochter Johanna in 1823 staat als beroep vermeld: weever en landbouwer. Bewoonde het ouderlijk erf gelegen aan het Westeinde 610 (huidige nummering). Zie blz. 248-249 Ken uw dorp en heb het lief.
Volgens het kadaster had de woning in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 12 gulden en daarmee lag deze beneden het Vriezenveense gemiddelde van 15,27.
Notitie bij Mina: bij het huwelijk in 1811 Miene genoemd, was toen dienstbode van beroep. Uit het belastingregister van de quotisatie van 1808 blijkt dat ze dit zal zijn geweest bij de voormalige schout van Vriezenveen Hendrik Spijker.
Notitie bij de geboorte van Mina: bij doop genaamd Miene

60. Jan Aman, geb. Vriezenveen 27 mei 1798, † ald. 5 nov. 1846, tr. Vriezenveen 21 april 1827
61. Klazyna (Clasina) Berkhof, geb. Vriezenveen 13 maart 1807, † ald. 31 jan. 1860.14

Notitie bij Jan: landbouwer, tapper, winkelier, marskramer.
Op 25-6-1864 koopt Albertus Jaspers Faijer zon 6 hectare land voor 200 gulden van de kinderen van Jan Aman en Klasina Berkhoff genoemd de oostelijke helft van het zogenaamde "Onweersland" aan de zuidkant van de dorpsstraat.(bron: Onweers familiearchief). Wordt in het kadastraal register van 1834 als eigenaar van het pand gelegen aan het Oosteinde 400, dat huis heeft dan een gemiddelde huurwaarde van 36 gulden en dat was ruim boven het gemiddelde van Vriezenveen.

Volgens het register van de nationale militie (aanwezig in de huwelijkse bijlagen van de huwelijksakte) had Jan de volgende verschijningsvorm:
-aangezicht: langwerpig
-lengte: 1 el en 730 str.
-voorhoofd: smal
-ogen: blauw
-neus: spits
-mond: ordinair (lees gewoon)
-kin: rond
-haar: blond
-wenkbrauwen: bruin

Op 19 november 1820 des namiddags om 4 uur verschijnen voor de arrondisementsrechtbank van Almelo en op het verzoek van:
-Hendrik Meulink, landbouwer wonend te Vriezenveen aan het Oosteinde, weduwnaar van Lena Schipper, voor zich zelf en als vader en wettig voogd over zijn minderjarige zoon Hendrik Meulink, door wijlen zijn vrouw verwekt voor ruim 14 jaar.
-Jan Berkhof, landbouwer te Vriezenveen, voormeld woonachtig, zoon van wijlen Hendrik Berkhof en gemelde Lena Schipper, voor zich zelf als voogd over zijn broer Johannes Berkhof, minderjarig kind van gemelde wijlen Hendrik Berkhof en Lena Schipper, aangesteld bij familieraad op de veertiende augustus j.l.
-Wolterdina Berkhof, landbouwerse, wonende mede te Vriezenveen, meerderjarige en ongehuwde dochter van wijlen Hendrik Berkhof en Lena Schipper.
-Jan Aman Fredrikszoon, koopman en tapper, als in huwelijk hebbende Klasina Berkhof, zonder speciaal beroep, beide te Vriezenveen, meergemeld woonachtig.

In aanwezigheid van Wolter Schipper en Fredricus Schipper bouwlieden mede te Vriezenveen, vaakgemeld woonachtig, als toeziend voogden, de eerstgenoemde over gemelde Johannes Berkhof en de laatstgenoemde over gemelde Hendrik Meulink.

Door notaris Warnaars te Almelo residerend, ten huize van Jan Aman Frederikszoon te Vriezenveen voormeld.
Requiranten verkopen de volgende tot hun gemeenschappelijke boedel behorende goederen±
De aanvaarding der percelen is dadelijk behalve het huis, hetwelk eerst de eerste mei eerstkomende en het roggeland als de rogge ingezameld zal zijn, zullen aanvaard worden, na voorlezing van het voorgaande handelt het om de hierondergeschreven percelen:
-het 17e perceel , een hoekje hooiland, het derde deel genaamd ongeveer 4 roeden onder Geesteren in gemeenschap met Jan Faijer en anderen.
ingezet door Jannes Faijer, bouwman te Vriezenveen op 8 guldens
afgeslagen van een hoger som en niemand gemijnd hebbend, zo is de inzetter koper geworden.

Van vorenstaande vaste goederen behoort een vierde gedeelte aan de medequirant Hendrik Meulink
aan de medequirant Jan Berkhof, Jan Aman, als in huwelijk hebbende Clasina Aman en aan Wolterdina Berkhof ieder een vijfde part
(archief vereniging Oud Vriezenveen toegang nr. 1.4 map B inv. nr. 81.4).

Op 25 juni 1864 verkopen de kinderen Aman, te weten Hendrik Fredrik Aman, Fredrik Hendrik Aman, Kornelis Lambertus Ama, Jan Johan Aman en Albertus Kelder gehuwd met Lena Kuna Aman het oostelijk gedeelte van het Onweersland, gelegen in het Oosteinde ten zuiden van de straat, zich strekkend tot aan de Schipsloot, zijnde weide en hooiland, , kadastraal bekend onder sectie D 755, 756, 757, 1163, 1180 en 1326 voor 200 gulden aan Albertus Jaspers Faijer, de bewoner van de Onwweersboerderij (bron: familiearchief Onweersboerderij).
Notitie bij het overlijden van Jan: bij overlijden genoemd tapper en landbouwer, overleden op het adres: eerste wijk op het Oosteinde.
Notitie bij Klazyna (Clasina): bij trouwen dienstmeid. 25-11-1853 (getuige bij een huwelijk) wordt als haar beroep vermeld "winkeliersche", ook bij het huwelijk van zoon Fredrik Hendrik in 1853 wordt vermeld dat ze winkelierse is. Ze werd ook wel Gezina genoemd (bron huwelijksakte zoon Fredrik Hendrik 1853).
Notitie bij het overlijden van Klazyna (Clasina): overleden in het huis staand op de eerste wijk te Vriezenveen

62. Fredrik Aman, geb. Vriezenveen 24 mei 1818, † ald. 17 juli 1847,5 tr. Vriezenveen 9 mei 184015
63. Janna Hof, geb. Vriezenveen 6 okt. 1817, † ald. 6 nov. 1877, tr. 2e Vriezenveen 6 april 18505 Johannes Landhuis, geb. Vriezenveen 11 juni 1828, † Wierden 1 april 1907, zn. van Cornelis en Aaltjen Kobes; hij hertr. Wierden 23 juni 1883 Helena Catharina Staudt.

Notitie bij Fredrik: landbouwer, bewoonde de boerderij ten westen van het Onweerserf (Oosteinde nr. 345 huidige nummering), Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 147 en kadastrale informatie. De familie had de bijnaam de Baais.Deze naam was afkomstig van de voorvader van Janna Hoff die werd aangesproken met de naam Baas(t). Of het baaishuisje echt zo klein was als gesuggereerd door de schrijvers van Ken uw dorp en heb het lief valt te betwijfelen. Het pand had in 1832 nl. een gemiddelde huurwaarde van fl.15,- en viel hiermee in belastingklasse 6, het was hiermee toen een gemiddelde boerenwoning. Het pand werd toen (in 1832) nog bewoond door de schoonvader van Frederik, te weten Hendrik Hoff.
In 1876, toen de boerderij werd bewoond door de zoon Hendrik Aman, had de woning een gemiddelde huurwaarde van 60 gulden en viel daarmee in klasse 4 en scoorde daarmee hoger dan gemiddeld (zie bijlagen bij mijn scriptie). Daarnaast bezat de familie in 1876 (Janna Hoff) nog een klein huisje buiten het dorp met een gemiddelde huurwaarde van fl.5,- (bron: kadaster).

Volgens het register van de nationale militie zag fredrik Aman er als volgt uit:
lengte 1 el 724 strepen (=1 meter 72,4 cm)
aangezicht: breed
voorhoofd: rond
neus: stomp
mond: klein
kin: rond
haar: blond
wenkbrauwen: idem
merkbare kentekenen: geene
Notitie bij de geboorte van Fredrik: bij de geboorte van Fredrik staat vermeld dat hij de zoon was van Hendrikus Aman Fz. landbouwer en Johanna Broertjen. aangifte van de geboorte deed Hendrikus Aman oud 30 jaar, en getuigen waren Hendrik Engels , commisaris tot de Declaratie 24 jaar, en Jan Weijteman, landbouwer, 36 jaar.
Notitie bij Janna: Bijnaam Baais, komt van het erf dat gelegen was ten oosten van het pand Oosteinde 341-343 (bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 146-147). Bewoonde het ouderlijk erf.

Generatie VII

64. Hendrik Berkhoff, geb. Vriezenveen 19 juni 1757, † ald. 24 juni 1811,16 tr. Vriezenveen omstr. 1796
65. Lena Schipper, ged. Vriezenveen 10 april 1774, † ald. 22 maart 1829, tr. 2e Vriezenveen 28 jan. 1815 Hendrik Mllink, ged. Wierden 20 april 1766,17 † Vriezenveen 10 sept. 1842, zn. van Hendrik Mullink en Maria Westerik en wedr. van Berendina Gerritsen Nijboer.

Notitie bij Hendrik: landbouwer, bewoonde Oosteinde 390 huidige nummering. Wordt in het paardengeldbelastingregister van 1792 reeds genoemd, heeft dan 1 paard en bewoont het erf van zijn vader (de Jan Butensboerderij).

In 1792 staan de kinderen Jan Berkhof vermeld in het kerspelregister van Vriezenveen met de forse aanslag van 9 guldens en 14 stuivers.

In het volkstellingsregister van 1795 staat Hendrik vermeld als hoofd van het huishouden dat dan 5 gezinsleden omvat, als beroep staat opgegeven boer en de opgaaf is gedaan door de inwonende zuster Diena Berkhof.

Op de lijst van giften voor de nieuwbouw van de plaatselijke kerk in 1801 staat Hendrik vermeld met een gift van 30 gulden.

Bij de belastingquotisatie van 1808 wordt Hendrik ingedeeld in klasse 36, hetgeen betekent dat zijn inkomen dat jaar tussen 175-200 gulden bedroeg. Aanvullend wordt hij nog aangeslagen voor 20 stuivers extra verhoging van de belasting. Zuster Diena, die kennelijk zelfstandig een inkomen verwierf werd ingedeeld in klasse 37, wat inhield dat ze een inkomen had tussen 150-175 gulden per jaar. Daarmee behoorde Hendrik en ook zuster Diena tot de beter bedeelden van Vriezenveen.

Op 19 november 1808 wordt Hendrik voor het gericht gedaagd vanwege verpanding van zijn mobiele goederen in verband met een openstaade boete van 20 goldguldens. Deze boete hadden Hendrik en ook Jan Jansen Faijer, Hendrik Mollink, Jannes Boesschen, Jan Hendrik de Fokke en Hendrik Jansen de Jager opgelopen vanwege openbaar geweld en eigenrecht door het vernielen, in stukken slaan en in het water werpen van "brand of zogenaamde stukken op de eigendommelijke gronden van Berend Bramer en consorten. Allen komen in bezwaar omdat het eigendom zou liggen bij de eerstgenoemde 4 personen (Berkhof, Faijer, Mollink en Boesschien) die hun voorzaten reeds onheugelijke tijden in bezit zouden hebben.
Notitie bij Lena: verklaart bij haar huwelijk in 1815, evenals haar echtgenoot het schrijven niet te hebben geleerd.
Notitie bij de geboorte van Lena: gedoopt als Leena dv Wolter Schipper en Jenneken Berkhof

66. Barend Alberts Broertjen, geb. Vriezenveen 11 dec. 1768, † ald. 25 mei 1836, tr. Vriezenveen 17 febr. 1793
67. Janna Berends Holland, geb. Vriezenveen 22 jan. 1769, † ald. 6 jan. 1836.

Notitie bij Barend Alberts: landbouwer, notabele (1820-1823) en diaken (1827-1831) van de N.H. kerk. Bewoonde een boerderij aan het Oosteinde 266 (huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 136).
Bewoonde het ouderlijk erf in elk geval samen met broer Hendrik Broertjen (bron: quotisatiekohier 1808).
De gemiddelde huurwaarde van de boerderij bedroeg in 1832 12 gulden en daarmee viel de woning in belastingklasse 7.
In 1801 draagt "Berent Broertien" 8 gulden bij voor de verbouwing van de Hervormde kerk (archief NH kerk Vriezenveen).
Het jaarlijks inkomen van Berend wordt in 1808 (quotisatiekohier) geschat op 175-200 gulden.
Notitie bij de geboorte van Barend Alberts: gedoopt als Barend zv Albert Berendz Broertjen en Janna Hendriksen Hof.
Notitie bij Janna Berends: Jan Holland maakte op 24-04-1823 voor notaris Warnaars te Almelo zijn testament.
Tot erven werd oa benoemd:
2. aan zijn nicht Janna Holland, huisvrouw van Berend Broertjen 250 gulden en bij haar vooroverlijden haar nakomelingen.
Notitie bij het huwelijk van Barend Alberts en Janna Berends: huwelijksregistratie luidt als volgt: "Berent Broertien Z. van Albert Broertien en Janna Henderiks Hof en Janna Holland D. van Baerent Holland en Janna Schipper J.D. geb: en wonende beide alhier"

68. Fredrik Hendriks Aman, geb. Vriezenveen 3 jan. 1762, † Ambt Almelo 10 april 1827,15 tr. Vriezenveen 20 sept. 1783
69. Kunnigje Jansen Berkhoff, geb. Vriezenveen 12 juli 1761, † ald. na 1801.

Notitie bij Fredrik Hendriks: landbouwer, imker (zie boedelscheiding) en koopman (1806). In de overlijdensakte genoemd landbouwer van beroep.
was kerkmeester van de Ned. Herv. kerk te Vriezenveen (o.a. in 1809 en 1810). Ik vermoed dat Fredrik ook marskramer is geweest. Op 13 februari 1810 staat in stukken van het archief van schoutambt Vriezenveen inv. nr. 34, dat Fredrik Aman als kerkmeester absent was, evenals medekerkmeester Gerrit Fredriks. De wintertijd was de tijd om met de marskraam op pad te gaan.
Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering). Deze boerderij zou de bakermat van alle families Aman zijn.
Volgens het register op de personele quotisatie van 1808 beschikte Fredrik over een inkomen tussen 200 en 250 gulden en dat was aanzienlijk.

Frederik verstrekte aan diverse dorpsgenoten hypotheken en kocht een vierakkerstuk (bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 146).
De boerderij van Fredrik brandde in 1818 af. De schout Jan Kruijs schrijft hierover in zijn dagboek:
veertien dagen voor Paasschen brande het Huys van Frederik
Aman af. Zulks geschiede op een agtermiddag, Terwyl
de vrouw (eten?) bezig waren aan de wasch, de vlam
nam zo spoedig de overhand dat selfs het vhee en het
Paard niet heeft gered kunnen worden. Ymen, Honig,
wasch en byna de geheelen Inboedel is verloren gegaan.
Het Huys was gelukkig in de brand cas voor f 1200.-
Thans staat er weder een allerbest boeren Huys in de
plaats."

In de Staatscourant van 24 maart 1818 wordt de brand zelfs vermeld: "Vrieseveen, den 17 maart.
Heden nadenmiddag ten 4 uren, is, door eene geheele onbekende oorzaak, de woning van den landbouwer Frederik Aman in brand geraakt en, met den geheelen inboedel, benevens de schuur, met zeven stuks rundvee en een paard, als in een ogenblik, een prooi der vlammen geworden. Door den ijver der brandspuitgasten, van de ingezetenen ondersteund, zijn de belenden woningen, niettegenstaande den fellen wind, behouden gebleven (Overijsselsche Courant)".

De betreffende boerderij had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 36 gulden en viel daarmee in belastingklasse 4 en was daarmee toendertijd zeker een woning van betere stand. De gegoede stand blijkt ook uit de bijdrage van Frederik aan de verbouwing van de Hervormde kerk in december 1801 ten bedrage van 32 gulden. De inwonende vader Hendrikus doneerde 5 gulden.
In het belastingkohier van de quotisatie wordt het jaarlijks inkomen van Fredrik op 250 tot 300 gulden geschat en dat was voor Vriezenveense begrippen erg veel.
Op 11-11-1820 vind er een boedelscheiding plaats tussen Fredrik Aman en zijn kinderen in verband met de verdeling van het voormalige aandeel van Kunnigje Jansen Berkhof in de boedel. De gezamenlijke boedel van het voormalige echtpaar omvatte in 1820:
2 akker land bij de boerderij aan het Oosteinde gelegen (toen genummerd 27), gelegen tussen de landerijen van Hendrik Hoff en Jan Hoff.
-2 koeweiden in het zogenaamde Onweersland. Diverse stukken wilde veengrond o.a. bij de buurtschap Geesteren.
-1 akker wilde grond in de Oosterhoeven
-2 akker wilde grond op de Grote Superplus.
totale waarde van landerijen geschat op 1.800 gulden.
Verder bezat Fredrik Aman:
- 5 koeien, waarde 150 gulden.
-1 paard, waarde 100 gulden.
-2 kalveren, waarde 20 gulden
-2 wagens, waarde 40 gulden
-2 kisten, waarde 15 gulden
-1 kast, waarde 10 gulden
-2 tafels en enige stoelen, waarde 10 gulden
-2 bedden met toebehoren, waarde 80 gulden
- enige potten, pannen, schotels, borden en verder keukengerei, waarde 40 gulden
-diverse bouwgereedschappen, waarde 26 gulden
-voorraad ongedorste rogge, waarde 70 gulden
-dito boekweit, waarde 70 gulden
-dito hooi, waarde 40 gulden
-dito aardappelen, waarde 50 gulden
-bijen, bijenkorven, was, honing, honingvaten en alle toebehoren voor de bijenteelt, waarde 850 gulden.

Aan leningen had het echtpaar in totaal 1.849 gulden uitstaan.
4 kinderen ontvangen een uitkering uit de boedel ter waarde van 712,25 te weten:
Hendrik Aman, Johanna Aman, Magdalena Aman en Hendrikus Aman ontvingen een aandeel van 721,- , in totaal 2.521,-. Als gemachtigde van Hendrikus Aman trad op zijn zwager Berend Hof, landbouwer te Vriezenveen (bron: notarieel archief Overijssel nr. 15)

Op 2 december 1790 verklaren Albert Jansen en Harmine Hendriks 150 gulden schuldig te zijn aan Fredrik Hendriks en Kunnetjen Berkhof onder hypotheek van het halve huis (de westkant) en erf en landerijen van wijlen Albert Jansen Scheeper, tegen een rente van 4 gulden 10 stuivers. (bron archief schoutambt Vriezenveen inv.nr. 2680 foto 495).
Notitie bij het overlijden van Fredrik Hendriks: Fredrik is overleden op 10 april ’s-avonds om 6 uur in Almelo nabij het huis van Hendrikus Kortenvoord staande op de Schelfhorst wijk 5 nr. 273 en 274.
Notitie bij het overlijden van Kunnigje Jansen: doop laatste kind in 1801, niet genoemd in de begraafregister welke aanvangen in 1806, dus overlijden moet tussen 1801 en 1806 hebben gelegen.

70. Barend Alberts Broertjen (dezelfde als 66), tr. Vriezenveen 17 febr. 1793
71. Janna Berends Holland (dezelfde als 67).

Notitie bij het huwelijk van Barend Alberts en Janna Berends: huwelijksregistratie luidt als volgt: "Berent Broertien Z. van Albert Broertien en Janna Henderiks Hof en Janna Holland D. van Baerent Holland en Janna Schipper J.D. geb: en wonende beide alhier"

72. Derk Jaspers Faijer, ged. Vriezenveen 2 okt. 1757, † ald. 28 jan. 1829, tr. Vriezenveen 16 sept. 1787
73. Aaltje Jansen Faijer, ged. Vriezenveen 26 dec. 1757, † ald. 9 dec. 1830.

Notitie bij Derk: Bewoont het Onweerserf, Oosteinde 345 (huidige nummering).
turfschipper en landbouwer, bij de volkstelling van 1795 wordt als zijn beroep schipper vermeld het gezin bestaat dan uit 7 gezindsleden. Wordt dan genoemd als n van de bestuurslieden (municipaliteit) van Vriezenveen. Zij ondertekenden namelijk de volkstellingslijst (bron: Statenarchief inv. nr. 5343).
Neemt op 12 mei 1812 de naam Jaspers Faijer aan, heette daarvoor gewoon Jaspers of Onweer, welke laatste naam als bijnaam op het erf behouden bleef tot in de huidige tijd, ook na verplaatsing van de boerderij in de vijftiger jaren van de 20e eeuw, in het kader van de ruilverkaveling.

Doneert in december 1801 als bijdrage voor de verbouwing van de Hervormde kerk een bedrag van 20 gulden. De inwonend meid, Diena Kolthof draagt 1 gulden bij en de nog levende vader 5 gulden. (archief NH-kerk).
Bij de quotisatie van 1808 wordt Derk ingeschaald in belastingklasse 36, dat hield in dat zijn jaarinkomen tussen 200-250 gulden lag. Als extra belastingtoeslag, boven de 3 gulden, die bij deze belastingklasse hoorde, moest Lucas nog 1 gulden extra betalen. Mogelijk dat dit kwam doordat zijn inkomen rond de bovengrens van deze belastingklasse lag. In belastingklasse 35 (inkomen 250-300 gulden) bedroeg de belastingaanslag nl. 6 gulden. Bij de belastingvaststelling van 1808 wordt ook de inwonende meid Diena Kolthof weer genoemd, zij wordt ingeschaald in belastingklasse 41 (inkomen 50-75 gulden) en verder wordt ook nog vermeld (knecht?) Jan Oldescholten als inwonende die aangeslagen wordt voor belastingklasse 40 (inkomen 75-100 gulden).

27 november 1798 geeft Derk Jaspers de 50e penning aan ivm de aankoop van 2 wanden bouwland op zijn land van Jan Berends Bramer voor 75 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).
Notitie bij het overlijden van Aaltje Jansen: weduwe van Derk Jaspers Faijer.

74. Hermannus Costers, ged. Vriezenveen 12 febr. 1764, † Coevorden 5 dec. 1801,18 tr. Vriezenveen 12 okt. 1788
75. Frederika Olijslager Smit, ged. Vriezenveen 19 dec. 1762, † ald. 22 dec. 1828.

Notitie bij Hermannus: koopman, meestal onder de naam Mannes Coster vermeld, of Mannes Ksters (1795 bij de volkstelling). Wordt dan genoemd als n van de bestuurslieden (municipaliteit) van Vriezenveen. Zij ondertekenden namelijk de volkstellingslijst (bron: Statenarchief inv. nr. 5343). Opvallend is dat dochter Gerhardijna huwde met de zoon van eveneens een municipaliteitslid (Derk Jaspers Faijer).

Woonde aan het Oosteinde nummer 203 (huidige nummering), zie Ken uw dorp en heb het lief blz. 104.
In 1795 bestaat het gezin uit 7 personen, inclusief vader Hendrik die de familie aangifte doet, als beroep staat vermeld koopman.
Hermannus overlijdt tijdens n van zn koopmansreizen in Coevorden of hij ook verdere oorden heeft bezocht, zoals St. Petersburg, is niet bekend. In elk geval moet de familie er warmpjes bij hebben gezeten. Bij de intekenlijst voor de verbouwing van de plaatselijke kerk tekent de weduwe Hermannus Costers in voor 30 gulden. Ook blijkt uit deze lijst dat de weduwe een knecht heeft genaamd Hendricus Hopster die voor 2 gulden heeft ingetekend en een dienstbode, genaamd Janna Smit, zij tekent in voor 1 gulden. Het moet daarom toch wel een familie van stand zijn geweest. Verderop op het Oosteinde nr. 109 (huidige nummering) woonde broer Gerrit (volgens de volkstelling boer van beroep) die ook 30 gulden bijdraagt. Op het midden woonde broer Jan,-volgens de volkstelling van 1795 ook een koopman- gehuwd met Geertruid Spijker en hij draagt de gigantische som van 300 gulden bij voor de verbouwing van de kerk, een bedrag dat verder alleen door de koopman Jan Engberts werd bijgedragen en door niemand in het dorp werd overtroffen. Dit bedrag suggereert zeker dat de familie Costers wel degelijk ook in Sint Petersburg actief moet zijn geweest, waar het grote geld verdiend werd, ook al komt deze familie niet voor op de lijsten van Sint Petersburger kooplieden. Ik vermoed dat deze Jan Coster identiek is aan de Jan Coster die de lokale historicus Herman Jansen noemt als degene die een koopmansboekhouding voert voor de gebroeders Prinsen die inderdaad firmanten zijn van een Petersburger firma (Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 191). Aangezien Jan Costers geen kinderen had uit zijn huwelijken met Aaltjen Bramer en Geertruid Spijker zal het kapitaal van hem naar zijn familie en mogelijk de familie Bramer en Spijker zijn teruggevloeid. Hij overleefde trouwens zijn tweede vrouw die in 1813 overleed. Jan Costers is in de Franse tijd loco-burgemeester en Ontvanger der Landsmiddelen voor Wierden en het Hoge Hexel, terwijl zijn zwager Hendrik Spijker burgemeester van Vriezenveen was in deze tijd (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz.50).
Het huis dat Hermannus bewoonde wordt in 1832, als zijn zoon Bernardus de hoofdbewoner is geworden, kadastraal ingedeeld in klasse 5. Dit betekent dat het huis een gemiddelde huurwaarde had van 24 gulden. Dit was ruim boven het gemiddelde voor Vriezenveen dat op 15,27 lag.
Het is zeer goed mogelijk dat de familie Jaspers Faijer haar familiekapitaal met name aan de verwantschap met de koopmansfamilie Costers te danken had. Leden van beide families huwen overigens opvallend vaak met elkaar.

08-12-1784 maakt het echtpaar Gerrit Derks- Hendrikjen Jansen een nieuw testament. Het is een langstlevende testament. Na het overlijden van de langstlevende komt alles toe aan de kinderen van wijlen Hendrik Costers met namen: Gerrit Costers, Hermannus Costers en Johanna Costers "sullen vooraf prophijteeren het Huijs met den geheelen inboedel, zoo van paarden beesten, niets daarvan uitgezondert....mitsgaaders alle de landerijen, beneffens eene summa van twee duijsent carolie guldens". Mocht de langstlevende hertrouwen dan dient deze aan de kinderen van wijlen Hendrik Costers 5.000 caroli guldens uit te keren. Testators broer komt slechts de kleding van testator toe en mocht deze zijn overleden dan gaat ook dat naar de kinderen Costers. Testatrice vermaakt haar kleding aan de kinderen Costers. Verder ontvangen de armen een legaat van 200 gulden (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).

op 24 juli 1798 geeft Harmannus Koster de 50e penning aan ivm de aankoop van een akker Woestenland van de wed. Bernardus Spijker voor 40 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).
Notitie bij het overlijden van Hermannus: vermeld staat: Harmen Kosters, overleden op 05-12-1801; woonplaats: Vriezenveen. bron: Drenlias.
Notitie bij Frederika: in 1801 nog genoemd als de weduwe Hermannus Costers (zie notities echtgenoot).
woonde volgens de overlijdensakte aan het Oosteinde 91 (toenmalige nummering).
Akte 30 juli 1793draagt Berent Engberts Smit zijn kleren, zilver en goud over aan zijn dochter Frederika Berends Smit getrouwd aan mannes Coster (boekjes Jonker archief Vereniging Oud Vriezenveen XV,34).

76. Hendrik Webbink (Webben), geb. Borne 31 mei 1779, † Vriezenveen 3 april 1840, tr. 2e Vriezenveen 8 mei 181919 Clasina Kobes,20 ged. Vriezenveen 2 febr. 1777, † ald. 5 febr. 1850,5 dr. van Gerrit en Swennigje Frielink; tr. 1e Zenderen 180021
77. Lena Geerlinks, ged. Vriezenveen 1 aug. 1773, † ald. 10 april 1818.

Notitie bij Hendrik: arbeider (1813, geb. akte zoon Jan Hendrik) landbouwer en turfschipper (bron turfschipper: trouwakten zonen Jan 1826 en Jan Hendrik 1834). Hendrik is rond 1801 met zijn vader naar Vriezenveen gekomen, evenals zijn broer Derk. Beiden huwden een Vriezenveense en vestigden zich aan het Oosteinde. Ze bewoonden beiden woningen in de wat lagere belastingklasse. Kon niet schrijven (bron: geb. akte zoon Hendrikus 1817).
Toch had Hendrik in 1832 2 woningen aan het Oosteinde in eigendom (met een gemiddelde huurwaarde van 12 ; van deze woning had Jan Fayer het regt van opstal) en de andere woning had een gemiddelde huurwaarde van 6 gulden). Broer Derk had een woning met een gemiddelde huurwaarde van 9 gulden. Het gemiddelde voor Vriezenveen lag boven de 15 gulden.

In 1808 in het register van de belasting op de quotisatie staat Hendrik overigens te boek als n van de 28 onvermogenden van Vriezenveen. Dat hield in dat hij geen belasting hoefde te betalen. Hij woonde in 1808 op het oostelijke puntje van het Oosteinde, in de buurt van de Schipsloot.

Was het schrijven niet machtig (bron: geb. akte zoon Jan Hendrik 1813).

Bij de huwelijksregistratie in 1819 heet Hendrik Webben landbouwer te zijn, weduwnaar van Leena Geerlink en een zoon van Jannes Webben en Janna Hinneveld; dit in tegenstelling tot de overlijdensakte waar de moeder opeens Janna Getkate heet. Dat laatste moet een abuis zijn, gezien de doopregistratie van Hendrik in Borne waar ook de naam Hinneveld voorkomt en dus niet Getkate! Ook in andere registratie bij broers en zussen (zowel bij huwelijken als dopen) van Hendrik komt altijd de naam Hinneveld naar voren.
Leuk detail in de huwelijksakte bij de naam van vader Jannes Webben is de vermelding dat deze ook wel Klumpers heette, een mogelijke aanwijzing dat hij klompenmaker geweest zou kunnen zijn. Van Hendrik Webben staat vermeld dat deze ook wel Webbink heette.
Notitie bij de geboorte van Hendrik: gedooopt als Hindrik, Zoon van Jannes Webben en Janna
Hinneveld, Ehel: in Senderen
Notitie bij het overlijden van Hendrik: bij zijn overlijden heet hij 63 jaar te zijn, echtgenoot van Gesina Kobes en weduwnaar van Lena Geerlink. Hij heet geboren te zijn in Borne en de zoon van Jannes Webbe en Johanna Getkate. Deze laatste naam is opmerkelijk en vermoedelijk onjuist aangezien Johanna bij de doop Janna Hinvelt blijkt te heten en ook bij de dopen van haar andere kinderen draagt ze deze naam. Hendrik is overleden aan het Oosteinde nr. 4 (toenmalige nummering).
Notitie bij het huwelijk van Hendrik en Lena: ik heb geen huwelijksregister van rond 1800 kunnen vinden van Zenderen of Borne (nederlands hervormd) in het Rijksarchief van Zwolle en heb dit jaartal dus niet zelf kunnen controleren.

78. Lucas Klaassen Schipper, ged. Vriezenveen 25 dec. 1762, † ald. 23 sept. 1840, tr. Vriezenveen omstr. 1798
79. Johanna Schipper, ged. Vriezenveen 25 dec. 1773, † ald. 27 juli 1821.

Notitie bij Lucas Klaassen: landbouwer (bron beroep: huwelijksakte dochter Johanna 1834), bewoonde een boerderij aan het Westeinde 158 (huidige nummering). De boerderij had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 24 gulden en lag daarmee ruim boven het gemiddelde van 15,27. Lucas trouwde in op het erf van zijn vrouw Johanna Schipper. (zie ook: Ken uw dorp en heb het lief, blz.191).
Lucas Klaassen neemt in 1812 bij de naamsaanneming onder Napoleon de naam Schipper aan (bron: digitale bronbewerking naamsaannemingen 1811/1812 van Andr Idzinga; Vriezenveners.nl).
In 1801 op de intekenlijst van bijdragen voor de verbouwing van de Nederlands Hervormde Kerk tekent Lucas Klaassen in voor 20 gulden, een fors bedrag, ook zijn schoonmoeder, Jenneken Prinsen, die dan nog leeft draagt 5 gulden bij. Daarnaast is er nog een "meid" , genaamd Johanna de Vries, zij draagt 1 gulden bij.
Notitie bij het overlijden van Lucas Klaassen: heet bij zijn overlijden de zoon te zijn van Klaas Klaassen en Janna Schoenmaker. Overleden als Lucas Schipper voorheen genaamd Lucas Klaassen.
Notitie bij de geboorte van Johanna: gedoopt als Johanna dv Jan Schipper en Jenneken Prinsen

80. Teunis Jansen, ged. Vriezenveen 5 dec. 1728, †?, tr. Vriezenveen 6 dec. 174922
81. J(oh)anna Berends Camp, ged. Vriezenveen (?) 11 jan. 1718, †?.

Notitie bij Teunis: Woonde int Allee bij de kerk en de Middenschool. Herman Jansen schrijft hierover in ken uw dorp en heb het lief (blz.24). "de boerderij is zeker 250 jaar in het bezit van de familie Teunis geweest. Begin 1700 woonde er Berend Gerrits. Een dochter van deze Aaltje, trouwde met Berent Camp en deze woonde in 1748 op de boerderij. En het was deze Berent Camp, die aan de familie de naam Campberents bezorgde. Een dochter van deze Berent Camp, Janna geheten, trouwde met Teunis Jansen, deze bleven op de boerderij wonen. Een zoon van deze Teunis Jansen, Albert Teunis bewoonde nadien de boerderij, dit was omstreeks 1800".
Teunis Jansen (als timmerman?) voerde vanaf 1762, evenals eerder zijn schoonvader klusjes uit voor de gemeente, zo wordt hij in de gemeentejaarrekening van 1763 voor werkzaamheden aan de kerktoren en de school ten bedrage van 12 gulden en in 1764 staat hij in de gemeentejaarrekening te boek voor 9 dagen werk a 12 stuivers per dag, maakt in totaal 5 gulden. In 1786 werkt hij nog steeds voor de gemeente en is ook zijn zoon Albertus bij gemeenteklusjes betrokken in kosterij, pastorie en de school. Hiervoor had Teunis zelfs een metselaar in de kost. Totale loonsom 59,25 ten laste van de gemeentejaarrekening van 1786.
Notitie bij J(oh)anna Berends: er is een doop van Janna te vinden d.v. Berent Lucassen en Aaltjen Jansen op 11-1-1718, bij de volkstelling van 1748 heet de moeder echter Aaltje Gerritsen, mogelijk ook is Berend Camp 2 x getrouwd geweest.
Teunis Jansen is gedoopt in 1728 en dat maakt de aanname van de doop van Janna in 1718 (als dochter van Aeltien Jansen) er niet sterker op. 10 jaar leeftijsverschil is wel veel, maar theoretisch is het wel mogelijk natuurlijk.

82. Egbert Lamberts Spijker, ged. Vriezenveen 17 febr. 1707, † ald. vr 30 maart 1776,23 tr. 1e omstr. 17379 Berendje Jansen, ged. Vriezenveen 9 juni 1710, † na 1741, dr. van Jan Claassen Wijchers en Jenneken Berends (Kruys) Berkhoff; tr. 2e omstr. 1742
83. Eefse Gerritsen Spijker, ged. Vriezenveen 2 aug. 1716, † ald. 25 febr. 1781.24

Notitie bij Egbert Lamberts: winkelier, kastelein en landbouwer te Vriezenveen (Marrinerf Oosteinde) de familienaam Spijker is aangetroffen bij de ondertrouwregistratie van zoon Berent te Amsterdam, per abuis wordt hij daar overigens Gijsbert genoemd. Ook in het hoofdgeldkohier van 1750 staat hij als "Spijker Egbert" te boek.
Bewoonde het erf aan het Oosteinde nummer 116/120 (huidige nummering). Hij staat voor het eerst in het vuurstedengeldregister van 1740, waar in 1739 zijn vader Lambert Waanders nog vermeld staat. Hij bewoonde dus het ouderlijke erf.

-In 1734 wordt Egbert Lamberts genoemd in het breukregister van de schout Claas Cruijs. Hij was betrokken bij een ruzie met een zekere Henrikes Henriksen (Klumper?), ook vader Lambert Waanders en broer Albert bemoeiden zich met de ruzie (Bron: AHA inv. nr. 3241)
-4 december 1752 staat Egbert Lamberts vermeld in het breukregister omdat Rugert Henrix [Klumper], ook wel Pakelet, zijn uithangbord met een sloothaak vernield had (Bron: AHA inv. nr. 3242)

Op 15-7-1739 kopen Egbert Lamberts en Jannes Herms Schoemaker 1 akker land van de erfgenmamen van de overleden Jan Egbers, met name: Jan Prinsen (gehuwd met Metjen Hendricks Schuurman), Gerrijt Barkhoff (gehuwd met Grietjen Henr. Schuurman), Jan Luijkas Coster (gehuwd met Harmpje Hendriks Schuurman), Jan Henr. Schuurman (gehuwd met Henrikjen Bramer)en Arent Henr. Schuurman (huwelijk onbekend). Het land is gelegen tussen het land van Jan Cruijs, aan de oostzijde en aan de westzijde het land van Henr. Roelofs Huijsman. Het kost 375 caroli guldens. Het land is bezwaard met een verpondinge van 10 stuijver en een schattinge van twee stuijver en boterpacht aan den Huijse Almelo. De acte wordt met naam ondertekend door "Jan Prinsen , garrijt barckhof en ijan luckas "als verkopers van het land. (NB namen van aangehuwden zijn door Erik Berkhof bijgevoegd aan de hand van eigen en informatie van de website Vriezenveners.nl)
Op 14-2-1771 koopt Egbert Lamberts voor 80 Car. Gulden 2 wand bouwland in het zogenaamde Huismansland van Maria van der Aa, weduwe van Gerrit de Ruiter, haar zoon Jan de Ruiter is haar momber (vertegenwoordiger bij de koop).
(bron acte uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).

In 1753 wordt Egbert inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen aangeslagen en moet 70 cent betalen en met 35 cent p.p. ligt de aanslag onder het Vriezenveense gemiddelde (dit lag op 39 cent p.p.).
In 1760 bedraagt het hoofdgeld 75 cent voor 3 personen, ook nu een lage aanslag 25 cent p.p. tegenover een dorpsgemiddelde van 39 cent.

Op zondag 19 februari 1747 heeft er een voorval plaats in het caf van Egbert Lamberts dat aanleiding wordt voor een gerechterlijk vooronderzoek (inv. nr. 2932 archief Huize Almelo). In aanwezigheid van Egbert Lamberts, Eesse Gerritsen en Lambert Waanders wordt ds. van Eijbergen bedreigd door een buurman van Egbert Lamberts genaamd Rutgert Hendriks (ook wel Klumper genaamd). Ook de gebroeders Hendrik en Jan Evertman worden op de korrel genomen door Rutgert, die hen en de predikant, uitschold voor schelmen (kennelijk een erg scheldwoord voor die tijd). Verder waren nog aanwezig Pieter Harwig en Albert Jonker. Ook de heer van Almelo schijnt onderwerp van de scheldpartij geweest te zijn. Hoewel in de stukken niet echt over een caf wordt gesproken, waarin het voorval plaats had, lijkt het toch vrijwel zeker dat dit voorval zich wel in het caf heeft afgespeeld gezien het grote aantal mensen dat aanwezig was. Het lijkt erop dat de ruzie als achtergrond een beroepingskwestie van de predikant had. De Heer van Almelo had daarbij ook een grote vinger in de pap en de Evertmannetjes komen juist in deze periode in de boeken als kerkmeesters voor, dus hadden vermoedelijk ook hun aandeel in het beroepen van een nieuwe predikant. Rutgert Hendriks ging zelfs zover dat hij de predikant van Eijbergen met een mes bedreigde. Het idee dat de ruzie om een beroepingskwestie lijkt te zijn gegaan wordt gestaafd door de feiten. De laatste predikant Johannes de Man was in 1746 overleden en de nieuwe predikant Gerhardus Brouwer werd pas op 14-5-1747 bevestigd. het gegeven dat men op zondag in de kroeg zat is minder vreemd dan lijkt. De zondagsrust, blijkt uit diverse akten, werd in de 18e eeuw niet zo nageleefd als in later tijd. Het was heel gewoon in de 18e eeuw om op zondag in de kroeg te zitten, zelfs de predikant en de kerkmeesters waren daarbij kennelijk aanwezig.
Notitie bij Eefse Gerritsen: winkelierse

Eesse Gerritsen , weduwe van wijlen Egbert Lamberts, verdeelt de goederen bij wijsse van een Lieffelijkke verdeijlinge en maeg Scheijdinge op 15-4-1776 als
boedelhoudster en wettige voogdesse van haar abcente kinderen die meerderjarig zijn, geassisteert met Claas Jansen (NB broer van de eerste echtgenote van Egbert Lamberts Spijker) als haaren verkoozen mombaer. Haar dochter Eva Egberts, welke in deesen geassisteert is met haeren broeder Mannus Egberts, als haeren mombaer, alle des boedels goederen, zowel mobile als immobile, 1 huijs staende aan deesen Nieuwen Kerkweg met den goorden daar agter gelegen, soo veenen dien omgraeven leijd in de Landerijen van het Sogenaemde Hospesland, een goorden gelegen in het sogenaemde Rutgersland.een dagwark Hooijland gelegen in het Sogenaemde Coert van Oldenland.,onverscheijden met Eesse Jansen, 2 koeweijden in het Sogenaemde Cort Gerritsland,en 1 goordentien in het selve land.een vierendeel akker woestenland in de weste woesten onverscheijden met Gerrijt Kenkhuijs, 2 wanden bouwland op het sogenaemde Coert van Oldenland, 2 wanden bouwland op het zogenaemde Huijsmansland. Verder krijgt de inboedel van het huis,beesten, kasten, potten en pannen, bedden en bulster(?),de winkelwaeren met den aankleven van dien.

Zoon Mannus Egberts en vrouw Jennigjen Jansen kopen op 14-7-1783 huis, inclusief meubelen en landerijen van Claas Jansen voor 450 caroli guldens.
(bron akte uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).


Eesse is waarschijnlijk diverse malen te Amsterdam geweest, zij is als Elsie Gersen samen met haar man (?) Egbert Spijker op 3-5-1772 getuige zijn bij de doop van kleinkind Egbertus (zoon van Berent) in de Amsterdamse Noorderkerk. Op 25-2-1781 is ze als Elsie Spijker samen met Egbert Spijker getuige bij de doop van kleinkind Egberdina Spijker (dochter van Lambert Spijker) in de Amsterdamse Eilandkerk. Wie deze Egbert is, en of deze identiek is aan de getuige uit 1772 blijft onduidelijk, haar echtgenoot is nl. al eerder volgens de boedelscheidingsakte uit 1776 overleden, ze heet dan nl. de weduwe van Egbert Lamberts.
Notitie bij de geboorte van Eefse Gerritsen: gedoopt als Eefse dv Gerrit Herms en Eefse Berends

84. Jan Bom, ged. Vriezenveen 4 april 1745, † ald. na 1795, tr.
85. Aaltje Gerrits ten Cate, ged. Vriezenveen 24 nov. 1743, † ald. 10 nov. 1818.

Notitie bij Jan: volkstelling 1795 slagter,
koopt in 1788, na de ene helft van het pand al te bewonen, ook de tweede helft van het pand van de familie Voskamp (oom van Jan Bom, gehuwd met Swenneken Bom), betreft erve Doornbosch, Westeinde 85, huidige nummering,
(Bron: Ken uw dorp etc. blz. 185). Daarmee bewoonde hij weer, evenals grootvader Jan Hermsen Bom, het gehele pand.
Is waarschijnlijk rond 1774 de hoofdbewoner van het pand geworden, in 1773 en de jaren daarvoor staat vader Jan Coerts Bom nog als hoofdbewoner vermeld in het kerspelbelastingregister van Vriezenveen; vanaf 1774 is het gewoon Jan Bom.

22 december 1798 geeft Gerrit Albers de 50e penning aan ivm de aankoop van en hoek bouwgrond, liggend in het zogenaamde Vossesland van Mannes Gerrits voor 46 gulden en nog een grasgaarden voor 34 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).

86. E(n)gbert Jansen Schuurman (Dokter), ged. Vriezenveen 6 mei 1711, † ald. na 30 jan. 1792, tr. 1e omstr. 1736 Hendrikjen Jansen Otten, ged. Vriezenveen 22 maart 1705, † ald. na 1748, dr. van Jan en Grietje Jansen Cluppels; tr. 2e Vriezenveen 24 nov. 1765
87. Jenneken Hendriks (Arends), ged. Vriezenveen 15 mei 1735, † ald. na 16 april 1798.

Notitie bij E(n)gbert Jansen: Woonde in de buurt van Westeinde 380. Met de volkstelling van 1795 bewoont schoonzoon Klaas Waanders (timmerman) gehuwd met Gerritdina Schuurman, dit erf.
Diaken 1759-1762
1e ca. 1736 x Hendrikjen Jansen Otten d.v. Jan Otten en Grietje
Jansen Cluppels (info Vriezenveners.nl).
Vanwege het feit dat hij met de naam Dokter wordt aangeduid in het verpondingsregister van 1750 is het waarschijnlijk dat Egbert het doktersberoep heeft uitgeoefend. Dat zal hij gedaan hebben naast zijn boerenbedrijf.

Op 23-02-1735 is hij getuige in Amsterdam bij de doop van oomzegger Jan Schuurman zv broer Dirk Schuurman en Geertruij Smit.

29-10-1744 verschenen Jenneken Brouwer wed. van wijlen Gerrit Otten geassisteerd met haar bruidegom Henrik ten Cate geeft een inventarislijst over aan de voogden van de kinderen van haar en wijlen haar man, te weten Otto Jansen, Egbert Schuurman en Kobus Derks (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 26 foto 256).

Volgens het boterpachtregister van ca. 1735 bezit hij 2 akkers land en een akker "woestenland"; wordt hiervoor belast met 12 pond boter door Huize Almelo. Heeft zn landerijen aan het Westeinde om en nabij Westeinde 380. Mogelijk was deze Egbert ook eigenaar van het land de Toeterije.
Heeft de landerijen van zn vader Jan Roelofs Schuurman overgenomen. Wordt nog in het dienstbodenregister over 1790 genoemd, wordt dan aangeslagen voor 10 stuivers. In het hoofdgeldkohier van 1753 ligt de aanslag op 0,85 voor 2 personen en dat is iets meer dan gemiddeld (0,39)
In het hoofdgeldregister van 1760 wordt hij voor 4 personen aangeslagen en moet hij 1,50 betalen. Dit is 0,375 p.p. en dat was het gemiddelde voor het Westeinde (nl. 0,37) het dorpsgemiddlede lag iets hoger nl. op 0,39.
In het hoofdgeldregister over 1779 wordt hij aangeslagen voor 3 personen, (4 gulden en 10 stuivers).
In het register van de 1.000e penning van 1734 en 1739 wordt het vermogen van Egbert geschat op 600 gulden.
In het register van de 1.000e penning van 1751 wordt het vermogen van Egbert geschat op een aanzienlijke 900 gulden, waarvan 100 gulden voor meewerkend personeel. In 1758 is dit geslonken tot 538 gulden.
Als we de gegevens van de boterpachtregisters, de volkstelling van 1795 en het dienstbodengeld van 1790 naast elkaar leggen dan blijkt dat het erf in handen is gekomen van schoonzoon Klaas Waanders, gehuwd met Gerritdina Schuurman.

Op 20-11-1779 wordt Egbert genoemd in een verkooptransactie als n van de verkopers. Dan koopt Eva Egberts van de erfgenamen van Hendrick Arentsen [1650-1724 Schuurman, toevoeging Schuurman door mij] een akker turfland op de Superplus "verscheijden met Albert Prinsen" voor 152 guldens. De erfgenamen zijn: Gerhardus Harwig namens Janna Berkhof, Jannes Braemer en huisvrouw, Henderikjen Berkhof, Hendrik Coster voor zich zelf en namens Henderik Berkhof, Berent Jansen Coster en huisvrouw, Janna Jansen en Derk Arents Smit en vrouw, Egbert Schuurman en vrouw (Jenneken Hendriks), Engbert Egberts en tenslotte Henrik Smelt en huisvrouw.
(copyright Erik Berkhof, Onweersberkhof.com) DE verwantschap tussen Egbert Jansen Schuurman en Hendrick Arentsen is gelegen in zijn moeders familie. De familie Scholten. DE zuster van Trientje Derks Scholten heette Jennigje Derks en was gehuwd met Arent hendricks. Hoe de verwantschap zit tussen Egbert Schuurman en Hendrick Arentsen Schuurman is een groot vraagteken. Weliswaar heet zijn schoonvader Hendrik Arentsen, en lijkt de link daar gezocht te moeten worden, maar het blijft onduidelijk hoe het nu exact zit.
Notitie bij het overlijden van E(n)gbert Jansen: wordt nog genoemd in het testament van zijn zoon Jan Otten Schuurman testament 30-1-1792 bij notaris Willem gerard van Es te Utrecht. Als zijn zoon op 16-4-1798 dit testament herroept met een nieuw testament bij notaris Jan Klemme te Utrecht blijkt dat Egbert Schuurman is overleden, er wordt dan gesproeken over de weduwe Egbert Schuurman. Overigens staat Egbert in het boterpachtregister van 1798 nog gewoon vermeld. In 1799 is dit Klaas Waanders geworden.
Notitie bij Jenneken: Rond deze Jenneken Hendriks is een waas van geheimzinnigheid.
Bij haar huwelijk wordt ze genoemd de dochter van Hendrik Arends, welke dan nog leeft, anders zou ze wel de nagelaten dochter zijn genoemd. Bij alle dopen van haar kinderen wordt haar naam om n of andere reden niet genoemd! De ruimte waar de naam van de moeder staat wordt gewoon opengelaten, dit is het geval bij de dopen van Hendrik (1766), Hendrik (1767), Hendrik (1768) , Gerritdina (1768), Gesina (1772) en Johanna (1775). Bij de doop van Gerritdina (1768) staat aanvankelijk N.N. (= nomen nescio: betekent naam niet bekend), later is dit verbeterd door toe te voegen Jennegien Arends,
Gezien het gegeven dat de naam van de moeder wordt verzwegen in de doopregisters betekent dat hier iets aan de hand was, iets wat de Vriezenveense dorpsgemeenschap niet accepteerde.
Ook bij het overlijden van dochter Gesina Schuurman in 1845 staat vermeld dat moeders naam onbekend is. Bij het overlijden van dochterJohanna in 1857 wordt de naam van de moeder (Jenneken Hendriks) wel vermeld.
Waarom deze geheimzinnigheid, is ze katholiek of onkerkelijk en daarom afwezig bij de doop? In dergelijke gevallen kwam het vaker voor dat de vader alleen bij de doop aanwezig was. Mogelijk was het een schande dat ze veel jonger was dan haar man. Dit is waarschijnlijk de meest plausibele verklaring. In elk geval was het huwelijk een moetje, mogelijk was ze de jonge huishoudster van de weduwnaar Egbert Schuurman. Het echtpaar huwde eind november 1765 en het eerste kind Hendrik werd al op 5 januari 1766 ten doop gehouden!
Vrijwel zeker is Jenneken de dochter van Hendrik Arends Hupsen en Grietje Schothorst, waar een dochter Jenne wordt genoemd boven de 10 jaar bij de volkstelling van 1748. In dat geval zou ze toch hervormd gedoopt zijn op 15-5-1735, dan is ze genaamd Jennigjen. De dopen van de andere broers en zusters van Jenneken (dochter van Hendrik Arents Hupsen), vijf in getal zijn ook normaal traceerbaar in het hervormde doopboek.

De suggestie die wijlen dr. Jonker in zijn genealogische verzamelde aantekeningen doet als zou Jenneken mogelijk de dochter zijn van Hendrik Arends gehuwd met Geertruijt Kruijs is definitief ontzenuwd door gegevens die blijken uit de afwikkeling van de nalatenschap van Jenneken Harwig na haar overlijden te Almelo op 28-12-1839. Zij was eerder weduwe van Hendrik Arentsen, welke laatste een zoon was van Hendrik Arends gehuwd met Geertruijt Kruijs. Als Jenneken Hendriks (gehuwd met Egbert Schuurman) een zuster geweest was van Hendrik Arends (gehuwd met Jenneken Harwig), dan hadden haar kinderen, die de naam Schuurman dragen in deze boedelscheiding met name als erfgenaam genoemd moeten zijn en dat is niet het geval. Talloze erfgenamen worden genoemd van dit kinderloze echtpaar, en daar zijn dus geen Schuurmannetjes bij. (bron notarieel archief Almelo, notaris van Riemsdijk inv. nr. 2738).
(copyright Erik Berkhof, Onweersberkhof.com)
Notitie bij het overlijden van Jenneken: wordt nog genoemd in het testament van haar stiefzoon Jan Otten Schuurman (testament 16-4-1798 bij notaris Jan Klemme te Utrecht.
Notitie bij het huwelijk van E(n)gbert Jansen en Jenneken: Jenneken Hendriks is bij haar huwelijk de dochter van Hendrik Arends, die dan dus nog moet leven.

88. Jan Otten Holland, ged. Vriezenveen 3 april 1763, † ald. 2 mei 1839, tr. Vriezenveen 9 april 1786
89. Aaltjen Alberts Scheper, ged. Vriezenveen 12 dec. 1762, † ald. 29 dec. 1829.

Notitie bij Jan Otten: In 1795 wordt hij als gezinshoofd van 5 personen genoemd en als beroep staat hij geregistreerd als daghuurder (landarbeider) In 1839 bij zijn overlijden wordt als zijn beroep landbouwer vermeld. Dit zal ook wel een juistere omschrijving zijn, want in 1801 bij de intekenlijst van bijdragen voor de verbouwing van de NH kerk staat bij hem een bijdrage vermeld van 10 gulden en ook staat erbij vermeld dat hij een knecht heeft, genaamd Fredericus Grobben, die 5 gulden bijdraagt. Bewoonde een woning aan het Oosteinde 215 (huidige nummering). Volgens het kadaster van 1832 bezat Jan Otten daar 2 woningen, n aan de noordzijde en n aan de zuidzijde van de straat.

18-6-1840 vindt de boedelscheiding plaats vande nalatenschap van Jan Otten Holland en Aaltjen Alberts Scheper. Erfgenamen zijn de kinderen: Jan Holland, landbouwer, Hanna Holland gehuwd met Jannes Meulenbeld, landbouwer, Sina Holland, Alberdina Holland, Fina Holland, Jenneken Holland en Johannes Holland. Het betreft een verdeling van tientallen percelen grond en het huis ter waarde van ruim 1600 gulden. Huis en erf gaan naar Jan Holland (bron: notarieel archieven Overijssel inv. nr. 36)

28-2-1791 Verklaren Jan Otten Holland en Aaltjen Albers schuldig te zijn aan "haar oom" , te weten Jan Roelofs en Aaltje Wolters Coster 100 gulden.(bron archief schoutambt Vriezenveen inv.nr. 2680).
(NB mogelijk betekent "haar oom" hun oom en dus niet per definitie de oom van Aaltje; er is nl wel een link te leggen via de Moeder van Jan Otten naar de familie Coster)

12-11-1794 kopen Jan Otten Holland en Aaltje Alberts 1 akker land met het halve huis voor 850 gulden van Albert Harms [en Hendrika Fayer]; bron: register van de 50e penning Statenarchief Overijssel inv. nr. 2668.
25-04-1796 koopt Jan Otten Holland van Mannes Costers en Jannes Jacobs 4 dagwerk turfland gelegen in de Oosterhoeve voor 165 gulden; bron: register van de 50e penning Statenarchief Overijssel inv. nr. 2668.

4-12-1800 koopt Jan Otten Holland twee koeweiden liggend in het land van Berent Bramer voor 154 guldens in het land beginnend aan deze kerkweg tot aan de Olde Graaven bron: register van de 50e penning Statenarchief Overijssel inv. nr. 5711.
Notitie bij het huwelijk van Jan Otten en Aaltjen Alberts: gezien de doop van het eerste kind in juni 1786 moet het huwelijk een "moetje" zijn geweest.

90. Engbert Berends Engberts (ook wel Baerends), ged. Vriezenveen 10 sept. 1758, † ald. 28 jan. 1829, tr. 2e Vriezenveen 14 sept. 1794 Hendrikjen Berends Pley, ged. Vriezenveen 14 dec. 1758, † ald. 9 dec. 1821, dr. van Berend Hendriks Pleij en Frerijkje (Fredrika) Broertjen; tr. 1e Vriezenveen 18 nov. 1781
91. Johanna Jansen, ged. Vriezenveen 17 dec. 1752, † omstr. 1793.25

Notitie bij Engbert Berends: kerkmeester (1804) archief armenzorg Museum Vriezenveen. 1791 en 1792 diaken.
1829 in de overlijdensakte staat vermeld "aan het Oosteinde 94 zelf", landbouwer en koopman, in 1795 bij de volkstelling staat als beroep boer vermeld. Mogelijk is hij evenals zoon Berend actief geweest in Sint Petersburg.
Behoorde tot de notabelen van het dorp, kon zich in elk geval in 1822 en 1825 een plaats veroorloven in n van de 11 huurbanken in de kerk, die door inschrijving jaarlijks werden verhuurd. Zo hadden de volgende personen in die jaren o.a. een eigen bank: Gerrit Engels, Egbert Smelt, Gerhardus Kruys, Berend de Vries, Derk de Lange.
Trouwt door zijn huwelijk met Janna Jansen in op het msgoed (Oosteinde 193 huidige nummering). Vanaf de naamsaanneming onder Napoleon noemt hij zich Engbert B. Engberts. Kinderen van Engbert zitten allemaal in de handel. In 1812 (bij de naamsaanneming) woont 1 zoon Jan in Emden en een andere Berend in Sint Petersburg.

In 1800 koopt Engbert Oosteinde 85 (huidige nummering) van de schoonzoon van Hermannus Smelt voor 2350 gulden (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 77) een boerenerf; ook de vader van Engbert moet ongeveer op dit stuk van Vriezenveen hebben gewoond, gezien de volkstellingsgegevens van 1748.

Uit de intekenlijst van de verbouwing van de hervormde kerk schrijft Engbert zich met een bijdrage van 15 gulden in. Ook blijkt uit dit register dat Engbert er een "meid" op na houdt, ze heet Gesina Alberts en draagt 1 gulden bij aan de verbouwing van de kerk.

Zoon Gerrit bewoont later het ouderlijke erf. De woning had in 1832 volgens het kadaster een gemiddelde huurwaarde van 15 gulden en dat was zon beetje gemiddeld voor Vriezenveen.

Dat deze familie toch wel veel geld gehad moet hebben blijkt uit kadastrale informatie en aantekeningen van de lokale historicus Herman Jansen die schrijft dat dochter Fina Engberts uit het tweede huwelijk met Hendrikje Pley het sjieke pand bewoonde (nu genummerd Westeinde 1 en 3) en dat ze ongehuwd en erg rijk was, later woonde haar neef Johannes Holland (1819-1864) die eerst koopman was in Rusland en later gemeenteontvanger te Vriezenveen, bij haar in. (Zie blz. 50 Ken uw dorp en heb het lief). Johannes Holland was een zoon van dochter Gerritdina Engberts, gehuwd met Jan Holland.

Fina Engberts (overleden in 1877) heeft dit pand volgens kadastrale informatie mogelijk bewoond met haar broer Berend Engberts koopman te Sint Petersburg (geboren 1784 en overleden in 1837), die in 1832 formeel eigenaar van de woning was die in belastingklasse 1 viel (dat wil zeggen met een gemiddelde huurwaarde van 90 gulden en daarmee de duurst ingeschaalde woning van het dorp). Berend was tot ca. 1820 actief in de firma Jansen, Joost & Co te Sint Petersburg (bron: D.G. Harmsen, Vriezenveners in Rusland). Later in 1876 is volgens het kadaster een zoon van broer Gerrit Engberts (overleden in 1867) eigenaar van deze woning.

Aangezien dus zowel dochter Fina als zoon Berend de woning bewoonden kan de vraag gesteld worden of ook Engbert Berends Engberts het pand misschien heeft bewoond, echter bij het overlijden in 1829 staat in het overlijdensregister vermeld dat hij woonde aan het Oosteinde 94, mogelijk is hij wel de eigenaar van de woning geweest. De familie Engberts had nauwe contacten met de familie Kruijs. Als Jan Kruijs in maart 1829 een feestje geeft zijn Berent Engberts en zijn zus (ik vermoed Fina) ook uitgenodigd. Echter vanwege het recente overlijden van hun vader (in januari 1829) wijzen ze de uitnodiging af. De familie zal toen nog in rouw zijn geweest (bron: dagboeken Jan Kruijs).
Notitie bij het huwelijk van Engbert Berends en Johanna: Engbert Berendz N.Z. van Berend Engbertz. en Johanna Janzen ND van Jan Janzen alhier beijde paar bevestigt den 18 Nov,

92. Jelke Pieters van Eyck, ged. Oosterwolde (Frl.) 16 maart 1764, † Roordahuizum (Frl.) (Idaarderadeel) 9 sept. 1842, tr. Marssum (Frl.) 6 juni 1790
93. Rigtje Pieters Spanjer, geb. Marssum (Frl.) 9 aug. 1768, † Roordahuizum (Frl.) 19 maart 1850.

Notitie bij Jelke Pieters: gezworen klerk van Baarderadeel te Jorwerd (1800, bron: Leeuwarder Courant 01-01-1800 en 22-08-1801); deurwaarder bij het Vredegericht(=kantongerecht te Rauwerd) in 1815 nog in functie tijdens het huwelijk van zoon Wieger.
tijdens het huwelijk van hun zoon Pieter Jelkes van Eyck (1825 ) wonen Jelke en vrouw te Jorwerd, Jelke is dan zonder beroep. In 1828 (tijdens huwelijk van dochter Attje) woont Jelke met zijn vrouw in Oosterwierum. Jelke wordt dan betiteld als oud-deurwaarder bij het Vredegeregt.
Jelke is waarschijnlijk met zn moeder van Oosterwolde, via Drachten in 1789 in Marssum beland.
In 1811 neemt de familie te Jorwerd officieel de naam van Eyck aan, het gezin staat als volgt geregistreerd:
Familienamen 1811
Eyck, Jelke van, Jorwerd 60
k. Pieter 22, Gerryt 20, Wijger 18, Jentje 16, Attje 14
Mairie Jorwerd, fol. 15v
In 1798 doen Jelke van Eyck en Rixtje Pytters in Jorwerd geloofsbelijdenis. Het gezin verhuist met de 2 jongste kinderen Attje en Jentje op 30-10-1826 met kerkelijke attestatie naar Oosterwierum. Hiervandaan vertrekken ze, -en dan zonder kinderen- op 20-11-1835 met kerkelijke attestatie naar Roordahuizum.
Volgens de huwelijksake van zoon Wieger zou deze geboren zijn in Stavoren. Dit betekent dat het gezin van Jelke rond die tijd in Stavoren moet hebben gewoond.

Jelke ondertekent de huwelijksakte van dochter Attje in 1822 met de naam "van Eijck".

1819 Jorwerd, notaris J. Steenbeek
Inv. nr. 067001 repertoire nr. 84 d.d. 26 mei 1819
Koopakte met kwitantie
Betreft de verkoop van een huizinge te Jorwerd, koopsom
fl. 1950
- Jelke van Eick te Jorwerd, gehuwd met Richtje Pieters
Spanjer als verkoper
- Antje Doekles Sjonstra te Jorwerd, weduwe van Tjomme
Yntes Kingma als koper
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)

1815 * Leeuwarden, notaris J. D. Hanekamp van Harinxma
Inv. nr. 079009 repertoire nr. 72 d.d. 18 maart 1815
Extract, akte niet aanwezig
- Jelger van Eyck te Jorwerd
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)

1817 Heeg, notaris W. Steenbeek
Inv. nr. 054006 repertoire nr. 119 d.d. 9 september 1817
Obligatie
Betreft een kapitaal van fl. 700
- Jelke van Eyck, deurwaarder te Jorwerd als schuldenaar
- Sipke Annes Feykes, boer te Jorwerd als schuldeiser
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)

1818 * Leeuwarden, notaris J. D. Hanekamp van Harinxma
Inv. nr. 079010 repertoire nr. 29 d.d. 2 maart 1818
Obligatie
- Jelte van Eyck, deurwaarde te Jorwerd; kapitaal fl. 300
- Atje Gerrits te Marssum, weduwe van Pieter Dirks als
borg; kapitaal fl. 300
- Pieter Dirks, in leven gehuwd met Atje Gerrits;
borgstelling door zijn weduwe
- Daniel van Engelen, secretaris te Sneek; kapitaal fl. 300
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)
Notitie bij de geboorte van Jelke Pieters: in de memoires van successie van Jelke staat dat deze geboren was op 9-4-1766 te Oosterwolde. Als dit klopt zou de doop van 16-03-1764 een oudere broer betreffen.
Notitie bij het overlijden van Jelke Pieters: Bij het overlijden van Jelke verscheen in de Leeuwarder Courant de volgende annonce:

Heden overleed na een langdurig lijden, tot diepe droefheid van mij en mijne Kinderen , mijn geliefde Echtgenoot JELKE van EIJCK. In den ouderdom van 76 jaren en 6 maanden, na eene Echtverbindtenis van ruim 52 jaren.
Men gelieve deze als bijzondere kennisgeving aan te nemen.
Roordahuizum, R.P. SPANJER,
Den 9 september 1842 wed. J. van Eijck.

Memories van Successie

Kantoor Sneek, overl. jaar 1842

Overledene : Jelke Peters van Eyck
Overleden op: 9 september 1842
Wonende te : Roordahuizum
Tekst:
76 jaar (geboren 9/4/1766 te Oosterwolde); man van Rigtje Pieters Spanjer; 3
kinderen. (van Idaarderadeel gerenvooieerd naar kantoor Leeuwarden)

Er behoorde geen onroerend goed tot de nalatenschap

Bron:
Memories van successie 1818-1928
Toegangsnr. : 42
Inventarisnr. : 14057
Dagregisternr.: Ongenummerd, september

Op microfilm nr. 282 raadpleegbaar op de studiezaal van Tresoar
(bron: Tresoar.nl).
Notitie bij Rigtje Pieters: 1846 Leeuwarden, notaris J. Albarda Hzn
Inv. nr. 078048 repertoire nr. 116 d.d. 30 april 1846
Testament
- Richtje Pieters Spanjer te Roordahuizum, weduwe van Jelke
Pieters van Eyck

(Notarieel Archief Friesland: www.Tresoar.nl)
Notitie bij het overlijden van Rigtje Pieters: Bij het overlijden van Jelke verscheen in de Leeuwarder Courant de volgende annonce:

Heden morgen omstreeks half vijf ure, overleed, tot onze bittere droefheid, onze geliefde moeder en grootmoeder RIGTJE PIETERS SPANJER, Wed. van J. van Eijck, in den gezegenden ouderdom van 81 jaren en 7 maanden.
Roordahuizum, J.J. van EIJCK.
Den 19 maart 1850 uit aller naam.

Memories van Successie

Kantoor Leeuwarden, overl. jaar 1850

Overledene : Richtje Pieters Spanjer
Overleden op: 19 maart 1850
Wonende te : Roordahuizum
Tekst:
weduwe van Jelke Pieters van Eyck; moeder van Pieter, gepensioneerd
hoofdcommies rijksbelastingen te Vriezenveen, Atje (weduwe van Folkert Joukes
Kuperus; vrouw van Rinze Meinderts Kreger, wagenmaker Lutkewierum), wijlen
Wieger, in leven griffier kantongerecht Lemmer (vader van Richtje Wiegers van
Eyck, vrouw van Roelof Hesselius Brandenburg, idem aldaar), wijlen Gerrit (man
van Rinske Johannes v.der Meer, te Oostermeer; vader van minderjarige Jelke
Gerrits van Eyck) en reeds 10/4/1850 kinderloos overleden Jentje Jelkes van
Eyck, gerechtsdeurwaarder Leeuwarden en gerecht Rauwerd wonend te Roordahuizum
(erft beschikbare deel boven zijn wettelijk deel) (5 staken ab intestato elk
tot 1/5 gerechtigd); legaat voor kleindochter Folkertje Folkerts Kuperus (fl.
600,-).

Er behoorde onroerend goed tot de nalatenschap

Bron:
Memories van successie 1818-1927
Toegangsnr. : 42
Inventarisnr. : 11072
Dagregisternr.: 496
Register IV : 2035
Op microfilm nr. 194 raadpleegbaar op de studiezaal van Tresoar

94. Gerrit Hospers, ged. Vriezenveen 19 febr. 1766, † ald. 2 nov. 1809, tr. Vriezenveen 18 mei 1794
95. Janna Eshuis, ged. Wierden 14 nov. 1773, † Vriezenveen 7 juni 1841, tr. 2e Vriezenveen 1812 Klaas Jansen Tutertjen, ged. Vriezenveen 8 juli 1753, † ald. 10 nov. 1817, zn. van Jan Harmsen en Aaltje Klaasen Bramer en wedr. van Hendrikjen Jansen Onweer.

Notitie bij Gerrit: landbouwer, Volkstelling 1795 daghuurder. Woonde op het Hssieserf, huidige nummering Oosteinde 214; (Bron: Ken uw dorp etc. blz. 118).

Met de verbouwing van de hervormde kerk in 1801 droeg Gerrit 1 gulden bij. Zijn broer Hendrik (ook wel Hindrik), die kennelijk inwonend is draagt ook 1 gulden bij. Gezien deze relatief kleine bijdragen zal het vermoedelijk geen gezin zijn geweest dat in welstand leefde.
Notitie bij Janna: In het kadastraal register van 1832 staat Janna Eshuis, als de wed. Klaas Tutertjen vermeld, als eigenares van 2 woningen aan het het Oosteinde, het betrof woningen met een gemiddelde huurwaarde van 12 respectievelijk 15 gulden.

96. Gerrit Derks Schipper, ged. Vriezenveen 26 dec. 1746, † ald. 17 sept. 1822, tr. Vriezenveen 23 maart 1776
97. Hendrikje Alberts Sandboer, ged. Vriezenveen 17 febr. 1743, † ald. 3 febr. 1821.

Notitie bij Gerrit Derks: landbouwer, bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering. (Zie blz. 95 Ken uw dorp en heb het lief). Verkreeg het erf door zijn huwelijk met Hendrikje Zandboer. In 1776 wordt er een akte van overdracht getekend door Albert Sandboer voor 2 akkers en de woning aan Gerrit Schipper. Bij de volkstelling van 1795 bestond het gezin uit 4 personen, waaronder de zuster van Hendrikje Sandboer genaamd Geertien, zij doet de aangifte bij de volkstelling van de gezinssamenstelling. Het andere gesinslid zal, naast de ouders Gerrit Schipper en Hendrikje Sandboer, de zoon Derk Schipper zijn geweest.
Op de intekenlijst uit 1801 van bijdragen voor de verbouwing van de "gereformeerde kerk" (=NH-kerk) te Vriezenveen staat Gerrit genoemd met een bijdrage van 25 gulden en "Geertjen Zandboer" gaf 5 gulden, hele bedragen voor die tijd (archief NHkerk Vriezenveen).

06-11-1773 schuldverklaring van Henricus Berentsen en Jenneken Willems Schipper voor de som van 200 gulden 3 % rente aan Gerrit Derks Schipper (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).

In 1776 regelt schoonvader Albert Santboer de overdracht van huis en twee akkers land aan schoonzoon Gerrit Schipper met het beding dat de andere kinderen, zolang zij ongetrouwd zijn een slaapplaats op het ouderlijk erf blijven houden en ook moet Gerrit hen 700 gulden uit de boedel betalen.

Gerrit en zijn vrouw Hendrikje lenen op 16-5-1790 aan Hendrik Letteboer en Hendrikjen Bramer 70 gulden 3% rente.
Op 11-8-1800 verstrekt het echtpaar een lening van 1.000 gulden aan Zwier Lammers en Aaltje Steevens tegen 4% rente (bron: familiearchief Schipper).
Notitie bij de geboorte van Gerrit Derks: gedoopt als Garrit

98. Derk Jaspers Faijer (dezelfde als 72), tr. Vriezenveen 16 sept. 1787
99. Aaltje Jansen Faijer (dezelfde als 73).

100. Berend Berendsen Roelofsen, ged. Vriezenveen 11 mei 1755, † ald. 20 jan. 1837, tr. Vriezenveen 14 juni 1777
101. Jenneken Wolters Schipper, ged. Vriezenveen 8 sept. 1754, † ald. 5 dec. 1832.

Notitie bij Berend Berendsen: landbouwer. Woonachtig aan het Oosteinde 161 (huidige nummering). Bron: blz. 93 Ken uw dorp en heb het lief. Het erf staat ook bekend onder de bijnaam "de Roulfs".

Op 5 november 1772 maakt Jenneken Egberts, weduwe van Berent Alberts Roelofs, stiefmoeder van Berend Berendsen Roelofsen haar testament. Tot universeel en enig erfgenaam benoemt ze haar stiefzoon Berent Berents Roelofs, zoon van wijlen Berent Alberts Roelofs. Helaas voor Berend wordt dit in 1779 weer ongedaan gemaakt en wordt de broer van zijn stiefmoeder Gerrit Engberts [Entjen] universeel erfgenaam (bron: archief Huize Almelo, inv. nr. 2677 en 2678).

Bij de volkstelling van 1795 heet hij Berend Albers, zijn beroep is boer en de gezinsgroote is 6 personen. In 1801, bij de intekenlijst voor de verbouwing van de plaatselijke kerk heet hij Berent Berents en draagt hij 15 gulden bij, een substantieel bedrag voor die tijd (archief NH-kerk Vriezenveen). In het register van hoofdgeld van 1779 wordt Berend weer bij de achternaam Albers genoemd. In 1812 (naamsaanneming Napoleon) besluit Berend Albers zich voortaan Roelofsen te noemen.
De volgende kinderen worden in de akte van naamsaanneming genoemd:
Kinderen: Berend Albert (33), Jan (29), Roelof (24) en Wicher (19), allen wonend te Vriezenveen.

Kleinkinderen: Gerrit (2, zv. Berend Albert), Johanna (5, dv. Berend Albert) en Berendina (, dv. Berend Albert), allen wonende te Vriezenveen.
(Bron: Andr Idzinga; Vriezenveners.nl)
Notitie bij de geboorte van Berend Berendsen: gedoopt als Berend zv Berend Albert Roelofz en Trijntje Berends Holland
Notitie bij Jenneken Wolters: vroedvrouw

102. Garrit Bramer, ged. Vriezenveen 17 nov. 1726, † ald. 25 okt. 1811, tr. 1e Vriezenveen 26 okt. 1754 Aeltjen Evertman, ged. Vriezenveen 24 okt. 1728, † ald. vr 1761, dr. van Hendrik Hendriksen en Aeltjen Geerts; tr. 2e Vriezenveen 17 jan. 1761 Jennegjen ten Cate, ged. Vriezenveen 9 mei 1734, † ald. vr 1780; tr. 3e Vriezenveen 2 dec. 1780
103. Hendrikje Jonker, ged. Vriezenveen 5 maart 1747, † ald. 16 dec. 1819.

Notitie bij Garrit: landbouwer, en mogelijk in 1785 verwalter-schultus (loco-burgemeester) (kan trouwens ook een andere Gerrit Bramer zijn geweest, maar aangezien Gerrit in de plaats trad van Frerik Bramer als verwalter scholtus vanwege diens overlijden, lijkt het voor de hand te liggen dat Gerrit zijn broer hem opvolgde (akte van aanstelling op 27-1-1773). Gerrit moet in de buurt van Oosteinde 193 (ms) (huidige nummering) hebben gewoond. Heeft het ouderlijk erf overgenomen. Wordt bij de volkstelling van 1795 genoemd als naaste buur van Engbert Beerens (ms) is van beroep boer en het gezin omvat dan 7 personen.
In 1760 met het hoofdgeld wordt het gezin aangeslagen voor 4 personen en moet 1,90 betalen, dat is zon 0,47 per persoon. Dit ligt aardig boven het gemiddelde voor Vriezenveen van 0,39 p.p. in dat jaar.
Beschikt volgens het boterpachtkohier van 1763 maar liefst 7 akkers land. In 1801 draagt Gerrit 15 gulden bij voor de verbouwing van de plaatselijke kerk (Archief: NH kerk Vriezenveen).
Gerrit Bramer had net als zijn vader een groot vermogen dat in het kohier van de 1.000e penning uit 1734 geschat wordt op 2475 gulden. Daarmee behoorde hij tot de allerrijksten van het dorp. Gerrit zelf komt in het register van de 1.000e penning van 1758 voor met een geschat vermogen van 2384 guldens.

het echtpaar Bramer-Evertman maakt op 3 maart 1755 een testament. Gerrit legateert aan zijn vader Hendrik zijn legitieme portie. Ditzelfde doet Aaltjen voor haar vader Hendrik Evertman. Kleding komt de naaste vrienden en verwanten toe. De armen komt 50 gulden toe, door de langstlevende uit te keren nahet overlijden van de eerste. Verder is het een langslevende testament (archief: schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij de geboorte van Garrit: gedoopt als Gerrith zv Hendrijk Freriksen Braemhaer en Hendrijkjen Hendrijksen. Heet later doorgaans Garrit of Garret.
Notitie bij het overlijden van Garrit: zoon Hendrik Jan, in 1811 28 jaar en landbouwer en buurman Engbert Berends, landbouwer en 54 jaar doen aangifte van het overlijden van Gerrit.
Notitie bij het overlijden van Hendrikje: overleden Oosteinde 93 (toenmalige nummering)

104. Jan Jansen op Nijen Twilhaar, geb. Hellendoorn omstr. 1743, † ald. 26 nov. 1815, tr. 1e Hellendoorn 9 juli 1763 Janna Freriks van Twilhaar, geb. Hellendoorn (?) omstr. 1740, † Hellendoorn vr 1781; tr. 2e Hellendoorn 21 mei 178126 Gerritdina Willemsen Slaats, geb. Wierden omstr. 1750, † Hellendoorn vr 1789; tr. 3e Hellendoorn 22 maart 1789
105. Hendrikjen (Hendrika) Derksen Poelakker, ged. Hellendoorn 21 maart 1760, † ald. 24 febr. 1801.

Notitie bij Jan Jansen: Jan verwierf in 1762 het zogenaamde Kleine Twilhaar, dat later kennelijk Nijen Twilhaar heet. In 1762 is er bij de schout van Hellendoorn door de toenmalige eigenaren van dit boerenerf een "Contract van Alimentatie" opgemaakt. Het waren Jan Egberts van den Kleijnen Twilhaar en zijn echtgenoot Marie Jansen. Jan Egberts was eerder gehuwd geweest met Janna Jansen Twilhaar en zijn huwelijken hadden slechts n zoon opgeleverd (Gerrit Jan gedoopt 17-11-1748), die kennelijk jong is overleden.
Het kontrakt werd aangegaan met Jan Jansen van den Grooten Twilhaar die geassisteerd wordt door zijn vader Jan Gerrits en moeder Jenneken Harmsen. Hier moet toch wel haast een familirelatie tussen beide families liggen, maar hoe dit precies zit heb ik nog niet kunnen ontdekken.
Jan Jansen van den Groote Twilhaar (later Nijen Twilhaar genoemd) neemt de plicht op zich Jan Egberts en Marie Jansen te onderhouden tot hun dood en daarna verplicht hij zich hen "eerlijk te doen begraven". Hij neemt ook alle verplichtingen en schulden van het echtpaar over. Dit levert hem het boerenerf op en de gehele inboedel. De oude lui verkrijgen nog het recht voor eigen onderhoud 4 schapen, 2 ooien en 2 geiten te houden. Vermeld wordt dat Jan niet kan schrijven en ook geen zegel gebruikt. (Bron: Gerechterlijk Archief Hellendoorn).

In het Gerechterlijk archief is een akte te vinden gedateerd 21-3-1789 waarbij een aantal zaken werden geregeld voor de twee onmondige kinderen uit het eerdere huwelijken van Jan met Gerdiene Slaat, het zijn de kinderen Janna en Hendrike. In de akte staat dat verschenen is Jan Jansen Nijen Twilhaar, laatst weduwnaar van wijlen Gerritdina Slaat, nu gehuwd met Hendrikje Derks vant Bolhoeve! (RA Hellendoorn inv. nr. 18).
Bij zijn overlijden staat vermeld dat hij arbeider is.

Jan is overleden oud 72 jaar arbeider van beroep volgens de overlijdensakte. Genoemd tijdens de volkstelling van 1748 als kind onder de 10 jaar. Zijn doop is niet traceerbaar. Jan verwekt een groot aantal kinderen en huwt diverse malen.
Na het overlijden van zijn 3e vrouw verwekt hij nog een onecht kind bij ene Dine Gerrits arbeidster. De dochter die hier uit voortvloeit heet Hendrika Nijen Twilhaar en wordt op 1-8-1803 in Hellendoorn ten doop gehouden. Het was in successie het 15e kind van Jan Jansen Nijen Twilhaar!
ok volgens de huwelijksregistratie van zoon Gerrit in 1818 te Hellendoorn blijkt dat Jan Jansen Nijen Twilhaar arbeider is, mogelijk had hij er een keuterbedrijfje bij.
Het Twilhaar is overigens naast een erfnaam ook een boeren streeknaam. De streek ligt zuidelijk van Hellendoorn, westelijk van waar nu Nijverdal is gelegen. In het hoofdgeldkohier uit 1723 (bron: Statenarchief Overijssel) staat de Twilhaar onder de buurtschap Noetsele opgenomen. Dit stemt overeen met de overlijdensinformatie van Jan waar ook vermeld staat dat Jan te Noetsele woont.

In de huwelijksakte van dochter Hendrika uit 1827 staat dat haar vader ook wel Jan Jansen wordt genoemd
Notitie bij de geboorte van Jan Jansen: geboortejaar ontleend aan leeftijd in overlijdensakte
Notitie bij het overlijden van Jan Jansen: in de overlijdensakte staat vermeld dat Jan Jansen Nijen Twilhaar te Noetsele woont en 72 jaar oud is geworden, verder wordt er geen info gegeven.
Notitie bij Hendrikjen (Hendrika) Derksen: Hendrika werd ook wel Bolhoeve genoemd. de naam Bolhoeve kan afgeleid worden uit een akte gedateerd 21-3-1789 waarbij een aantal zaken werden geregeld voor de twee onmondige kinderen uit het eerdere huwelijken van Jan met Gerdiene Slaat, het zijn de kinderen Janna en Hendrike. In de akte staat dat verschenen is Jan Jansen Nijen Twilhaar, laatst weduwnaar van wijlen Gerritdina Slaat, nu gehuwd met Hendrikje Derks vant Bolhoeve! (RA Hellendoorn inv. nr. 18).
Notitie bij het overlijden van Hendrikjen (Hendrika) Derksen: (bron: huwelijkse bijlagen zoon Gerrit huwelijk 1818).
Notitie bij het huwelijk van Jan Jansen en Hendrikjen (Hendrika) Derksen: bij het huwelijk staat vermeld dat Hendrikje woont op den Poelakker in Hellendoorn of ze hier meid was of zelf van dit boerenerf afkomstig was is onduidelijk.

106. Hendricus Timmerman, geb. Eelen (Hellendoorn), ged. Hellendoorn 16 jan. 1752, † ald. 13 nov. 1827, tr. Hellendoorn 5 juni 1796
107. Maria Schuttevaars, ged. Hellendoorn 7 juni 1767, † Hellendoorn (Eelen) 11 maart 1846.

Notitie bij Hendricus: landbouwer, evenals zijn vader ook wel Uylenspiegel genoemd naar het boerenerf van die naam waar het echtpaar op woonde. Wordt al in 1797 (bij doop van Hendrika) met de naam Timmerman aangeduid.
Bij zijn overlijden evenwel aangeduid als arbeider.
Notitie bij het overlijden van Hendricus: in de overlijdensakte staat vermeld, arbeider 75 jaar, zoon van wijlen Hendrik Timmerman en Aaltje Hendriks.
Notitie bij Maria: Maria was tijdens haar huwelijk woonachtig te Zwolle.
Notitie bij het overlijden van Maria: bij de overlijdensakte staat vermeld, 79 jaar, zonder beroep weduwe van Hendrikus Hendriksen, dochter van Barend Schuttevaar en Janna Essen, wonend in het buurtschap Eelen, wijk D nummer 51.

108. Gerrit Berendsen Smelt de boer, ged. Vriezenveen 10 juni 1742, † ald. 29 nov. 1809, tr. Vriezenveen 19 okt. 1765
109. Jenneken Jansen Aman, ged. Vriezenveen 5 juni 1740, †?.

Notitie bij Gerrit Berendsen: turfschipper bewoonde Oosteinde 226 (zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 122).
handelde in turf incompagnonschap met zijn schoonvader AaJan en Jan Wesselman uit Geesteren, laatstgenoemde daagt Gerrit Bererndsen Smelt op 20 juni 1772 voor het schoutengerecht om op hem te verhalen een bedrag van 26 gulden vanwege in compagnonschap verhandelde en afgeleverde turf (bron: archief Sch. ambt Vrveen inv. nr. 29).

20 juni 1772 Jan Wesselman te Geesteren daagt Gerrit Berentsen Smelt voor het gericht om schadeloos gesteld te worden voor de som van 26 gulden voor in het jaar 1768 afgeleverde turf aan Gerrit Berendsen Smelt en diens schoonvader AaJan die een compagnonschap in turfhandel hadden (bron: archief Sch. ambt Vrveen inv. nr. 29 foto 118).

8-5-1773 Gerrit Braeger van Geesteren daagt Gerrit Berends Smelt alias d’Boer voor het schoutengericht vanwege een schuld van 15 gulden en 10 stuivers vanwege aan hem en wijlen zijn schoonvader Jan Aman geleverde turf. Gerrit Smelt ontkent turf van Braijer te hebben gekocht en heeft deze ook niet geleverd gekregen. Gerrit Smelt wordt toch verplicht de schuld te betalen, de turf was aan zijn schoonvader geleverd en hij zou deze betalen. (bron: archief Sch. ambt Vrveen inv. nr. 29 foto 137).


Gerrit Smelt en Wicher Berkhof leidden een opstand van Vriezenveense turfschippers in 1798 (tijd van de Franse revolutie) tegen de tollen die ze op verschillende doorvaarten moesten betalen (Bavesbeek?) aan de heer van Weleveld. Gerrit Smelt en zijn knecht en de zoon van Hoff Berend vernielden de tolslagboom. Gerrit Smelt de Boer wordt veroordeeld tot het betalen van 100 zilveren ducatons "ten profijte van het Bataafse Volk, plus de kosten van het proces" (zie Herman Jansen in Ken uw dorp en heb het lief, blz.168).

Is in 1766 (2 weken of ruim 2 weken voor 31 juli 1766) verdachte in en proces dat ging over de breedte van schuiten die moeilijk onder de brug (bij het Meulenbelt) zouden kunnen varen waarbij met bijlen stukken van de palen van de brug zouden zijn afgehakt om de doorvaart mogelijk te maken. Gerrit eigenaar van een te brede schuit, zou zich met vandalisme hebben ingelaten door afkapping van de brugpeilers. De boten (een 11-tal) waren naar de "woeste veenen" gegaan om hooi en gemaaid gras op te halen. (HAA inv. nr. 3045).
Notitie bij de geboorte van Gerrit Berendsen: gedoopt Gerrith zv Berend Jansen Smelt en Jennegjen Hendrijks
Notitie bij het overlijden van Gerrit Berendsen: op de 29e van de slachtmaand 1809 wordt door zoon Jan Gerritsen Smelt aangegeven het overlijden van zijn vader Gerrit Berendsen Smelt.

110. Jannes Tromp, ged. Vriezenveen 13 sept. 1744, † ald. 2 dec. 1809, tr. 1e Vriezenveen 7 dec. 1765 Swennigjen Harmsen Tromp, geb. _ omstr. 1745, † Vriezenveen vr 5 april 1777, dr. van Harmen; tr. 2e Vriezenveen 20 april 1777
111. Janna Frielink, ged. Vriezenveen 26 sept. 1745, † ald. 30 dec. 1823.

Notitie bij Jannes: ook Johannes genoemd (Bij zijn 2e huwelijk in 1777). wever van beroep. Bij zijn eerste huwelijk staat vermeld, onlangs gewoond hebbende te Meppel.
oudste kind van het gezin Egbert Jansen Tromp. Bewoonde een woning in de buurt van de pastorie, vermoedelijk hetzelfde huis dat vader Egbert tijdens de volkstelling van 1748 bewoonde, toen naast de predikant op de overzichtslijst genoemd. Met de volkstelling van 1795 wordt zoon Jannes ook in deze buurt genoemd als gezinshoofd van 6 personen en met als beroep wever.

Op 14 januari 1786 worden Johannes Tromp en Janna Vrielink voor het schoutengericht gedaagd vanwege uitstaande schulden, vanwege in 1783 gekochte manufacturen bij de firma van Meister & Compagnie te Zutphen voor een som van 171 guldens en 15 stuivers (bron: Schoutenarchief Vriezenveen inv. nr. 31). Op 12 juni 1786 wordt tot publieke verkoop van huisraad overgegaan.
-1 een blauwe koe, gekocht door Albert Prinsen voor 16 gld
-2 een zwarte koe, gekocht door Albert Prinsen voor 16 gld
-3 een koekribbe, gekocht door Richter Berends voor 2 gld
-4 een kast aan de westzijde, gekocht door Albert Prinsen voor 2 gld 11 st.
-5 een stapelkist, staande achter de kast aan de westzijde, gekocht door Albert Prinsen voor 3 gld 11 st.
-6 4 tinnen borden, gekocht door Albert Prinsen voor 1 gld 16 st.
-7 een boterkarn, gekocht door Albert Prinsen voor 5 st.
-8 4 vaten, gekocht door Albert Prinsen voor 10 st.
-9 een emmer, gekocht door Albert Prinsen voor 4 st.
10- 2 ijzeren potten, gekocht door Richter Berends voor 1 gld.
11- een koffieketel, een haak en een tang, gekocht door Albert Prinsen voor 1 gld. 11 st.
12- een spiegel, gekocht door Albert Prinsen voor 1 gld. 1 st.
13- 11 bonte en een witte schotel, gekocht door Albert Prinsen voor 1 gld. 11 st.
14- 8 bonte borden, gekocht door Albert Prinsen voor 8 st.
15- 2 koperen schalen met een balans, gekocht door Albert Prinsen voor 3 st.
16- een koperen ketel, gekocht door Albert Prinsen voor 2 gld. 1 st.
17- een hangijzer en een bakpan, gekocht door Albert Prinsen voor 2 st.
18- een baktrog, gekocht door Albert Prinsen voor 16 st.
19- een ......, gekocht door Albert Prinsen voor 6 st.
20- 21 tinnen lepels, gekocht door Albert Prinsen voor 1 gld.
21- een masterpad peperdoos en ...., gekocht door Albert Prinsen voor 11 st.
22- 8 stoelen, gekocht door Albert Prinsen voor 12 st.
23- een bed met toebehoren, zoals door hem en zijn vrouw beslapen, gekocht door Albert Prinsen voor 1 gld. 13 st.
24- een weefgetouw, gekocht door Albert Prinsen voor 1 gld.
25- een paar gordijnen voor een bedstee, gekocht door Albert Prinsen voor 5 st.
26- een wane, twee turfkorven, twee witte en vier andere eerden kappen, gekocht door Albert Prinsen voor 4 st.
27- 3 kleine tinnen kommen, koper Richter Berends voor 1 gld.
Totaalsom: 58 gld en 3 st.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 31).

12 december 1786 eisen de schuldeisers Meister & Compagnie te Zutphen de verkoop van het huis waarin Jannes Tromp woont, om de oevrige schulden nog betaald te krijgen. De vader Egbert Tromp die de eigenaar van de woning is -die volgens verklaring ook al door zijn vader werd bewoond- protesteert en ook de kerkmeester Wicher Jansen komt opdraven voor het schoutengericht en verklaart dat de familie reeds geruime tijd door de diaconie wordt onderhouden en de woning eigenlijk zou moeten toebehoren aan de diaconie.
Verkocht wordt enkel:
een perceel grasland in het Olde Scholsland, 1 wand groot voor 15 guldens en 15 stuivers. koper is geworden dr. Ant. Berends.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 31).

Jannes Tromp en zijn vader Egbert Tromp hebben een armoedig bestaan gekend. Beiden werden door de diaconie onderhouden. Het gevolg is dat ze hun woning op 12-12-1786 aan de diaconie moeten afstaan, dit ingevolge een Besluit van Ridderschap en Steden (Bron Gemeentearchief Vriezenveen, zwarte boekjes deel XXV, blz.30). De woningen rond de pastorie behoren volgens de kadastrale informatie van 1832 inderdaad de Hervormde kerk toe (dus niet alleen de voormalige woning van de Tromps).

register 50e penning (Statenarchief Overijssel inv. nr. 2668):
-08-12-1794 verkoop van een halve akker woestenland door Jannes Tromp voor 22 gulden aan Albert Harms.

register 50e penning (Statenarchief Overijssel inv. nr. 5711):
-31-12-1803 aankoop van een halve akker bovenwegsland van de wed. Schol voor 48 gulden.
Notitie bij Janna: Ook Vrielink e.a. variaties. bij haar huwelijk staat nagelaten dochter van Jan Frielink alhier. bij haar huwelijk heet ze Johanna, bij haar doop Janna.
Zij heeft voor haar huwelijk gewerkt in de huishouding van Albert Costers. Dit blijkt uit een document uit het archief van Huize Almelo (inv. nr. 3066), waarin ze als getuige optreedt. Ook blijkt uit dat stuk, opgemaakt in januari 1778 dat ze dan omtrent 33 jaar oud is.
Notitie bij de geboorte van Janna: doopregistratie luidt aldus: Janna dv Jan Vrielink en Mientjen Hendrijksen
Notitie bij het overlijden van Janna: In de overlijdensakte staat vermeld. zonder beroep, oud 79 jaar, weduwe van Jannes Tromp, wever van beroep, dochter van wijlen Jan Vylink en Mina Hendriks. Overleden aan het Westeinde 217 (toenmalige nummering).
Notitie bij het huwelijk van Jannes en Janna: de huwelijksregistratie luidt als volgt: "Johannes Egbertz. Weduwenaar van Swaantjen Harmzen en Johanna Freilink ND van Jan Frrielink beyde alhier"

112. Willem Bramer, geb. Vriezenveen 15 sept. 1771, † ald. 30 jan. 1834, tr. Vriezenveen 23 nov. 1794
113. Frederika Alberts, ged. Vriezenveen 9 dec. 1770, † ald. 18 aug. 1837.

Notitie bij Willem: wever (volkstelling 1795) en landbouwer oa bij overlijden (1834). Bewoonde later het Gjttenspil, de boerderij, gelegen aan het Westeinde 144 huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 188). Bewoonde deze boederij zelf. Deze had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 15 gulden (zie mijn scriptie). Viel daarmee in belastingklasse 6.
verklaart bij de geboorte van zoon Johannes in 1812 het schrijven niet machtig te zijn. Ook bij het huwelijk van dcohter hendrijka te Almelo in 1820 verklaren de vader en de moeder van de bruid niet te kunnen schrijven.
Aanvankelijk had Willem, die volgens de volkstelling van 1795 wever was, een stukje oostelijker op het Westeinde gewoond. In 1808 in het kohier van de personele quotisatie staat hij vermeld op de locatie, waar zijn vader bij de volkstelling van 1795 nog vermeld stond. Het lijkt er op dat zijn vader toen overleden was en hij het vaderlijke erf betrokken heeft. Zijn besteedbaar inkomen is niet erg hoog te noemen. Dit wordt in 1808 lager geschat dan 50 gulden en dat was het inkomen dat ook een boerenarbeider of een dienstbode genoot (bron: quotisatiekohier 1808).
Later zal hij het pand geerfd hebben van zijn ongehuwde tante Trijntje Bramer die het "Gjttenerf" bewoonde. Hij zal toen qua inkomen een wat betere positie hebben verworven, hoewel ook Trijntje volgens het kohier op de personele quotisatie van 1808 niet echt hoog scoorde wat inkomen betreft. Haar inkomen werd geschat op 50 tot 75 gulden.
Notitie bij de geboorte van Willem: gedoopt als Willem zv Hendrik Bramer en Anna Bramer
Notitie bij het overlijden van Willem: heet bij overlijden de zoon te zijn van Hendrik Bramer en Annigje Hartog.
Notitie bij het overlijden van Frederika: bij het overlijden staat als beroep vermeld landbouwerse.
Notitie bij het huwelijk van Willem en Frederika: de huwelijksregistratie luidt als volgt: "Willem Bramer Z. van Hendrik Bramer en Anna Hartog J.M. en Frederijka Alberts D. van Albert Gerrits en Hendrikjen Janzen".
Er vindt ook een ondertrouwregistratie te Almelo plaats op 24 oktober 1794:
24 Oct 1794; 10 Nov 1794; met att. naar Vriezenveen; Willem; Bramer; te Vriezenveen; Hendrik; Bramer; Johanna; Hartog; Frederika Alberts; geb Vriezenveen, won Almelo; Albert Gerrits; ; Hendrikjen Janssen; bron: Afina Broekman.
Kennelijk was Fredrika ten tijde van haar huwelijk dienstmeid te Almelo.

114. Gerhardus (Gradus) Gerrits(en), ged. Vriezenveen 16 dec. 1759, † ald. 14 maart 1818, tr. (ondertr. 1 jan.) 1780
115. Gerhardina Hospers, ged. Vriezenveen 29 okt. 1758, † ald. 6 juli 1831.

Notitie bij Gerhardus (Gradus): wever en landbouwer. Moet in de buurt van Westeinde 100 hebben gewoond, evenals zijn vader en grootvader. Het erf was van de kerk ofwel de Sint Annenvicarie (beheerder hiervan was de Heer van Almelo die toezicht hield op alle kerkelijke goederen) . Rond 1790 betaalde hij daarvoor 38 gulden en 12 stuivers per jaar (bron: AHA inv. nr. 1804).
Uit de boekhouding van de kerkelijke goederen blijkt dat Gerhardus de volgende landerijen huurde: "twee akkers het oosterstukke met zes koeweiden, een huisplaats, een halve akker in het westerstuk en een halve koeiweide, een grasgaarden, een part in de schuttenmaat een halve koeiweide"

Bij de volkstelling van 1795 staat als beroep wever vermeld. Aangever van de informatie van dit gezin bij de volkstelling was de vader van Gerhardus, te weten Gerrit Harms. Het gezin bestond toen uit 6 personen. Bewoonde vermoedelijk het huis dat in 1832 kadastraal bekend stond onder Sectie A nr. 2042, dat werd ingedeeld in belastingklasse 6, een gemiddelde boerenwoning dus. Men was buur van de familie Bramer (Gjtten) die destijds op nummer 256 (toenmalige nummering) woonde.
Neemt op 9 mei 1812 de naam Gerritsen aan. Gedoopt als Gradus, later Gerhardus genoemd.

In 1801 wordt hij genoemd op de lijst van begunstigden met betrekking tot de verbouwing van de Hervormde kerk voor een bedrag van 5 gulden. Het inkomen van Gerhardus was volgens het kohier op de personele quotisatie van 1808 gelegen tussen 75 en 100 gulden en daarmee kan geconcludeerd worden dat Gerhardus een keuterboertje geweest zal zijn.

Op 16 juli 1802 geeft Gradus Gerrits de 50e penning aan ivm de aankoop van een huis staande op het land van de St. Cruijsenvicarie van Gerrit ten Cate voor het bedrag van 400 gulden (bron: register 50e penning 1802 Statenarchief Overijssel inv. nr. 6012).
Notitie bij het overlijden van Gerhardus (Gradus): aangifte van zijn overlijden wordt gedaan door de zonen Gerrit, landbouwer 29 jaar en Roelof landbouwer 32 jaar (1818).
Notitie bij Gerhardina: Gerhardina is geboren op het zogenaamde "Knievvels" erf, Oosteinde 200 (huidige nummering) Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz.114. Ik heb in de boterpachtregisters echter geen link kunnen vinden tussen dit erf en de familie Hospers. Mogelijk was het erf niet boterpachtplichtig aan de heer van Almelo?
Notitie bij de geboorte van Gerhardina: gedoopt als Gardina
Notitie bij het overlijden van Gerhardina: In de overlijdensakte staat dat ze Gerritdina heette en woonde aan het Westeinde 253 en dat ze landbouwersche van beroep was.
Notitie bij het huwelijk van Gerhardus (Gradus) en Gerhardina: gehuwd te vriezenveen

116. Jan Hendriks Pot, ged. Vriezenveen 6 maart 1737, † ald. 28 dec. 1808, tr. Vriezenveen 9 april 1768
117. Janna Berends (ook Johanna) Smelt, ged. Vriezenveen 19 febr. 1747, † ald. 23 dec. 1808.

Notitie bij Jan Hendriks: kleermaker (bron: huwelijksakte zoon Berend in 1811), bewoonde het erf Westeinde 608 (huidige nummering), stamvader van de Vriezenveense familie Pot, die van oudsher vnl. uit ambachtslieden bestond, zoals wevers en kleermakers.
In 1760 wordt Hendrik inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet hij 1 gulden betalen, dat is ca. 33 cent per persoon, dat ligt iets onder het gemiddelde van 0,39 voor het Westeinde, terwijl het dorpsgemiddelde op 41 cent ligt. Hoewel een eenvoudige ambachtsman draagt Jan Hendriks Pot en kinderen in 1801 toch 8 gulden bij voor de verbouwing van de plaatselijke kerk (bron: Archief N.H. kerk).
In 1795 bij de volkstelliing van 1795 wordt Jan Hendriks genoemd, zijnde kleermaker, gezinsomvang 7 leden.
Op 26-12-1808 maakt Jan Hendriks Pot, weduwnaar van Janna Berends Smelt zijn testament op. Hij is dan al ziek en zwak en zal 2 dagen later overlijden, zijn vrouw en zoon Jan zijn hem 2 dagen eerder al voorgegaan. Tot erfgenamen worden benoemd de zonen Hendrik, Berend en Johannes Pot. De vierde zoon Mannes Pot, gehuwd met Johanna Pleij, komt 50 gulden toe ten laste van de erfboedel, tenzij hij de legitieme portie van zijn erfdeel zou verkiezen boven de 50 gulden. Dit kleine bedrag duidt erop dat de boedel van Jan Hendriks Pot niet erg omvangrijk kan zijn geweest.

118. Mannes (ook Hermannus) Eshuis, ged. Wierden 21 okt. 1749, † ald. 11 juni 1809, tr. Wierden 7 juni 1777
119. Egberdina (ook Diena) Nijhof, ged. Wierden 31 maart 1754, † ald. 6 maart 1806.

Notitie bij Mannes (ook Hermannus): landbouwer (bron: huwelijksakte dochter Mina in 1811).
Notitie bij het overlijden van Mannes (ook Hermannus): bij overlijden staat vermeld nalatend 3 kinderen.
Notitie bij het overlijden van Egberdina (ook Diena): bij overlijden staat vermeld, nalatende 5 kinderen

120. Fredrik Hendriks Aman (dezelfde als 68), tr. Vriezenveen 20 sept. 1783
121. Kunnigje Jansen Berkhoff (dezelfde als 69).

122. Hendrik Berkhoff (dezelfde als 64), tr. Vriezenveen omstr. 1796
123. Lena Schipper (dezelfde als 65).

124. Hendrikus Fz. Aman (dezelfde als 34 in generatie VI), tr. Vriezenveen 27 mei 1815
125. Johanna Broertjen (dezelfde als 35 in generatie VI).

126. Hendrik Hof, ged. Vriezenveen 28 nov. 1773, † ald. 10 sept. 1847, tr. Vriezenveen omstr. 1800
127. Johanna (Janna) Jansen Jacobs, ged. Vriezenveen 28 nov. 1779, † ald. 4 maart 1848.

Notitie bij Hendrik: landbouwer, bewoonde de boerderij ten westen van het Onweerserf (Oosteinde nr. 345 huidige nummering), kadastrale informatie. De woning viel in 1834 in belastingklasse 6 en had een gemiddelde huurwaarde van 15 gulden, wat ongeveer het gemiddelde voor Vriezenveen was. De familie had de bijnaam de Baais.
De boerderij kwam in het bezit van de familie Hoff door het huwelijk met Janna Jacobs (Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 147 ). Neemt in 1804 een akker land en enige wanden bouwland over van het oorspronkelijke goed van zijn vader (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 144).

28 november 1798 geeft Hendrik Hoff de 50e penning aan ivm de aankoop van een stukje turfland liggend op de Westerhoeve van [zijn oom] Mannes Hoff voor 45 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).

Uit de boedelscheiding van 1848 blijkt dat het gezin een meid en een knecht had (zie notities overlijden).
Notitie bij het overlijden van Hendrik: volgens de overlijdensakte zoon van Berend Hoff en Janna Bramer, landbouwer 75 jaar oud echtgenoot van Johanna Jacobs , woonachtig aan de 1e wijk van het Oosteinde.
Bij de notariele boedelscheiding in 1848 staat vermeld dat Hendrik Hoff en Janna Jansen 2 kinderen nalaten, te weten Jan en Janna en 3 kleinkinderen Hendrik, Cornelis en Berendina Hoff (kinderen van wijlen zoon Berend Hoff).
Janna Hoff komt toe alle roerende en onroerende goederen. Voorwaarde is wel dat ze de schulden van het echtpaar betaalt en n jaar na het overlijden van de laatste testatateur de zoons Jan en Berend (zijn kinderen) hun erfdeel te doen toekomen met de betaling van elk een som van 500 gulden. In totaal dus 1.000 gulden. Er zit een bijzondere clausule in het testament van Janna Jansen. Ze bepaalde dat als iemand de strekking van de verdeling mocht betwisten dat dan Janna Hoff (weduwe van Fredrik Aman) een vierde deel van de nalatenschap vooraf uit de boedel toekwam en elk jaar een toelage van 30 gulden, zolang zij leefde, als loon zolang ze bij haar moeder in huis woonde en na haar overlijden eveneens per jaar opeisbaar.
En Jan Hoff betwiste het testament. Hij voelde zich benadeeld. ook als vertegenwoordiger van de kinderen van broer Berend nam hij ditzelfde standpunt in.
Vanwege de onenigheid over de boedelscheiding volgt er een uitgebreide inventaris van de boedel. De inventarishouders waren: de burgemeester Gerrit Engels, Berend Hoff landbouwer en Albert Berkhoff timmerman.
A. de levende have, bouw- en stalgereedschappen, huismeubelen en beddegoederen en lijfstoebehoren, mest, hooi, stro en ongedorste zaadgewassen worden getaxeerd op 635 guldens.
B. de boerderij op het Oosteinde en tientallen percelen land (ongeveer 24 bunder= ca. 24 ha.) gezamenlijk getaxeerd op 2900 gulden. De boerderij was volgens kanttekening bezwaard met het recht van levenslange inwoning door de broer van Janna Jansen, genaamd Jan Jansen, timmerman van beroep.
-woeste- en veengronden werden op een bedrag van 510 gulden getaxeerd.
C. voordelige schulden:
300 gulden ten laste van koopman Hendrik Mokkelencate gedateerd 17-08-1847.
100 gulden huwelijksuitzet door Jan Hoff genoten en nu weer door hem in te brengen in de boedel.
100 gulden huwelijksuitzet ten gunste van wijlen Berned Hoff en nu weer in te brengen in de boedel.
Gezamenlijk een bedrag omvattende van ruim 4500 gulden.
passief (uitstaande schulden):
-Jan Jansen timmerman, 250 gulden en 50 gulden rentetegoeden = 300 gulden
-Jan Hoff Hendrikszoon, 50 gulden geleend geld
-Gerrit Ottop Boom vanwege medische kosten 58,60
-Jannes Kraijenberg voor knechtenloon 47,50
-Jenne Smelt voor meidenloon 34 gulden
-Janna Hoff wegens loon 591,40

In totaal kwam het erop neer dat Janna Hoff voor een waarde van 1732, 25 toekwam en haar broer en de kinderen van haar overleden broer elk 866,12.
Notitie bij Johanna (Janna) Jansen: ook J(oh)anna Jansensen genoemd, zij geeft met de volkstelling van 1795 het gezin van haar ouders aan voor de registratie van het gezin.
Notitie bij de geboorte van Johanna (Janna) Jansen: gedoopt als Johanna dv Jannes Jansen en Johanna Post
Notitie bij het overlijden van Johanna (Janna) Jansen: in de overlijdensakte staat vermeld: zonder beroep, oud 68 jaar weduwe van Hendrik Hoff, dochter van Jannes Jansen en Janna Post wonend aan het Oosteinde, 1e wijk.

Generatie VIII

128. Jan Berkhof (Buten), ged. Vriezenveen 24 nov. 1726, † ald. vr 1792, tr. Vriezenveen 18 jan. 174922
129. Kunneken Derks Fayer, ged. Vriezenveen 30 jan. 1724, †? vr 1792.

Notitie bij Jan: bewoonde het Jan Butenserf gelegen aan het Oosteinde 390 (huidige nummering). diaken en boekhouder 1775 en 1776 (bron: archief NH kerk Vrveen doos 77).
kerkmeester in de periode 1763-1787 (bron: gemeentejaarrekeningen AHA). Gedoopt als Jan zoon van Jan Berchof en Hendrijkjen Smelt. Hij was zelf afkomstig van het pand Oosteinde 409 (aan de overzijde van de straat) en huwde zijn buurmeisje Kunnigje Fayer, die op nummer 407 woonde (uitgaande van de huidige nummering). Van beroep was Jan landbouwer, turfschipper en timmerman en mogelijk evenals zijn vader linnenkoopman (zie opmerkingen hierover bij vader Jan). De waterput uit 1784 met initialen van Jan Berkhof en Kunnigje Derks Fayer (J.B.H. en K.D.F.) was anno 2004 nog steeds te vinden aan het Oosteinde 300 te Vriezenveen. Inmiddels (2016) is de put te vinden bij de nieuwe boerderij van de Jan Butensfamilie aan de Walstraat.
Zowel bij het overlijden van zijn dochter Dina in 1812, als bij het overlijden van zijn dochter Janna in 1822 wordt als beroep van Jan genoemd timmerman.
Verkrijgt de helft van het erf van zijn schoonvader Derk Fayer en wordt voor het eerst in het hoofdgeldkohier van 1750 genoemd, heet dan Jan Berkhof jonge. Omstreeks 1750 zal Jan dus op zich zelf zijn gaan wonen. Broer Johannes blijft op het ouderlijke erf van vader Jan wonen, gelegen aan het Oosteinde 409. Jan Berkhoff (Buten), wordt met de hoofdelijke aanslag van 1753 voor 1 persoon belast met 1 gulden, wat erg veel is. In 1753 in het belastingregister op de reliqua (belasting op schapen, varkens en bijenkorven) wordt Jan voor het eerst met de naam Buten aangeduid, hij heeft dan 16 schapen, wat behoorlijk veel is; slechts 3 boeren op het Oosteinde kunnen zich in dat jaar eigenaar van een grotere schaapskudde noemen, waaronder ook oom Berent Jansen Berkhof, die dan 20 schapen bezit. Ook had hij nog een varken en 4 hoornbeesten (runderen ouder dan 3 jaar). NB De belasting op gehoornd vee betrof nl. koeien ouder dan 3 jaar. Hoornvee jonger dan 3 jaar is dus niet meegenomen in de belastingkohieren. Verder moest hij in 1753 belasting betalen voor meer dan een halve hectare bezaaid land. In 1760 bezat Jan zelfs 25 schapen, waarvoor hij toen bijna 2 gulden belasting moest betalen. Hij was dat jaar de op n na de grootste schapenboer van Vriezenveen, alleen Berent Wype had meer schapen dat jaar, nl. 26. In later jaren moet de schaapskudde van Jan Buten, gezien het belastingbedrag dat hij moest betalen, zelfs nog groter geweest zijn.
De naam Jan Buten in het belastingregister op de reliqua uit 1753 is de eerste aanduiding voor de bijnaam Jan Butens, die zijn nazaten vandaag de dag nog steeds dragen (2004). Hij is als het ware de stamvader van de Jan Butens, zijn alias was Jan Buten en in de belastingregisters komen we hem onder die naam vaker tegen als onder de naam Berkhof. In 1760 wordt Jan Buten hoofdelijk aangeslagen voor 2 personen en moet 1,70 betalen, dat is 0,85 per persoon, terwijl het gemiddelde voor heel Vriezenveen op 0,39 lag. Hij behoorde hiermee zeker tot de meer vermogende Vriezenveners.
Het Fayerserf (Oosteinde 407] was onderdeel van het Berckhoffs erf uit 1583 bestaande uit 10 akkers (bron: boterpachtkohieren), dat rond 1645 werd opgesplitst in twee 4-akker erven. Ook nu dus weer een opsplitsing. Jan krijgt van de 4 akkers, 2 akkers en gaat zich aan de zuidzijde van de dorpsstraat vestigen. Jan vestigde zich aanvankelijk een stuk zuidelijker van de dorpsstraat, vandaar de bijnaam "Buten". Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 158). Lang heeft het erf daar niet gestaan, zon 35 jaar, want in 1784 bouwt hij een nieuwe boerderij, dichter bij de dorpsstraat, waar de waterput uit 1784 nog steeds van getuigt (anno 2004). Jan Buten bezat ook nog land genaamd de paterije en het land ten oosten van de Schipsloot (zie Ken uw dorp en heb het lief). In het boterpachtregister over 1753 wordt de splitsing van het erf al duidelijk. Hoewel het "Fayerserf" daarin nog aangegeven staat als n erf, wordt de betaling van de boterpacht reeds voor de helft opgebracht door de aantrouw Jan Berkhoff, die 8 pond boter betaalt en zijn zwager Jan Derksen Feyer, betaalt ook 8 pond boter. In het boterpachtkohier van 1763 staat hij aangeduid als Jan Berkhof junior, dit ter onderscheid van zijn vader, die dan dus mogelijk nog leeft. Jan Berkhof wordt nog genoemd in het kohier van dienstbodengeld (Archief Huize Almelo) van 1790, en wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 8 stuivers (bron: AHA inv. nr. 2769).

08-02-1773 akte van transport: aankoop van een akker turfland op het Superplus door Jan Jansen Berkhof en zijn huisvrouw voor een bedrag van 126 gulden, 11 stuivers en 8 penningen van de edele Gerrit Costers Egb.zn. [koopman te Almelo]. Het gekochte land is gelegen tussen het land van Jan Berents Hof en Henderik Berents Braemer (bron: Archief schoutambt Vriezenveen, inv,.nr. 2677).

3-5-1777 is Jan Jansen Berkhof, n van de turfschippers die de Heer van Almelo verzoeken om een dam in de Hollander Graven te plaatsen, zodat het water op kon stuwen, om het transport van turf te vergemakkelijken (inv. nr. 4067 Staten archief). Het verzoek is verder ondertekend door Albert Berends Broertjen, Hendrikus Harms, Berend Hofman, Jan Koops en Jannes Vrijlink.

Als timmerman komt Jan Jansen Berkhof Buijten diverse keren voor in de jaarrekeningen van de gemeente, omdat hij diverse timmeropdrachten uitvoerde aan bruggen, de pastorie, de kerktoren etc. In 1754 repareert hij het Oostervonder en brengt hij 10 gulden en 7 stuivers in rekening. In 1764 bedraagt de rekening voor reparaties aan bruggen 25 gulden en 10 stuivers. In 1776 brengt "Jan Barkhof Buijten" een bedrag van 36,35 gulden in rekening voor reparatie van de poort van de pastorie. In 1775 krijgt Jan Berkhoff de bouw van de brug naar Wierden vergund voor de som van 163 guldens.

20-11-1783 is Jan Berkhoff, samen met Gerrit Fredriks en Claas Claasen, voogd over de onbekwaam verklaarde Jan Faijer (gedoopt 1722) en diens onmondige dochtertje Jannetje Faijer. Jan Faijer was een neef van echtgenote Kunnigje Derks Faijer (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).

Copyright: Erik Berkhof, Amsterdam 2017.
Notitie bij het overlijden van Jan: in het kerspellastenbelastingregister van 1792 worden genoemd, de kinderen Jan Berkhof, een teken dat Jan overleden moet zijn in dat jaar. In het register van 1791 wordt Jan nog genoemd.
Notitie bij de geboorte van Kunneken Derks: gedoopt als Kunneken dv Derk Jansen en Jenneken Geers
Notitie bij het overlijden van Kunneken Derks: in het kerspelbelanstingregister staan in 1792 de kinderen J. berkhof vermeld, een aanduiding dat naast de vader ook de moeder overleden was, anders had er wel gestaan de wed. J. Berkhof.

130. Wolter Derks Schipper, ged. Vriezenveen 31 jan. 1734, † ald. 1779, tr. Vriezenveen 11 maart 1758
131. Jenneken Berends Berkhof, ged. Vriezenveen 3 mei 1733, † ald. na 1782.

Notitie bij Wolter Derks: Bewoonde het pand Oosteinde 251, bekend als het Keibeerndserf (blz. 114,115 Ken uw dorp en heb het lief).
Nam het erf over van zijn schoonvader Berend Jansen Berkhoff wordt in 1763 als eigenaar van het goed genoemd. Het goed was toen een 3-akkerstuk. Bij het Hoofdgeld van 1760 wordt Wolter aangeslagen voor 4 personen en moet hij 2 gulden betalen. Dat is 0,50 per persoon, en hiermee lag men boven de gemiddelde aanslag van 0,39 per persoon. In 1779 wordt genoemd de weduwe Schipper, zij krijgt een aanslag van 3 gulden voor 2 personen.
Wolter Schipper heeft waarschijnlijk en rol gespeeld in het Vriezenveens bestuur, herhaaldelijk komt in de gemeentejaarrekeningen voor (zestiger jaren van de 18e eeuw) dat Wolter betrokken was bij vaststelling van belastingregisters, in 1779 wordt met de weduwe van Wolter Schipper nog een bedrag in de gemeentejaarrekening opgenomen van 5,25 voor het beestentellen. Zoon Berent zal de functie van zijn vader op dit vlak overnemen en staat vanaf 1780 in de gemeentejaarrekening als beestenteller vermeld.

Op 12-01-1763 ontvangen Egbert Berends Berkhof en Wolter Derks Schipper van de schout Jan Dikkers 237,10 gulden, in verband met proceskosten inzake de sluis bij het Kooikershuis, die wijlen hun (schoon) vader als verwalter-schout had gemaakt en van gemeentewege had voorgeschoten (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).
Notitie bij het overlijden van Wolter Derks: In 1779 wordt de weduwe Wolter Schipper genoemd in de gemeentejaarrekening, waarbij haar nog een vergoeding toekomt van het beestentellen voor de belastingvaststelling dat Wolter kennelijk dat jaar voor zijn overlijden nog heeft uitgevoerd.
Notitie bij Jenneken Berends: Bij het dienstbodengeld van 1782 nog genoemd als de weduwe Wolter Schipper.

132. Albert Berends Broertjen, ged. Vriezenveen 29 nov. 1733, † ald. na 1795, tr. Vriezenveen 24 jan. 1767
133. Janna Hendriks Hoff, ged. Vriezenveen 29 juli 1742, † ald. 19 juni 1809.27

Notitie bij Albert Berends: turfschipper en landbouwer, Oosteinde 266 (huidige nummering; bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 136). Kreeg bij de boedelscheiding na het overlijden van zijn vader in 1766 huis en erf toebedeeld (zie notities moeder Geertjen Smith). In 1790 in het belastingkohier voor dienstboden nog genoemd. Ook bij de volkstelling van 1795 nog genoemd als gezinshoofd van 7 personen, als beroep wordt schipper vermeld.

In de gemeentejaarrekening van 1767 staat dat Albert Broertjen een vergoeding krijgt van 2 gulden voor het gebruik van zijn 2 schuiten.

3-5-1777 is Albert Berends Broertjen n van de turfschippers die de Heer van Almelo verzochten om een dam in de Hollander Graven te plaatsen, zodat het water op kon stuwen, om het transport van turf te vergemakkelijken(inv. nr. 4067 Staten archief). Het verzoek is verder ondertekend door Jan Jansen Berkhof, Hendrikus Harms, Berend Hofman, Jan Koops en Jannes Vrijlink.
Notitie bij de geboorte van Albert Berends: gedoopt als Geertjen d.v. Albert Berendz Broertjen en Johanna Hof.
Notitie bij de geboorte van Janna Hendriks: gedoopt als Janna, maar later veelal met de naam Johanna aangeduid. gedoopt als dv Hendrijk Jansen Hof en Berendjen Jansen.

134. Berend Berends Holland, ged. Vriezenveen 14 april 1743, † ald. 19 sept. 1811, tr. Vriezenveen 30 april 1768
135. Janna Wolters Schipper, ged. Vriezenveen 12 mei 1743, †?.

Notitie bij Berend Berends: landbouwer (volgens overlijdensakte) en koopman.
Werd in het testament van zijn oom Jannes Jonker in 1761 tot enig erfgenaam verklaard, waardoor hij diens huis en landerijen in bezit kreeg, gelegen aan Oosteinde 248 (huidige nummering), was naast landbouwer, net zoals zijn vader koopman in linnen en tuinzaden.(Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 128).
Volgens het boterpachtregister van 1763 omvatte het erf 4 akkers. Bij de volkstelling van 1795 staat hij vermeld als boer en heeft het gezin 3 leden. Bij de inschrijving in 1801 voor de bijdragen van de verbouwing van de hervormde kerk staat Berend Holland ingeschreven met een donatie van 25 gulden, een fors bedrag voor die tijd.
Notitie bij de geboorte van Janna Wolters: is van een tweeling, haar tweelingbroer is Hermen.

136. Henricus Harmsen Aman, ged. Vriezenveen 19 maart 1730, † ald. vr 1806, tr. Vriezenveen 23 april 1757
137. Hendrikje Gerrits Smelt, geb. Vriezenveen 18 april 1728, † ald. 27 aug. 1808.

Notitie bij Henricus Harmsen: landbouwer (bron: overlijdensakte zoon Fredrik 1827). Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering). Zie blz. 146 Ken uw dorp en heb het lief.
Met de volkstelling van 1748 vermeld als Henricus Harmsen als kind boven 10 jaar, inwonend bij zijn ouders.
Bewoonde het ouderlijk erf. In 1760 wordt "hendrijkes harms" inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet 1,70 betalen, dat is behoorlijk boven de gemiddelde afdracht van 39 cent p.p., nl. ca. 57 cent.

Henricus was zelf van heel simpele komaf. Door zijn huwelijk (of misschien ook handelsactiviteiten) steeg de familie Aman behoorlijk op de maatschappelijke en welstandsladder.
Notitie bij Hendrikje Gerrits: was in 1748 tijdens de volkstelling dienstbode bij de wed. Jan Lucas Coster.

138. J(oh)annes Berkhoff, ged. Vriezenveen 5 sept. 1728, † ald. na 20 sept. 1766, tr. 1e Vriezenveen omstr. 1752 Kunnigjen Roelofs, ged. Vriezenveen 17 jan. 1723, † ald. vr 21 juni 1760, dr. van Roelof Willemsen (zie 400) en Aeltjen Berendsen (zie 401); tr. 2e Vriezenveen 21 juni 1760
139. Metje Jansen Tutertjen, ged. Vriezenveen 30 jan. 1735, † ald. 13 febr. 1809, tr. 2e Vriezenveen 20 sept. 1766 Jannes Albersen Weijteman, ged. Almelo, † Vriezenveen 30 jan. 1809.

Notitie bij J(oh)annes: gedoopt als naam onleesbaar ouders heten Jan Jansen Berkhof en Hendrijkjen Jansen. Wordt evenals zijn vader niet in de boterpachtkohieren vermeld. Heeft het ouderlijk erf van zijn vader overgenomen dat gelegen was aan het Oosteinde 409. In de hoofgeldkohieren vermeld als Jannes of Jans. Hierin voor het eerst genoemd in 1759, wordt dan evenals in 1760 aangeslagen voor 2 gulden (aanslag voor 3 personen) en dat was een hoog bedrag, nl. ca. 67 cent, terwijl het gemiddelde op 39 cent p.p. lag. Wordt in 1764 nog genoemd, dan als Jan, wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 12 stuivers. In elk geval zijn z’n boeren activiteiten kleinschaliger van omvang dan die van zijn broer Jan, die een grote schaapskudde had. Jannes blijft bij maximaal 5 schapen steken en ook z’n landbouwareaal was kleiner van omvang, als we de belastingkohieren van gezaaide landerijen mogen geloven. In 1761 heeft hij naast een varken en een paard 5 bijenkorven en heeft hij geen schapen meer, hij zal ongeveer 2 koeien hebben gehad, gezien de bedragen die hij aan koegeld (belastiing op het hoornvee) moest betalen. Hij zal andere middelen van bestaan moeten hebben gehad, misschien koopman of schipper zoals de 2e echtgenoot van Metje Jansen Tuttertjen.
Het echtpaar maakt een testament op 8-12-1759. Testator vermaakt aan zijn moeder Hendrikjen Jansen Smelt haar legitieme erfdeel. Testatrice doet hetzelfde voor haar ouders Roelof Wilms en Aaltjen Berens. De kleding van testatrice worden vermaakt aan haar moeder, tenminste als zij zonder kinderen zou komen te overlijden. Testator legateert zijn linnen en wollen kleren aan zijn broer Jan Barkhoff. verder is het een langstlevende testament. Jannes ondertekent het testament, zijn echtgenote plaatst een kruisje (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

Jannes wordt nog in het belastingregister van gehoornde beesten in 1767 vermeld. Het erf van Johannes wordt in 1768 volgens hetzelfde belastingregister van gehoornde beesten bewoond door een zekere Jannes Albertsen, die zich ook wel Weijteman noemde, hij was in 1766 gehuwd met de weduwe van Jannes Berkhof.

Johannes, doorgaans Jannes genoemd, wordt vermeld als getuige in een proces dat handelt om de mishandeling van Lucas Jonker door Harmen Klaassen (processtuk 8-3-1747 Archief Huize Almelo inv.nr. 2932). Jannes zegt dan omtrent 18 jaar oud te zijn.
Het erf van Johannes wordt na diens dood overgenomen door de familie Weiteman; op 20-9-1766 huwt Jannes Albersen Weiteman (volgens de volkstelling van 1795 schipper van beroep) met de weduwe van Jannes Berkhoff, Metje Tuttertjen. Vanaf dat moment doet de naam Weiteman z’n intrede op het oude Berkhof’serf. De familie Weiteman bzit het pand in elk geval nog in 1834 als in de kadastrale leggers Jan Weiteman, zoon van Jannes als eigenaar van het erf wordt genoemd.
Notitie bij de geboorte van J(oh)annes: bij doop is de moeder niet vermeld, alleen de naam van de vader Jan Jansen.
Notitie bij het overlijden van J(oh)annes: op 20-09-1766 hertrouwt de weduwe van Jannes Berkhof met Jannes Alberts Weijteman.
Notitie bij Metje Jansen: Metje maakt op 08-02-1809 haar testament op. Ze is dan zwak en ziek en zal 5 dagen later al overlijden. Tot universeel ergenaam wordt benoemd haar zoon Jan Weiteman. Ten tweede haar kinderen Janna Weiteman, Alberdina Weiteman (gehuwd met Jan Hendrik Stok) en de kinderen van haar overleden dochter Kunnigien Jansen [Berkhof] in echte verwekt door Jannes Berkhof, als erfgenamen in hun legitieme aandeel. De dochters Janna en Alberdina staat het echter ook vrij om in plaats van hun legitieme aandeel, 100 gulden ten laste van de boedel te ontvangen. Daarnaast komt Janna sowieso 100 gulden uit de boedel toe en verkrijgt zij het recht een spint lijn te mogen zaaien op de landerijen van het ouderlijk erf en ook komt (zolang ze ongetrouwd blijft) Janna volgens het testament recht op inwoning toe en zolang ze niet uit naaien gaat ook de kost. Verder krijgt ze nog de kleren uit de kast van haar moeder en het bed door haar beslapen.

140. Albert Berends Broertjen (dezelfde als 132), tr. Vriezenveen 24 jan. 1767
141. Janna Hendriks Hoff (dezelfde als 133).

Notitie bij Albert Berends: turfschipper en landbouwer, Oosteinde 266 (huidige nummering; bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 136). Kreeg bij de boedelscheiding na het overlijden van zijn vader in 1766 huis en erf toebedeeld (zie notities moeder Geertjen Smith). In 1790 in het belastingkohier voor dienstboden nog genoemd. Ook bij de volkstelling van 1795 nog genoemd als gezinshoofd van 7 personen, als beroep wordt schipper vermeld.

In de gemeentejaarrekening van 1767 staat dat Albert Broertjen een vergoeding krijgt van 2 gulden voor het gebruik van zijn 2 schuiten.

3-5-1777 is Albert Berends Broertjen n van de turfschippers die de Heer van Almelo verzochten om een dam in de Hollander Graven te plaatsen, zodat het water op kon stuwen, om het transport van turf te vergemakkelijken(inv. nr. 4067 Staten archief). Het verzoek is verder ondertekend door Jan Jansen Berkhof, Hendrikus Harms, Berend Hofman, Jan Koops en Jannes Vrijlink.
Notitie bij de geboorte van Albert Berends: gedoopt als Geertjen d.v. Albert Berendz Broertjen en Johanna Hof.

142. Berend Berends Holland (dezelfde als 134), tr. Vriezenveen 30 april 1768
143. Janna Wolters Schipper (dezelfde als 135).

Notitie bij Berend Berends: landbouwer (volgens overlijdensakte) en koopman.
Werd in het testament van zijn oom Jannes Jonker in 1761 tot enig erfgenaam verklaard, waardoor hij diens huis en landerijen in bezit kreeg, gelegen aan Oosteinde 248 (huidige nummering), was naast landbouwer, net zoals zijn vader koopman in linnen en tuinzaden.(Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 128).
Volgens het boterpachtregister van 1763 omvatte het erf 4 akkers. Bij de volkstelling van 1795 staat hij vermeld als boer en heeft het gezin 3 leden. Bij de inschrijving in 1801 voor de bijdragen van de verbouwing van de hervormde kerk staat Berend Holland ingeschreven met een donatie van 25 gulden, een fors bedrag voor die tijd.

144. Jasper Lucassen Onweer, ged. Vriezenveen 8 mei 1729, † ald. na 1801, tr. (ondertr. Vriezenveen 7 juli) 1754
145. Janna Derks Faijer, ged. Vriezenveen 11 juni 1730, †?.

Notitie bij Jasper Lucassen: Bewoont het Onweerserf, Oosteinde 345, huidige nummering, was in 1753 de grootste imkerboer van Vriezenveen. Hij had toen 20 bijenkorven, daarvoor moest hij toen een belasting betalen van 2 gulden, 12 stuivers en 8 penningen. Hij wordt in het dienstbodenbelastingkohier van 1790 nog genoemd en wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 8 stuivers.
Het is zeer aannemelijk dat Jasper de imkerij van zijn vader heeft voortgezet en zelfs uitgebreid, uitgaande van het bedrag dat Jasper in 1765 betaalde (te weten 3 gulden en 12 stuivers) zou het aantal bijenkorven zelfs 36 hebben bedragen, uitgaande van een basisbedrag van 2 stuivers per bijenkorf. Hierbij ga ik dan wel van de veronderstelling uit dat Jasper geen schapen had, want ook elk schaap kostte in 1765 2 stuivers per jaar aan belasting. In het kohier van 1765 staat niet aangegeven of de belasting nu betaald werd voor schapen, varkens of bijenkorven. Jasper zou ook nog een varken gehad kunnen hebben natuurlijk. Qua belastingbedrag op de reliqua, zoals deze belasting heette, stond Jasper in 1765 op de derde plaats. Alleen dokter Dijderijk, die zich geheel op de imkerij had toegelegd met in 1762 maar liefst 38 bijenkorven en Berent Wippe, welke laatste zowel veel schapen als bijenkorven had, betaalden in 1765 meer belasting op de reliqua, respectievelijk 4 gulden en 2 stuivers en 4 gulden en 8 stuivers (Bron archief Huize Almelo, belastingregisters reliqua).
Volgens het boterpachtregister van 1763 (vader Lucas wordt dan nog als eigenaar genoemd), omvatte het erf 4 akkers.

Op 23-11-1794 maken Jasper Lucas en Janna Derks hun testament. Het echtpaar benoemt hun kinderen: Derk en Jannes Jaspers en Jenneken en Leena Jaspers en verder het kind Gerrit van hun overleden dochter Fenneken Jaspers (gehuwd met Hendrik Broertjen) tot universeel erfgenaam.

Met de volkstelling van 1795 is hoofd van het huishouden zoon Derk Jaspers.

Leeft nog in december 1801 als hij een bijdrage levert aan de verbouwing van de Hervormde kerk van 5 gulden. (archief NH-kerk).
Notitie bij het huwelijk van Jasper Lucassen en Janna Derks: huwelijksregistratie luidt als volgt "Jasper Lukas J.M. en Z. van Lukas Jansen en Janna Derksen Faijer N.J.D. van Derk Faijer alhier.

146. Jannes Derksen Faijer, ged. Vriezenveen 10 april 1719, † ald. vr 1790, tr. Vriezenveen 27 jan. 174822
147. Henrikjen Jansen ten Cate, ged. Vriezenveen 9 mei 1720, † ald. vr 28 maart 1772.28

Notitie bij Jannes Derksen: landbouwer en linnenkoopman. Bewoonde het erf van zijn vader Derk Jansen Faijer (Oosteinde 407 huidige nummering). Wordt in het boterpachtregister over het jaar 1752 genoemd. Het ouderlijk erf is gesplitst tussen Jannes en zijn zwager Jan Berkhof. Jannes houdt een 2-akkergoed over. Jannes Fayer is n van de Rusluie, hij bevindt zich op 26 juli 1749 te Sint Petersburg, alwaar hij aan [zijn zwager] Gerrit ten Cate 10 roebel uitleent en deze vervolgens later te Vriezenveen opeist. Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 156. Of Jannes Faijer inderdaad in Sint Petersburg geweest is, is maar zeer de vraag. Er is slechts sprake van jannes Derks, zonder de toevoeging Faijer en in deze periode is er nog een Jannes Derks die een linnenkoppman was. Deze was woonachtig op het Westeinde van Vriezenveen (zie Jannes Derks).
Jannes wordt in 1753 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet 1 gulden afdragen, met 50 cent p.p. ligt hij ruim boven het gemiddelde van 39 cent. In 1760 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet hiervoor 1 gulden en 14 stuivers betalen, dat is 85 cent p.p. en daarmee ruim boven het gemiddelde van 39 cent p.p. . heeft in 1760 24 schapen en dat was erg veel. In 1780 wordt Jannes nog genoemd in het het hoofgeldregister over 1779. In 1790 in het register van het dienstbodengeld is Jannes overleden en worden genoemd "de kinderen van J. Feyer".
De veestapel bevond, evenals bij de families Berkhof aan het Oosteinde (Berent Jansen Berkhof en Jan Jansen Berkhof (Jan Buten) uit een opvallend grote schaapskudde voor Vriezenveense begrippen. Dat wil zeggen een kudde die rond de 20 schapen omvatte.
De familie moet in goede doen geweest zijn en dit is mogelijk het gevolg zijn geweest van de Russische handelsactiviteiten.

Stadsgericht, Almelo, 1 juni 1750:
Gerrit Gasthuijs, en zijn huisvrouw transporteerden aan Ootmar ten Cate, en zijn huisvrouw Christina ten Cathe en erfgenamen, hun huis en wheere, gelegen naast het Gasthuis. Dit was een gerechtelijke verkoop in opdracht van Jannes Derxsen Faijer.
Stadsarchief Almelo, Inv. #2619, Fol. 573. Transportacte, 1 Jun 1750.(bron: website Afina Broekman). Deze verkoop duidt erop dat jannes faijer schulden had bij de Almelose kooplieden, waarbij jannes waarschijnlijk schuldeiser was van Gerrit Gasthuis.


Op 20-3-1755 wordt een "Jannes Derks" aangesproken voor een schuld (bedrag onvermeld) aan de linnenreders en kooplieden Jan ten Cate, Gerrit Coster en Gerrit Coster Egbzn. (inv. nr. 2965 HAA).
Deze Jannes was dus ook koopman en is niet identiek aan Jannes Faijer. Hij woonde aan het Westeinde en was gehuwd met Aaltjen Berentsen. Hij handelde met Derk Jansen (zijn vader?) zie ook archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 27 d.d. 27 maart 1755. Op die datum wordt Jannes en z’n vrouw Aaltjen Berens aangesproken voor de enorme schuld van 1771 gulden vanwege gekochte en geleverde linnens van Jan ten cate Jansz. koopman te Almelo aan de maatschap van Jannes Derks en Derk Jansen. Deze Jannes Derks was de zoon van Derk Claassen Meijnderts en Jenneken Jansen. Derk jansen zal dan de zoon zijn van broer Jan Derksen.

Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 500 gulden en een extra 100 gulden voor te werk gesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
In het kohier van 1758 wordt hij niet genoemd. Zijn vader had een groter vermogen; zie opmerkingen vader.



transportakte 13-11-1773. Verkoop door Jannes Derksen Feijer van de Brink beginnend aan de kerkweg (= dorpsstraat) tot aan de dwarssloot, gelegen in de landerijen van wijlen Jan ten Cate (oostwaarts Jan Boom, westwaarts Frontmansland) voor 109 gulden aan Jan Gerrits (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).


19-06-1786 akte van transport. Verkoop door Roelof Wiechers en zoon Jan en dochter Jenneken van een akker hooi of weideland, gelegen in het "Jan ten Cateland" voor 255 gulden aan Jannes Derksen Faijer (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

148. Hendrik Jansen Kosters, ged. Vriezenveen 3 mei 1722, † ald. omstr. 1783, tr. Vriezenveen 4 juli 175022
149. Fredrica Jansen, ged. Vriezenveen 4 mei 1732, † ald. na 1795.29

Notitie bij Hendrik Jansen: ook wel Costers genoemd, was van beroep landbouwer, was afkomstig van de boerderij Oosteinde 369 (huidige nummering),
Woonde aan het Oosteinde nummer 203 (huidige nummering). Op 18-12-1751 kopen Hendrik Jansen Koster en Fredrika Jansen voor 1700 car. guldens huis en erf, met 3 akkers land van de wed. van Frerick van Olde, Jenneken Berents Dodde (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675 zie ook Ken uw dorp en heb het lief blz. 104). Volgens het boterpachtregister van 1755 was Hendrik de bezitter van 4 1/2 akker land. Moet een familie in zeer goede doen geweest zijn. In het register van de 1.000e penning van 1758 wordt Hendrik Coster aangeslagen voor een geschat vermogen van 913 gulden. In 1760 wordt Hendrik inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet hiervoor het bedrag van 2 gulden betalen, dat is bijna 67 cent per persoon en uitgaande van het gemiddelde van 39 cent voor Vriezenveen kan gesteld worden dat deze familie tot de rijkere van het dorp moet hebben behoord.
In 1760 bij het hoofdgeld wordt de familie aangeslagen voor 3 personen en wordt aangeslagen voor 2 gulden, dit is bijna 0,67 p.p. en daarmee aanzienlijk boven het gemiddelde van 0,39 p.p voor heel Vriezenveen. Mogelijk was ook Hendrik, evenals zijn zoon Hermannus koopman van beroep.
Is voogd van de kinderen van zijn overleden zus Jenneken Coster (gehuwd met Jan Bramer, 1772).

Hendrik Jansen Koster en Fredrika Jansen maken op 4 augustus 1751 hun testament. Testators moeder Harmtjen Henriks Schuirman, wed. van Jan Lucas Koster, komt haar legitieme erfdeel toe. Testatrice doet hetzelfde voor haar ouders Jan Freriks en Janna Henriks Winter. Aan de armen komt 25 car. guldens toe, door de langslevende na het sterven van de eerste uit te keren. Verder is het een langstlevende testament. Beiden ondertekenen het testament met dun handtekening (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Hendrik Jansen Koster treedt op 23-04-1774 op als voogd van de minderjarige zoon van Jan Bramer genaamd Hendrik Jansen Bramer, eertijds verwekt door Janneken Jansen Costers (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).
Notitie bij het overlijden van Hendrik Jansen: Bij het huwelijk van zoon Hermannus in 1788 wordt deze de nagelaten zoon van Hendrik Kosters genoemd. Ook in een juridisch contract uit 1784 (3 augustus?) aangaande Fredrica en haar zoon Jan staat Fredrica vermeld als de wed. van wijlen Hendrik Coster (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678). In januari 1783 wordt zoon Jan die in dat jaar huwt de zoon van Hendrik Koster genoemd, die dan dus nog zou moeten leven.
Notitie bij Fredrica: 3 augustus 1784 regelt ze iets met haar zoon Jan bij het schoutgericht, het handelt over het erfdeel van zoon Jan (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

150. Berent Engberts Olijslager Smit, ged. Vriezenveen 30 mei 1726, † ald. na 1795, tr. Vriezenveen 19 juni 1756
151. Geertjen Gerrits Smelt, ged. Vriezenveen 12 jan. 1727, †?.

Notitie bij Berent Engberts: smid en olieslager van beroep. Zowel met de naam Olijslager als Smit aangeduid. Woonde in de buurt van Westeinde 96 (huidige nummering). Had een oliemolen, een molen, aangedreven door paarden die raap- en lijnolie produceerde. Omdat de windrechten bij de heer van Almelo lagen en betaling hiervan probeerde men zoveel mogelijk te ontlopen. Vandaar dat de molen door paarden werd aangedreven. Werd in 1760 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 4 personen en moet 1,90 betalen (0,48 p.p.), ruim boven het gemiddelde van 0,39 p.p van dat jaar en voor het Westeinde lag dit bedrag zelfs gemiddeld nog lager n.l. op 0,37 p.p.

Vader Engbert Smit wordt in het kohier van de 1.000e penning van 1751 genoemd met een vermogen van 1300 gulden. In 1758 wordt zoon Berent Engb. Smit vermeld met een geschat vermogen van 2702 gulden. Het vermogen in de familie is dus in korte tijd behoorlijk gegroeid.

De oliemolen echter was in slechte staat. In 1785 wendt het bestuur van kerkmeesters en setienen van Vriezenveen zich tot de Heer van Almelo om zich over de bouwvallige en brandgevaarlijke staat van de molen te beklagen. Turf en andere brandbare stoffen lagen opgeslagen bij de oven waar de zaden gedroogd werden en ’s-morgens en ’s-avonds ging Berent met een brandende olielamp over de stal naar zijn molen die meest met stro was bedekt en vast aan zijn woning gebouwd was. verder waren er klachten dat de uitgeperste zaadolie van slechte kwaliteit was en ook ging het verhaal dat Berend het zaad van Vriezenveners liet liggen omdat van vreemdelingen met voorrang te behandelen die daarvoor ook nog eens minder hoefden te betalen namelijk 6 in plaats van 8 stuivers per schepel zaad. (bron: AHA inv. nr. 1766).

Maakt op 30-07-1793 zijn testament. Berent Engberts Smit vermaakt de oliemolen, huis, landerijen en inboedel aan dochter Gerhardina Berens Smit en haar man Hendk. Boesschen mits aan Mannes Coster en zijn vrouw uit voornoemde goederen 1200 gulden worden betaald door Hendrik Boesschen. Verder worden tot universeel erfgenaam benoemd: voor de helft de dochter van Hendrik Boesschen en Gerhardina Smit, genaamd Johanna Boesschen en de andere helft dochter Frederika Berents Smit, gehuwd aan Mannes Coster. Het gaat hierbij om waardepapieren, de kleding en alle goud en zilver. De familie was dus zeker in goede doen (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2680).

Op 17-3-1757 wordt in de archieven van Wierden genoemd Berend Smit Olyslager te Vriezenveen dit ivm met een eerdere lening van zijn vader Engbert Smit Olyslager (d.d. 19-6-1730) aan Gerrit Smit en Henrikjen Abrahams, die dan het hypothecaire onderpand (een dagwerk hooiland gelegen in de Haar marke onder Wierden) in eigendom verkrijgt. Kennelijk heeft de lener de schuld niet volledig afgelost.
(Bron: RA Overijssel; Gericht Kedingen inv. nr. 3).

op 4 mei 1765 verkopen de erfgenamen van de weduwe van Jan Gerritsen Smelt, met name Jan Jonkman, Berent Engbers (gehuwd met geertjen Smelt dv Gerrit Jansen Smelt’), Hindrikjen Gerrits Smelt en Jan Roelofsen, mede voor de overige kinderen en erfgenamen van de weduwe Jan Gerritsen Smelt een halve akker hooiland gelegen in het Eubenland voor 140 guldens aan Lukas Derks (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676 foto 485). Dit kan er op duiden dat de moeder Hendrikje Jansen eigenlijk Smelt moet hebben geheten van haar familienaam en een dochter moet zijn geweest van deze Jan Gerritsen Smelt.

Akte 30 juli 1793draagt Berent Engberts Smit zijn kleren, zilver en goud over aan zijn dochter Frederika Berends Smit getrouwd aan
Mannes Coster (boekjes Jonker archief Vereniging Oud Vriezenveen XV,34).
Notitie bij het overlijden van Berent Engberts: Berent Engberts wordt nog genoemd met de volkstelling van 1795. Hij geeft dan de gezinssamenstelling aan. Als gezinshoofd staat vermeld Hendrik Boesschen. Op de lijst van geldgevers voor de verbouwing van de kerk uit 1801 komt Berent Engberts Smit niet meer voor. Hij zal dan waarschijnlijk zijn overleden.

30 juli 1793 maakt Berent Engberts Ollij Smit zijn testament. Aan zijn dochter Gerritdina en haar man Hendrik Boeschen vermaakt hij zijn vaste goederen en de oliemolen op voorwaarde dat zij aan Mannes Costers en diens vrouw 1200 gulden uitbetalen. De helft van het geld en obligaties komen de dochter van Gerritdina, genaamd Johanna Boeschen, toe. Zijn dochter Gerritdina Berents Smit zal gedurende haar leven hiervan de intrest trekken. De andere helft van geld en obligaties komen dochter Fredrika Berents Smit toe, gehuwd met Mannes Coster. Goud, zilver en linnen en wollen kleding dienen in gelijke proties onder de erfgenamen te worden verdeeld (bron: archief schoutambt Vriezenveen 2680 foto 549-550).
Notitie bij de geboorte van Geertjen Gerrits: geboorteregistratie van Geertjen luidt als volgt: "de moeder Jennegjen Jansen Berkhof weduwe van wijlen Gerrith Jansen Smelt dewelke omtrend een halve dag voor ’s kinds geboorte overleden is"

152. Johannes Webbink (ook Klumper), ged. Almelo 8 nov. 1747, † Tubbergen (Reutum) 27 mei 1818, tr. Zenderen () vr 177930
153. Janna Hinneveld,25 ged. Almelo 4 april 1756, † Borne.

Notitie bij Johannes: ook wel Jannes. Johannes wordt voor het eerst in 1783 met de naam Webbink aangeduid bij de doop van dochter Maria.

In de huwelijksakte van zoon Hendrik in 1819 wordt als alias Klumpers vermeld bij de naam van vader Jannes Webben, een mogelijke aanwijzing dat hij klompenmaker geweest zou kunnen zijn.

In de huwelijkse bijlagen van de huwelijksregistratie van dochter Geesken op 01-05-1828 te Blankeham wordt door getuigen (Jan Abbink wever oud 66 jaar, Hendrik Nieuwenhuis wever oud 69 jaar, Gerrit Nieuwenhuis wever oud 77 jaar, Hermannus Vollen broekwever oud 52 jaar) verklaard dat Jannes Webbink (vader van Geesken) de echtgenoot was van Janna Hinneveld en de zoon van Hendrik Webbink en Aleida Mensink. In leven zouden allen landbouwers zijn geweest en allen overleden te Borne voor meer dan 25 jaar.
Janna Hinneveld zou, nog steeds volgens voornoemde personen de dochter zijn van Derk Hinneveld en Grietjen Mulders. De getuigen verklaren voornoemde ouders en grootouders zeer wel gekend te hebben! De verklaring werd opgemaakt op 2 april 1828 te Borne voor Christiaan Landman openbaar notaris van het kanton Delden.

Echter in de huwelijkse bijlagen van dochter Berendina (huwelijk 06-11-1828 te Borne) staat een verklaring van (deels) dezelfde getuigen met een geheel andere verklaring, opgemaakt voor dezelfde notaris Lantman op 3 oktober 1828 (haast precies een half jaar later!). De getuigen Hendrik Nieuwenhuis wever 70 jaar, Gerrit Nieuwenhuis zonder beroep 78 jaar, Grades Hermsen zonder beroep 77 jaar, Hendrik Musebeldt wever 59 jaar, verklaren dat de echtgenote van Jannes Webbink (vader van Berendina) Janna Hinneveld was. Men verklaart ouders en grootouders goed gekend te hebben die meer dan 23 jaar geleden zijn overleden te Borne. Tot zover stemt de verklaring nog (redelijk) overeen. Maar dan..... De ouders van Jannes zouden zijn: Jan Webbink en Jenne Weustink en de ouders van Janna Hinneveld, Jan Hinneveld en Fenneken Weustink. In leven zouden allen landbouwers zijn geweest en allen overleden te Borne. En natuurlijk alle getuigen hebben deze ouders en grootouders "zeer wel gekend"!
Opmerkelijk zo’n verschil in verklaring van (deels) dezelfde personen.

En dan is daar ook nog de overlijdensakte van Hendrik Webbink in Vriezenveen, waarin hij de zoon heet te zijn van Jannes Webben en Johanna Getkate. Overigens bij zijn huwelijk in 1819 heet hij eveneens de zoon van Jannes Webben en Janna Hinneveld te zijn, dus in overeenstemming met voornoemde verklaringen. De eerste verklaring in de huwelijkse bijlagen (april 1828) lijkt voor wat betreft de informatie over de ouders en de grootouders Hinneveld het meest betrouwbaar. Derk Hinneveld als grootvader lijkt te kloppen en Grietje kun je met een beetje fantasie nog herleiden tot Margriet en dan naar Maria. De naam Mulders is echter nieuw en is mogelijk onjuist. Veel personen in Twente hadden echter diverse familienamen. In elk geval is voor de info van de Hinnevelds uit de eerste verklaring meer bewijs in de archieven te vinden. De naam Weustink is voor Borne en Almelo (zoekmachine Twents streekarchief) niet echt relevant en lijkt een slag in de lucht geweest te zijn. De echtgenote van Jan Hendrik Webbink heet echter niet Aleida Mensink (volgens de eerste verklaring), maar volgens informatie van de huwelijksregistratie van de Gereformeerde Kerk (lees NH) te Almelo, Hendriene Eulderink, ook nogal afwijkend dus. De enige conclusie lijkt te zijn dat grootouderinformatie in de huwelijkse bijlagen niet al te serieus moeten worden genomen. Check de info zelf in andere bronnen lijkt de boodschap te zijn, maar houdt daarbij wel in gedachten dat het in Twente gebruikelijk was dat een persoon met meerdere familienamen in het leven kon staan.
Notitie bij het overlijden van Johannes: overleden als Jannes Klumpers oud 75 jaar landbouwer, echtgenoot van wijlen Janna Nebbink, geboren te Almelo zv Gerrit Klumpers en Geertrui Klumpers beiden overleden te Almelo. Overleden in het huis van zijn schoonzoon te Reutum. NB De informatie in de overlijdensakte is deels onjuist. De vader is niet Gerrit, maar Jan Hendrik. Op de leeftijd valt ook wel wat af te dingen. De naam Nebbink is ook apart, ik ben de naam niet eerder tegengekomen. Het is ook geen naam die in Almelo voorkomt. (met dank voor deze aanwijzing aan Robert Einhaus, e-mail 2011).
Notitie bij Janna: volgens Andr Idzinga dochter van Hendrik Getkate en Geesken Spenkelink
ik ben de naam Getkate bij deze persoon uitsluitend in de overlijdensakte van zoon Hendrik te Vriezenveen in 1840 tegengekomen. Dit lijkt een abuis. Elders wordt ze namelijk altijd Hinneveld genoemd, oa. bij huwelijk Hendrik in 1819 en doop van haar kinderen te Borne). Ik ga er van uit dat ze de dochter is van Derk Alberts van het Hinveld. De naamsvernoemingen van de kinderen sluiten mooi aan bij Derk Alberts van het Hinveld en Maria Stevens. Het tweede kind heet namelijk Derk (geb.1782) en het derde Maria (geb. 1783) !
Zie notities bij echtgenoot Johannes over de voorouderproblematiek bij beide personen.
Notitie bij de geboorte van Janna: volgens Andr Idzinga is Janna Hinseveld de dochter van Hendrik ten Getcate en geesken Spenkelink en geboren in 1751, echter er is ookeen tweede dochter Janna van dit echtpaar gedoopt op 15-01-1758 (eerste 25-04-1751). Daarom lijkt het aannemelijker dat de eerste dochter in 1758 zal zijn overleden), als de ouderlink berhaupt klopt.
Ik ga er namelijk van uit dat Janna van het Hinvelt de dochter is van Derk Alberts (van het Hinveld) en Maria Stevens Meijer. (de vernoemingen van de kinderen van Jannes Webbink en Janna Hinveld) passen ook mooi in deze lijn (het tweede(?) kind (gedoopt 1782 in Zenderen) heet namelijk Derk en het derde(?) (gedoopt 1783 in Zenderen) Maria!
helaas is er van dit echtpaar geen huwelijksregistratie te achterhalen. Het huwelijk zal waarschijnlijk in Borne hebben plaatsgevonden (huwelijksregistraties van deze plaats ontbreken echter voor de NH kerk in deze periode).

154. Geerlig Gerrits van het Schuttenhuis, ged. Almelo 14 juni 1739, † Vriezenveen (?) na 1788, tr. (ondertr. Almelo 3 nov.) 1764
155. Hermientje (Hermina) Lucassen Schot, ged. Vriezenveen 13 febr. 1729, † ald. 31 jan. 1817.

Notitie bij Geerlig Gerrits: Bij zijn doop Geerdelich genoemd, verder ook wel Geerlink of Geerlig genoemd. Met de volkstelling van 1748 staat hij als Gerrit te boek, als de link ten minste klopt naar het gezin (zie opmerkingen bij de vader).

Is in 1766 een hoofdgetuige in en proces dat gaat over de breedte van schuiten die moeilijk onder de brug zouden kunnen varen waarbij met bijlen stukken van de palen van de brug zouden zijn afgehakt om de doorvaart mogelijk te maken. Geerlig ook eigenaar van een schuit, die niet zo breed was, ging in juli 1766 (2 weken of ruim 2 weken voor 31 juli 1766) met zijn boot naar de "woeste veenen" om hooi en gemaaid gras te halen en deze naar Vriezenveen te brengen. In de stukken van het proces wordt hij ook wel Schutten Geerlig genoemd, dat zal zijn naam zijn geweest in het dagelijkse leven. (HAA inv. nr. 3045).

In het vuurstedengeldregister van 1782 staat hij als Schot Geerlink te boek. Hij zal het erf van zijn schoonvader hebben bewoond.

29-12-1788 Schoutengericht Vriezenveen: inventaris goederen Geerlink Schutte ivm schuldeiser Gerrit ten Bruggencate pachter van de impost op de gebrande wateren: 1. 4 turfkorven 2. een bakken troch 3. vijf aarden schotels 4. vijf koppen 5. twee Keulse potten 6. een eerden bord 7. twee hangende lampen 8. vijf tafelvorken 9. een zitbank 10. een lege kast 11. een klein kistje 12. een koekribbe 13. een houten vuurkorf 14. een luchter 15. tien paar koffiegoed 16. een koffieketel 17. een ijzeren potje 18. enige turf 19. enig hooi en stro 20. een haal en vuurtang 21. twee stoelen 22. twee hennen en een haan (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 31).

dat de pachter van impost op gebrande wateren Geerlink Schutte voor het gericht daagt, duidt er mogelijk op dat Geerlig een tapper van beroep moet zijn geweest.
Notitie bij de geboorte van Geerlig Gerrits: bij doop genoemd Geerdelick zv Gerrit Schuten en Janna Brouwers, ik vermoed dat Geerdelich/Geerlich vernoemd is naar de eerste vrouw van Gerrit Alberts van den Krommendijk genaamd Grietje Smit (bij haar eerste huwelijk in 1722 Margriete Gerrits genoemd).
Notitie bij de geboorte van Hermientje (Hermina) Lucassen: gedoopt als Hermientje dochter van Lucas Jansen en Vennegjen Herms.
Notitie bij het overlijden van Hermientje (Hermina) Lucassen: Mientjen van’t Schot overleden aan het Oosteinde nr. 4 in de ouderdom van 92 jaar, zonder beroep en weduwe van Geerlink van het Schuttenhuis.

Getuigen zijn: Albert Berkhof oud 54 jaar en tapper van beroep en Hendrik Companje, oud 40 jaar en smid van beroep.
Notitie bij het huwelijk van Geerlig Gerrits en Hermientje (Hermina) Lucassen: ondertrouw Almelo 3-11-1764 Geerling wordt in Almelo genoemd nagelaten zoon van Gerrit van het Schuttenhuis van Almelo.
Miena Schot wordt genoemd dochter van Lucas Schot jonge dochter te Vriezenveen. Er staat vermeld dat ze op 23-11-1764 met attestatie naar Vriezenveen zijn vertrokken.

In Vriezenveen is de huwelijksregistratie op 17-11-1764 als volgt: Geerlick van het Schuttenhuis onder Almelo NZ van Gerrit van het Schuttenhuis en Mientjen Lucassen dv Lucas Jansen den 9 novem ingeschreven

156. Klaas Jansen (ook Berents), ged. Vriezenveen 10 dec. 1724, † ald. vr 1775, tr. Vriezenveen 6 sept. 1755
157. Janna Lukassen Schoemaker, ged. Vriezenveen 3 nov. 1726, † ald. na 1779.

Notitie bij Klaas: Klaas Jansen is moeilijk te traceren in de archieven. Hij is waarschijnlijk geen boer geweest. In de boterpachtregisters kan ik hem niet achterhalen. In het hoofdggeldkohier van 1760 komen in elk geval 2 personen met de naam Klaas Jansen voor (1 x Oosteinde, 1 x Westeinde).
Gezien de huwelijken van de kinderen, die met partners afkomstig van het Westeinde trouwen (Jan Claassen met Janna Harms Pley; Lucas Klaassen met Johanna Schipper en Jenneken Klaassen met Jasper ten Cate) ligt het voor de hand Klaas Jansen op het Westeinde te zoeken.

Echter nog in 1748 in het Volkstellingsregister, nog in het hoofdgeldkohier van 1752 is Klaas Jansen te vinden. Dat maakt het extra gecompliceerd.
De mogelijke oplossing werd gevonden in de belastingkohieren op het geslagt. In de kohieren van 1758 en 1759 van het geslagt wordt genoemd Jan Berens Klaas, ofwel Klaas Jansen zoon van Jan Berens. Deze informatie stemt overeen met de trouwregistratiegegevens uit 1755 waar Klaas Jansen de nagelaten zoon heet te zijn van Jan Berens. Vanaf 1750 (1751 en 1752) staat op hetzelfde erf de wed. Jan Berents als hoofdbewoonster vermeld. Mogelijk was Klaas met de volkstelling van 1748 buiten Vriezenveen werkzaam, anders had hij als zoon genoemd moeten zijn op het erf van zijn ouders en dat is niet het geval.

Het pand van Klaas Jansen moet gelegen hebben in de buurt van Westeinde 500 op het erf van het zogenaamde Olde Scholsland.

Klaas wordt in 1758 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet 14 stuivers betalen, dus 70 cent. Dat is ca.23 cent p.p. en daarmee behoorlijk onder het dorpsgemiddelde. In vermoed dat Klaas een ambachtsman is geweest, mogelijk wever of zoiets dergelijks. Claas Jansen wordt nog in het hoofdgeldkohier van 1779/1780 genoemd. Deze informatie is echter gedateerd, want al in het belastingkohier van de reliqua van 1775 en het geslacht van hetzelfde jaar wordt genoemd de wed. Klaas Jansen.

Met de volkstelling van 1795 zien we op deze lokatie zoon Jan Klaassen genoemd, deze is inderdaad wever van beroep (volgens Andr Idzinga gehuwd met Janna Harms Pleij), het gezin telde toen 4 gezinsleden, mogelijk leeft de moeder dan dus nog, aangezien het eerste kind van Klaas in 1795 is geboren. Ook de familie Pleij bestond trouwens voornamelijk uit wevers. Dus zoon Jan zal het erf hebben overgenomen. In 1801 met de verbouwing van de Hervormde Kerk schrijft deze zoon zich in voor een bijdrage van 2 gulden en 4 stuivers.
Volgens het archief Jonker/Jansen is een zekere Jan Berends Olde die op het Scholsland woonde de vader van Klaas, ik ben deze naam niet tegengekomen. Wel is het zo dat Klaas Jansen zijn huis en erf op het Oude Scholland heeft en is het zo dat hij het "Scholthuis" zal hebben bewoond (bron: verpondingskohier van 1723 in combinatie met het hoofdgeldkohier van dat jaar). De belastingaanslag is vrijwel nihil. Het moet een arme familie zijn geweest.
Notitie bij de geboorte van Klaas: gedoopt als Claes zoon van Jaen Berends en Jenneken Janz
Notitie bij het overlijden van Klaas: in het belastingkohier van de reliqua van 1775 en het geslacht van hetzelfde jaar wordt genoemd de wed. Klaas Jansen. In het belastingkohier van het geslacht van de jaren 1773 en 1774 komt Klaas onder de naam Berents voor. In het jaar 1776 is de naam verdwenen en wordt de naam Jan Gerrits en later de wed. Jan Gerrits vermeld.
Notitie bij Janna Lukassen: 14-11-1778 schuldverklaring: Janna Luicas, wed. van Claes Jansen verklaart schuldig te zijn aan:
-haar broer Berend Luicas Schoemaker 417 gulden vanwege ten genoegen van haar betaalde rekeningen.
-Luicas Derksen 123 gulden.
-de wed. van wijlen Jan Evertmans.........
Tesamen (?) een schuld van 600 gulden.
Ze verhypothiceert daarvoor haar land en huis gelegen op het Olde Scholland (gelegen in het Westeinde), 5 wand bouwland gelegen op het Sijmesland en een akker land beginnen vanaf de dorpsstraat tot aan de Oudeweg, 1/2 akker Hoevenland op de Westerhoeven

september 1780 transportakte: verkoop door Berent Luicas [Schoemaker] en Berent ten Cate (gedoopt 1744 zoon van Bernardus ten Cate en Swenneken Lamberts) als voogden van de minderjarige kinderen van wijlen Claas Jansen en huisvrouw Janna Luicas Schoemaaker het huis met een goorden van 300 roeden op het Scholsland, gelegen tussen het erf van de wed. Jan Gerritsen (oostwaarts) en Sijmesland (westwaarts). Jan Egbers Pleij is voor 330 gulden de koper van het pand. Ook gaat een stuk land, gelegen tussen het Olde Scholsland en het land van Jan Leeders, voor 120 gulden van de hand aan Gerrit Gerritsen Keep en voor 90 gulden wordt een stuk land verkocht aan broer Berent Luicas Schoemaaker. Voor 60 gulden wordt nog een stuk grond van de hand gedaan aan Albert Harms (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678)..
Notitie bij het overlijden van Janna Lukassen: nog in het belastingkohier op het geslacht van 1779 vermeld.
Notitie bij het huwelijk van Klaas en Janna Lukassen: bij het huwelijk heet Jan Klaassen de nagelaten zoon van Jan Berends te zijn en Janna Lukassen de J.D. van Lukas Jansen, beide alhier.

158. Jan Derks Schipper, ged. Vriezenveen 30 aug. 1744, † ald. vr 1795, tr. (ondertr. Vriezenveen 9 april) 1768
159. Jenneken Prinsen, geb. Vriezenveen 1739, † ald. omstr. 1804.

Notitie bij Jan Derks: koopman en landbouwer; bewoonde de boerderij het Westeinde 158 (huidige nummering). Was met de volkstelling van 1795 al overleden. Dan wordt genoemd, de weduwe Schipper, boerin, gezinshoofd van 4 personen.

Op 7 oktober 1766 verklaren Jan Hendrik Prinsen en Jenneken Prinsen 850 gulden schuldig te zijn aan de koopman Jan ten Cate te Almelo, vanwege aan Jan Hendrik Prinsen geleverde en verkochte linnens en geleend geld. Volgens een kanttekening werd de schuld op 8 maart 1771 door Jan Schipper en Jenneken Prinsen afgelost (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

Op 08-03-1771 verkoopt Jan Hendrik Prinsen zijn huis, halve schuur en de helft van 2 akkers land aan zijn zuster Jenneken Prinsen en haar echtgenoot Jan Schipper. De koop omvat aan land 1 akker die al gemeenschappelijk eigendom is met zijn zuster Jenneken Prinsen en een halve akker en een half vierendeel (=1/8 akker) bovenwegsland op het Fluit Hermsland, van wijlen zijn vader Jannes Prinsen en moeder Henderikje Jansen Smit, die thanss nog in leven is, aangekocht op de 26e oktober 1765. De verkoopsom bedraagt 450 gulden; verder wordt ook de inboedel door jenneken gekocht voor een bedrag van 400 gulden, zodat het totaalbedrag op 850 gulden komt. Er was wel een beding, namelijk dat "de verkooper in het huis zal hebben een stede bij den heert, ligt en brant vrij, eene bequame slaepplaetse", verder komt hem zoveel ruimte toe als hij nodig heeft voor zijn spullen, zolang hij ongetrouwd blijft en verder komt hem nog toe een koe, de middelste ketel, een half dozijn hemden, een bed met toebehoren, 4 tinnen borden (telders), verder zal hij door de kopers bij ziekte worden ondersteund.
(bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

Op een lijst van kerkgiften (ca. 1776-1778 ) voor de nieuw te bouwen kerk staat Jan Schipper vermeld met een behoorlijke donatie van 42 gulden. Op 23 februari 1781 staat op een verantwoording mbt diezelfde lijst van giften vermeld dat Jan Schipper op reis was. Dit duidt erop dat hij mogelijk koopman was. Het winterseizoen was het seizoen van de kramers die met linnen en/of tuinzaden op pad gingen (AHA inv. nr. 3526).
Notitie bij het overlijden van Jan Derks: nog genoemd in diverse belastingregisters van 1792, oa vuurstedengeldregister.
Notitie bij Jenneken: Met de volkstelling van 1795 vermeld als hoofd van het gezin: wed. Jan Schipper, gezinsgrootte 4 personen
In 1801 op de intekenlijst van bijdragen voor de verbouwing van de Nederlands Hervormde Kerk tekent Jenneken Prinsen, die dan nog leeft, en draagt 5 gulden bij. Zij wordt genoemd de schoonmoeder van Lucas Klaassen.
Op 11-8-1804 maakt Jenneken Prinsen, als de wed. van Jan Schipper haar testament. Als haar erfgenamen worden genoemd:
- dochter Johanna Schipper, echtgenote van Lucas Klaassen wordt als enig universeel erfgenaam genoemd.
- dochter Lena Schipper, gehuwd met Wicher Berkhof komt een uitstaande lening van 500 gulden toe en de helft van haar kleren en lijftoebehoren.
Notitie bij de geboorte van Jenneken: doop niet traceerbaar, maar genoemd met de volkstelling van 1748. Ze is dan jonger dan 10. Aangezien het jaar 1739 in de doopregisters ontbreekt, ga ik ervan uit dat ze in dat jaar gedoopt is.
Notitie bij het overlijden van Jenneken: maakt haar testament op op 11aug. 1804 ten huize van Lukas Klaassen. Tot universeel en enig erfgenaam benoemt ze haar dochter Janna Schipper, gehuwd met Lukas Klaassen.
Verder legateert ze aan Lena Schipper, gehuwd met Wicher Berkhof een som van 500 gulden en de helft van haar kleding en lijfsgoederen.
Notitie bij het huwelijk van Jan Derks en Jenneken: huwelijksregistratie luidt `Jan Schipper N.Z. van Derk Schipper en Jenneken Prinsen N.D. van Jannes Prinsen beijde alhier`

160. Jan Teunis, ged. Vriezenveen 30 juli 1702, † ald. na 1760, tr. 2e (ondertr. Vriezenveen 7 juli) 174831 Swaentjen Gerrits, ged. Vriezenveen 12 febr. 1708, †?, dr. van Gerrit Jansen de Kerre (zie 912) en Jennegjen Herms (zie 913); tr. 1e Wierden 9 juni 1725
161. Aaltje Gerritsen, ged. Wierden 23 juli 1699, †?.

Notitie bij Jan: zie notities bij Teunis Jansen, had een erf aan het Westeinde voorbij de kerk richting het westen (bron: verpondingsregister 1734).
In het verpondingsregister van 1723 is Jan nog niet te vinden op deze locatie.

Vermeld in het kerspellastenregister van 1758 tussen Jan Bos en het Kierenhs (Kirrehuis) en wordt aangeslagen voor 10 stuivers (dat was een laag bedrag). Jan zal dan ook tot de armere Vriezenveners hebben behoord. In 1764 is de aanslag voor de kerspellasten zelfs nihil, evenals voor zijn buurman Cerre Wanders. het kan ook zijn dat hij toen was overleden.
In het hoofdgeldkohier van 1760 staat Jan Teunis nog vermeld met 1 hoofd en 6 stuivers aanslag. Daarna staat zijn naam nog wel vermeld, maar de aanslag is nihil geworden, ook worden er 0 hoofden genoemd. Wellicht was hij toen reeds overleden.
Notitie bij Aaltje: zie notities bij Teunis Jansen

162. Berend Lucassen Camp, geb. omstr. 1687, † Vriezenveen omstr. 1762, tr. omstr. 1712
163. Aeltien Jansen, geb. omstr. 1687, † na 1748.

Notitie bij Berend Lucassen: (NB niet traceerbaar in de boterpachtregisters van Vriezenveen). Het erf was gelegen in de buurt van de kerk aan het Westeinde (Ken uw dorp etc. blz. 24). Het erf komt in de kerkelijke ontvangstboeken voor als een kerkelijk eigendom. In 1879 moet voor dit erf door Jan Teunis 17,42 worden betaald. Het erf wordt dan aangeduid als het "Kampberendserf" naar Berend Camp.

Gezien de rekening van Berend Lucaasen Kamp ten laste van de gemeente lijkt het erop dat Berend timmerman is geweest. In 1729 dekt hij het dak van de school en in 1735 werkte hij aan de pastorie (weeme). Hij was het schrijven in elk geval machtig gezien zijn persoonlijke rekening. Op de achterzijde van de rekening staat vermeld "Camp Beerent` (bron: gemeentejaarrekening AHA inv. nr. 2737 en 2767)..

Woonde int Allee bij de kerk en de Middenschool. Herman Jansen schrijft hierover in ken uw dorp en heb het lief (blz.24). "de boerderij is zeker 250 jaar in het bezit van de familie Teunis geweest. Begin 1700 woonde er Berend Gerrits. Een dochter van deze Aaltje, trouwde met Berent Camp en deze woonde in 1748 op de boerderij. En het was deze Berent Camp, die aan de familie de naam Campberents bezorgde. Een dochter van deze Berent Camp, Janna geheten, trouwde met Teunis Jansen, deze bleven op de boerderij wonen."

er is een doop van dochter Janna te vinden d.v. Berent Lucassen en Aaltjen Jansen op 11-1-1718, bij de volkstelling van 1748 heet de moeder echter Aaltje Gerritsen. Of zij identiek zijn blijft gissen. Misschien een verschrijving bij de volkstelling? Als we Herman Jansen in Ken uw dorp en heb het lief mogen geloven zou ze eigenlijk Aaltje Berends hebben geheten (immers dochter van Berent Gerrits). De informatie is dus wat warrig en niet nduidig.

Andr Idzinga gaat er van uit dat Lucas Berendsen Camp de vader is van Berend.
Ik ben het patroniem Lucassen alleen tegengekomen bij de dopen van de kinderen, als aangenomen wordt dat Aeltien Jansen de moeder is.

In het hoofdgeldkohier wordt Berend genoemd "berrent kamp" (1753) en "Campberent" (1760).
In 1753 wordt Berend aangeslagen voor 4 personen (dochter Janna is inmiddels getrouwd met Jan Teunis die inwonend is) en moet 1,15 betalen, nog geen 30 cent p.p. en daarmee behoorde deze familie mogelijk tot de lagere sociale klasse. In 1760 (1 van de oudjes zal dan zijn overleden) wordt het gezin voor 70 cent aangeslagen een nog lager bedrag per persoon. Mogelijk ook wordt de lagere aanslag veroorzaakt door het feit dat het erf niet in eigen bezit was, maar gepacht werd van de kerk, waardoor het vermogen van de familie Kamp automatisch lager lag en daarmee ook de aanslag van het hoofdgeld (?).
In het register van de 1.000e penning van 1751 staat Berent niet vermeld. Dit betekent dat Berent toch tot de lagere sociale klassen zal hebben behoord.


Voert werkzaamheden (als timmerman?) uit in opdracht van de gemeente aan bijvoorbeeld kerk en school. Komt als zodanig voor het laatst voor in de gemeentejaarrekening van 1762. Wordt dan voor 5 dagen werk als Kampberent vermeld met een vergoeding hiervoor van 3 gulden, dat wil zeggen 12 stuivers per dag, het normale dagloon in die tijd.
Nog genoemd in de gemeentejaarrekening van 1761. Later (vanaf 1762) doet zijn schoonzoon Teunis Jansen dit.

De naam Kamp of Camp is mogelijk afkomstig van Almelo, waar het zogenaamde Kampserf tegen Bornerbroek aan lag.
Notitie bij het overlijden van Berend Lucassen: nog genoemd in de gemeentejaarrekening van 1761. Voert klusjes uit voor de gemeente bv aan de kerk. Later (vanaf 1762) doet zijn schoonzoon Teunis Jansen dit.
Notitie bij Aeltien: Herman Jansen stelt in Ken uw dorp etc. dat
ze Aaltje Berends zou heten. De gegevens van de volkstelling van 1748 wijzen
echter anders uit, nl. Aeltien Gerritsen. Mogelijk is de door Herman Jansen genoemde Berend Gerritsen
haar broer en niet haar vader. Andr Idzinga daarentegen stelt dat ze Aaltje Jansen zou heten (!?).
(zie ook notities echtgenoot en J(oh)anna Berends Camp).

164. Lambert Waanders, geb. 1685, † Vriezenveen na 1760, tr. (ondertr. Wierden 13 juni) 1706
165. Maria Egberts Spijcker, geb. 1666, † Vriezenveen na 25 mei 1725.

Notitie bij Lambert: in 1733 kastelein van beroep (blijkt uit Archief Huize Almelo stuk nr. 2957 en koopman in linnen (bron: archief Schambt Vr.veen inv. nr,23). Bewoonde het erf aan het Oosteinde nummer 116/120 (huidige nummering). Het erf werd gebouwd op de landerijen van Lucas Hermsen Hospers.
Wordt niet in de boterpachtregisters genoemd, bewoonde het Marrinerf (zie blz. 86 Ken uw dorp en heb het lief). Leefde nog tijdens de volkstelling van 1748, woonde bij zijn zoon Egbert Lamberts in.

Woonde aanvankelijk een klein stukje westelijker op het Oosteinde (in de buurt van de huidige Hofmansweg, zo ter hoogte van Oosteinde nummer 110 huidige nummering). In het belastingregister op het geslacht (bron: archief Kruijs,NIMH Den Haag) staan Lambert Waanders en Egbert Spijker naast elkaar vermeld op de locatie, waar in het boterpachtregister de landerijen van Berent Brouwer staan vermeld. Uit een latere schuldverklaring uit 1718 blijkt dat Lambert Waanders en Maria Spijker nog huishuur verschuldigd was aan Berent Brouwer. Waarschijnlijk stammen deze schulden uit de periode van voor 1717. In dat jaar lenen ze 425 guldens, om hun nieuwe woning en landerijen te kunnen kopen (locatie Oosteinde 116-120). Dus rond 1717 moet het gezin een stukje oostelijker zijn verhuisd. Het jonge echtpaar zal gezien de gegevens van het belastingregister op het geslacht in het huis van de vader van Maria Spijker inwonend zijn geweest. In de huwelijksregistratie uit 1706 blijkt dat hij dan reeds overleden is. Echter in het belastingregister op het geslacht van 1707 staat de naam van Egbert Spijker nog steeds vermeld. Egbert zal dus rond 1706 zijn overleden.

10-06-1717 verklaren Lambert Waanders en Maria Egberts verklaren schuldig te zijn aan Berendt Schimmlpenninck, koopman te Almelo en Elisabeth Kosters en erfgenamen 425 karoli guldens, ieder gulden 20 stuivers te verrenten voor 4 guldens 10 stuivers onder hypotheek van erf en gaarden en nieuw te bouwen huis gelegen westwaarts, de weduwe van Berendt Claassen en oostwaarts Rutger Berends liggende in de landerijen van Lucas Hermssen Hospis(bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).
-In 1720 spreekt Berend Schimmelpenninck Lambert Waanders en Maria Spijkers aan vanwege een intrestschuld van 37 guldens 2 stuivers en 8 penningen vanwege een lening van 425 gulden en tevens vanwege 33 ellen (= ca. 23 meter) geleverd wit linnen, 19 stuivers per el, maakt een schuld van 68 gulden 9 stuivers en 8 penningen (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 23).

Volgens een schuldverklaring van 20 mei 1718 was het echtpaar Lambert Waanders en Maria Egberts Spijker 53 gulden schuldig aan Berend Brouwer vanwege huishuur, gedane verteringen en geleverde waren. Om deze schuld te innen doet Berend Brouwer op 30 november 1720 aanspraak op de mobiele goederen van het echtpaar waaronder een weefgetouw, potten, bedden, kisten en kasten (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 23).

25-5-1727 kopen Lambert Waanders en Maria Egberts Spijcker een "bouwgoorden" voor 145 Caroli guldens van Rutger Berends (voor zich zelf) en Jan Berends Hoffman en Jan Gerritsen als de mombers (= voogden) van de onmondige kinderen van hun overleden moeder Grietien Klaassen. Het land is belast met 3 stuivers "in ijder verpondinge" en 9 penningen "elcker schattinge".

Op 29-09-1732 probeert de schout Claas Cruijs vergeefs door verpanding een schuld te vereffenen inzake tabaksaccijns, Lambert Waanders en zijn echtgenote Maria bedreigden de schout en zijn assistent Bartelink met een hooivork en ander gereedschap die hierop onverrichter zake naar huis keerden en van de zaak verslag deden aan de Heer van Almelo. Ongetwijfeld zal dit Lambert een forse boete opgeleverd hebben. Bron: breukregister (AHA inv. nr. 3241).

Op zondag 1 augustus 1734 ontstaat er een ruzie voor het huis van Lambert Waanders, op de weg van de weduwe Lucas Hospers, alwaar Lambert Waanders en Henrikus Henriksen aan het kegelen waren geweest waarbij ze ruzie hadden gekregen. Vader Lambert Waanders was naar buiten gekomen en had Henrikus Henriksen aan de haren getrokken om deze van zijn zoon Egbert af te krijgen. Beiden lagen namelijk vechtend op de grond. Zoon Albert was daarbij uit huis komen sluipen en had Henrikus slinks een vuiststoot in z’n gezicht gegeven, waarbij deze achter over was gevallen met een heftig bloedend gezicht en neus. Bron: breukregister (AHA inv. nr. 3241).

15-8-1742 koopt Lambert Wanders een want bouwland in Court Geritsland voor 47 Ceijser guldens van Albert Joncker en IJenneken Lcassen, het is een niet officieel opgemaakt document.

20-11-1747 koopt Lambert Waanders van Gerrijt Fronten en Berent Frericks, mombaren (vertegenwoordigers) van de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hoek het agterpart van het soo genaemde Kurt Garritsland gelegen aan dedesen nieuwe kerkweg oock behoorende Albert Lamberts voorts sijn behouwde (bouwsels?) en seven boomen en het holtgewas daar op staende, oostwaarts Gerrijt Lucas Coster en westwaarts de wed. Frerik van Olde voor 77 guldens.... (bron akten uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).

In 1737 wordt Lambert inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 4 personen. De aanslag bedraagt 1,60 en met 40 cent p.p. is dit een aanslag die iets beneden het gemiddelde voor het Oosteinde ligt in dat jaar (nl. 46 cent p.p.).

Ook in 1753 wordt Lambert in het hoofdgeldkohier nog genoemd, naast zijn zoon Egbert die ook afzonderlijk wordt genoemd. Lambert wordt dan slechts aangeslagen voor 10 cent. Een erg laag bedrag.

Akte van transport 13-12-1760 betreft verkoop door Lambert Waanders van een achtste part van het zogenaamde Kurt Garritsland voor 80 car. guldens aan Frerick Klaassen de Jonge. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij de geboorte van Lambert: geboortejaar afgeleid uit een verslag van een gerechterlijk vooronderzoek uit het jaar 1747 (Archief Huize Almelo inv. nr. 2932), daarbij treedt Lambert Waanders als getuige op en als zijn leeftijd wordt dan vermeld 62 jaar.
Notitie bij Maria Egberts: (bewoonde het Marrinerve, van Maria stamt vermoedelijk de bijnaam Marrin die haar nakomelingen op dit erf droegen, Ken uw dorp en heb het lief blz. 86).
Op 25 mei 1727 kopen Lambert Waanders en Maria Egberts Spijcker een "boonen goorden voor 145 caroli gulden gelegen aan de waterleijdick, van Rutger Berends voor sigh selff en van Jan Berendsen Hoffman en Jan Gerritsen als mombaeren over de drie onmondige kinderen van hun overledene moeder Grietien Klaassen". Ondertekenaars van de acte zijn Rutger Berends als verkoper en Jan Berens Hoff en Jan Gerrits als mombaeren. Allen ondertekenen met een kruisje. (bron acte uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70-ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
Notitie bij de geboorte van Maria Egberts: is in 1715 wellicht identiek aan getuige "Marrigjen Egberts" bij een incident in het huis van Pieter Harwig waar Jannes Balthasar de ramen had ingeslagen. Zij verklaart dan omtrent 51 jaar oud te zijn (bron: AHA inv. nr. 2932 foto 43). Dit zou betekenen dat ze dan rond 1666 geboren moeten zijn.
Notitie bij het huwelijk van Lambert en Maria Egberts: de ondertrouwregistratie luidt als volgt: "13 jun sijn alhier met attestatie des kerken reets aenmgecomen en gecopuleert. lambert Warners soone van Warner Herms en J.M: en Marie Egberts Spijker N.D. van Egbert Spijker beide op het Vrieseveen".

166. Gerrit Herms Spijcker (ook Klijster), geb. omstr. 1690, † Vriezenveen na 1757, tr. 2e Vriezenveen omstr. 1717 Hendrikje Jansen, ged. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. na 1749,32 dr. van Jan Claassen Olde; tr. 1e omstr. 1715
167. Eefse Berends, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen omstr. 1718, tr. 1e Gerrit Braamhaar, geb. Vriezenveen omstr. 1685, † ald. vr 1715.

Notitie bij Gerrit Herms: waard.
Bewoonde een erf op het puntje van het Westeinde, in de buurt van nr. 560 (huidige nummering). Waard (herbergier), mogelijk samen met zijn broer Lambert die ook waard was. Met de volkstelling van 1748 wonen de gezinnen echter een aardig eindje uit elkaar op het Westeinde. Eerder, zo rond 1720, komt Gerrit Hermsen Klijster voor in het boterpachtregister aan het Oosteinde (in de buurt van nummer 100-150). Het kleine akkertje land dat hij vanaf ca. 1719 bezat kwam waarschijnlijk uit de boedel van zijn 1e vrouws ouders (Eefse Berends). In het verpondingsregsiter van 1723 staat "Garrit Harms" nog vermeld aan het Oosteinde, echter in het verpondingsregister van 1734 staat hij als "klijster gerriet" aan het puntje van het Westeinde vermeld. Hij moet dus tussen 1723 en 1734 zijn verhuisd. Dit zal te maken hebben met het faillissement van Gerrit Klijster in 1726 (zie hierna).
In het verpondingsregister van 1719 staat Gerrit Herms Klijster noig vermeld op het ouderlijk erf aan het Westeinde, iets westelijk van het Richtersland.

Met de volkstelling van 1748 staat het echtpaar Gerrit Spijker en Henderikje Jansen genoemd, inwonend zijn dan Harmen Spijker en schoondochter Aeltien Derksen [Smit].
In het hoofdgeldregister van 1753 wordt "garryt Spyker" genoemd, hij wordt aangeslagen voor 4 personen en moet 1,50 betalen. ca. 38 cent p.p. en daarmee ongeveer gemiddeld (39 cent p.p.). In 1760 staat zoon Hermen Spieker in het hoofgeldregister genoemd, hij wordt dan aangeslagen voor 3 personen. Vader Gerrit zal dan zijn overleden. De aanslag bedraagt dan 1 gulden.

In het register van de 1.000e penning uit 1751 staat Gerrit vermeld met een geschat vermogen van 100 gulden. Dat was weinig.

Volgens het archief Jansen/Jonker is Gerrit Herms Spijker de zoon van Hermen Clijster of Klijster en Geesje Jansen.

Op 11-10-1721 daagt de koopman Jan Waanders uit Almelo Gerrit Herms Klijster voor het gericht vanwege een achterstallige schuld van 23 gulden en 6 stuivers vanwege geleverde winkelwaren en linnen (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.23).

In 1721 speelt er voor het schoutengericht een zaak over 2 obligaties die uit 1690 dateren en waarvoor Gerrit Herms en Berend Leussink, beide schoonzoons van Jan Claassen Olde die de obligaties heeft ondertekend, worden aangesproken door Jan Jansen Geerts, volmachtiger van zijn zwager Derk Engberts en zijn zwagerse Jennigje Gerritsen wed. van wijlen Jan Gerritsen Grave (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.23).

Op 18 mei 1726 daagt Otto Pil Lambert Harmsen Klijster voor het schoutengericht vanwege 7 gulden 5 stuivers door comparants huisvrouw aan haar broer geleend geld (Bron: Sch. Ambt Vriezenveen inv. nr. 24 foto 269). Otto en zijn vrouw waren net al hun bezittingen kwijtgeraakt vanwege een faillisement.

3 juni 1726 Beklaagde Gerrit Harmsen Clijster, Verbod om goederen en bezittingen aan de boedel te ontrekken in verband met lopende schulden. Schout mag niet meewerken aan transportakten totdat de schuldeisers schadeloos zijn gesteld. (requesten Almelo-Vriezenveen AHA inv. nr. 2964).

Op 25-05-1726 verklaren Gerrit Herms Klijster en zijn echtgenote Hendrikje Jansen 242 gulden schuldig te zijn aan Claas Cruis en Geertje Lucas Schol. Hiertoe verhypothiceren ze land en erf, oa ook een gaarden gelegen achter de Spijckersgaarden!(bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.2674).

3 juni 1726 beklaagde Gerrit Harmsen Clijster, Verbod om goederen en bezittingen aan de boedel te ontrekken in verband met lopende schulden. Schout mag niet meewerken aan transportakten totdat de schuldeisers schadeloos zijn gesteld (bron: Archief Huize Almelo inv. nr. 2964).

6 juli 1726 Jan Gerrits de Ruijter doet verpanding op de goederen van Gerrit Harmsen Klijster vanwege schulden (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.25 foto 294).

7-12-1726 overzicht schuldeisers boedel Gerrit Harmsen Klijster en Hendrikje Jansen, 3 maart 1717 maagscheiding: tbv Eesse Gerritsen, momber van het onmondige kind is Egbert Harms x Fenneken Berends. Jan Gerritsen de Ruijter 44 guldens 13 stuivers, procurator Harwig 26 gulden 10 stuivers, obligatie van 140 guldens van de huisvrouw van Gerrit Harms Klijster aan Aaltje Geerts en aan achterstallige rente hierover 44 guldens 12 stuivers; de schout Klaas Kruis heeft tegoed volgens verzegeling van 25 mei 1726 242 guldens en lopende intrest over dit bedrag; de kerkmeesters van Vriezenveen wegens de armen hebben tegoed een bedrag van 115 gulden en vanwege verlopen intrest 5 guldens 12 stuivers; nog geeft de schout aan een tegoed vanwege achterstallige Herenlasten over 1724: 14 guldens 5 stuivers en 14 penningen en over 1725: 13 gulden en 14 penningen, het jaar 1726 is nog niet uitgezet, maar bedraagt 13 guldens; Jan Brouwer geeft aan dat hij een bedrag van 10 gulden 5 stuivers en 4 penningen tegoed heeft vanwege geleverde winkelwaren. Nog geeft Jan Brouwer een bedrag voor zijn zoon aan [bedrag niet vermeld] Gerrit Faijer geeft aan dat hem toekomt uit de boedel van Gerrit Harms Klijster ingevolge koopsakte van 17 maart 1726 van twee koeweiden een grasgaarden en een halve akker hoevenland; verschenen Fenneken Berends in absentie van haar man Egbert Harms als momber over het onmondige kind van Gerrit Harms met name Esse Gerritsen, het bedrag dat gemelde pupil tegoed heeft uit hoofde van maagscheiding tussen Gerrit Harms en de comperatinnen man op de 4e maart 1717 is opgericht en nader zal worden gespecificeert. De weduwe van Berend Winter geeft aan een obligatie ten laste van Gerrit Harms Klijster te bezitten ter waarde van 50 guldens. Berend Brouwer komt toe 13 guldens vanwege geleverde bieren

7-12-1726 overzicht schuldeisers boedel Gerrit Harmsen Klijster en Hendrikje Jansen: Jan Gerritsen de Ruijter 44 guldens 13 stuivers, procurator Harwig 26 gulden 10 stuivers, obligatie van 140 guldens van de huisvrouw van Gerrit Harms Klijster aan Aaltje Geerts en aan achterstallige rente hierover 44 guldens 12 stuivers; de schout Klaas Kruis heeft tegoed volgens verzegeling van 25 mei 1726 242 guldens en lopende intrest over dit bedrag; de kerkmeesters van Vriezenveen wegens de armen hebben tegoed een bedrag van 115 gulden en vanwege verlopen intrest 5 guldens 12 stuivers; nog geeft de schout aan een tegoed vanwege achterstallige Herenlasten over 1724: 14 guldens 5 stuivers en 14 penningen en over 1725: 13 gulden en 14 penningen, het jaar 1726 is nog niet uitgezet, maar bedraagt 13 guldens; Jan Brouwer geeft aan dat hij een bedrag van 10 gulden 5 stuivers en 4 penningen tegoed heeft vanwege geleverde winkelwaren. Nog geeft Jan Brouwer een bedrag voor zijn zoon aan [bedrag niet vermeld] Gerrit Faijer geeft aan dat hem toekomt uit de boedel van Gerrit Harms Klijster ingevolge koopsakte van 17 maart 1726 van twee koeweiden een grasgaarden en een halve akker hoevenland; verschenen Fenneken Berends in absentie van haar man Egbert Harms als momber over het onmondige kind van Gerrit Harms met name Esse Gerritsen, het bedrag dat gemelde pupil tegoed heeft uit hoofde van maagscheiding tussen Gerrit Harms en de comperatinnen man op de 4e maart 1717 is opgericht en nader zal worden gespecificeert. De weduwe van Berend Winter geeft aan een obligatie ten laste van Gerrit Harms Klijster te bezitten ter waarde van 50 guldens. Berend Brouwer komt toe 13 guldens vanwege geleverde bieren (bron: Scha vrv inv.nr. 25 20081230c_390-392).

idem 7-12-1726 publieke verkoop goederen Gerrit Harmsen Klijster voor 880 gulden aan proc. Nicolaas Harwig: een huis met plaats en land en zijn aandeel van de brink, een perceel bouw gaarden, beginnend van het hek tot aan Berend Leussink dwarssloot met omtrent 2 wanden bouwland en "anpart van den opslag", 3 goordens gelegen in de landerijen van wijlen Jan Klaassen Olde en nog twee koeweinden ’de ene gelegen in het land van wijlen Jan Klaassen Olde en het andere in de landerijen van wijlen Luicas Braamhaar en nog een vierendeel akker woestenland in Boomtiesland gelegen. Nog omtrent een halve akker hoevenland en enig hooiland in Woltersbroek gelegen, alles alhier op Vriesenveen (bron: Scha vrv inv.nr. 25 20081230c_390-392).

Volgens het breukregister beklaagt Gerrit Klijster zich op 28 juli 1731 bij de schout dat hij getuige is geweest van een ruzie tussen Arent Doode en Hinnenvents zoon Janman. Ook op 25 september 1731 beklaagt Gerrit zich bij de schout over een ruzie in zijn huis.
Op 31 mei 1733 beklaagt Gerrit Harms Cliester zich bij de schout over een ruzie in zijn kroeg. Hierbij staat vermeld dat hij waard was (bron: AHA inv.nr. 3241). Op 12-11-1742 staat hij als Gerrit Spiker in het breukregister genoemd als de aangever van een ruzie in zijn huis tussen Hindrik Quant en Egbert Berents (bron: AHA inv.nr. 3242).
In een akte van 1733 (Archief Huize Almelo inventarisnr. 2957) wordt een zekere "Gerrit Harmes" genoemd als als n van de zeventien Vriezenveense herbergiers waar de alcoholist Gerrit Jonckman schulden uit had staan.

In 1737 wordt Gerrit Harmsen Klijster aangeklaagd voor het ontvreemden van stro van het dak van het afgebroken huis van Fluitjans. Gerrit beweerde echter het stro voor 10 stuivers gekocht te hebben van de vorige bewoonster (AHA inv.3211 nr. 034).

15-3-1749 Compareren voor het schoutengericht Berent Spijker als pachter van de impost op brandewijn en zijn mede hiertoe aangestelde deelnemers (inners?) van deze impost in de stad en de Heerlijkheid Almelo en Vriezenveen, te weten Gerhardus Rhee en Harmen Spijker. Zij hebben doen dagvaarden de tappers Gerrit en Harmen Spijker en hun huisvrouwen en Henrikus Pauwels ten einde impost op brandewijn en gebrande wateren te verhalen. Er is sprake van indispositie (ongezondheid, ziekte) van de vrouw van Herman Spijker, waardoor zij niet voor het gericht kan verschijnen. (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 20081230e_081).

Op 20 december 1755 is Gerrit Hermes getuige in een proces van Albert Santboer contra diens schoonzuster Armke Frericks (bron: AHA inv. nr. 3082).

Op 25-01-1757 wordt Gerrit Harms Spijker nog genoemd in het breukregister in verband met een ruzie in zijn woning, waarbij Jan Gerritsen Vleege het middelpunt geweest schijnt te zijn. Veel anderen waren bij de ruzie betrokken (bron: AHA inv. nr. 3242).

In 1761 nog vermeld in het belastingregister van kerspellasten. In 1762 staat Hermen Spiker als hoofdbewoner van het erf vermeld.
Notitie bij het overlijden van Gerrit Herms: In 1761 nog vermeld in het belastingregister van kerspellasten.
Notitie bij Eefse: betaalt een deel van de boterpacht in 1719. Na 1719 komt de boterpacht van het voormalige erf van Berent Frerix Schoemaker (gelegen aan het Westeinde 260) op naam van Gerrit Hermse Klijster aan het Oosteinde (in de buurt van nr. 130).
Notitie bij de geboorte van Eefse: Eefse Berends isl volgens mij de dochter uit het tweede huwelijk van Berent Frerix Schoemaker met Hendrikjen Fronten; het was een veel voorkomend gebruik de eerdere echtgenote na een overlijden te vernoemen. Hoewel dat niet altijd gebeurde denk ik dat dat hier wel zo is. Anderzijds is het wel zo dat de dochter van Eefse Berends ook Eefse heet en dat zou er ook op kunnen duiden dat zij vernoemd is naar haar grootmoeder Eefse Jansen. In dat geval is de moeder van Eefse dus niet Hendrikjen Fronten, maar Eefse Jansen. Voor beide opties valt wel iets te zeggen.

168. Jan Coerts Bom, ged. Wierden 11 okt. 1722, † Almelo (?) na 1773,33 tr. Vriezenveen 9 sept. 174234
169. Geertje Jansen Bom, ged. Vriezenveen 25 nov. 1708,35 † Almelo (?) na 1764.

Notitie bij Jan Coerts: Heeft de naam Bom van zijn vrouw overgenomen, trouwde bij haar in. Wordt voor het eerst in het hoofdgeldkohier van 1745 vermeld. Wordt ook wel met de familienaam Bom aangesproken.
Woonde aan het Westeinde 85 (huidige nummering) in de buurt van de kerk.

De familie had in 1751 volgens het register van de 1.000e penning (Statenarchief inv. nr. 5656) een schamel vermogen van 100 gulden. Ook een zekere Jan Hendriks Bom (alias Voskamp), die naast de familie woonde en ook wel de familienaam Bom en/of Boom droeg en gehuwd was met Swenneken Bom, wordt op een vermogen van 100 gulden ingeschat. Er was sprake van dubbele bewoning van het pand, zie ook Ken uw dorp en heb het lief, blz. 185).
Jan Coerts woonde in 1766 te Almelo (dit staat vermeld in de trouwakte bij huwelijk van zijn zoon).

19-06-1751 Compareren voor het schoutengericht Jan Koors en Geertje Jansen Bom verklaren dat de koe die ze aan Jan Jansen hebben verkocht altijd gezond is geweest. Volgens Jan Jansen was er sprake van een verborgen gebrek (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 202, 203).



Op 15-07-1758 akte van transport: Jan Koersen en Geertje Jansen Bom kochten een gaarden, gelegen in het Jan Doddenland. deze koop heeft in 1756 plaatsgevonden.
(Bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

akte van transport 11-05-1764 verkoop door Waander Wichers en Jenneken Harwig een halve akker hooiland aan Jan Koers en Geertjen Jansen Bom voor 132 car. guldens (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676)

akte van transport 06-10-1764 verkoop door Hermannus Gerrits en Janna van Olde van een koeweide, door hen aangekocht van Jan en Lambertus ten Caate, gelegen in het Albert Raphuisland, aan Jan Koers en Geertjen Jansen Bom voor 90 car. guldens (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676)
Notitie bij het huwelijk van Jan Coerts en Geertje Jansen: in het huwelijksregister van Almnelo staat vermeld getrouwd in Vriezenveen met attestatie van Vriezenveen. Jan Koertsen geboren te Wierden, wonende te Almelo en Geertje Jansen nagelaten dochter van Jan Harmense van Vriezenveen.

170. Gerrit Hendriks ten Cate (Roskammer), ged. Vriezenveen 11 okt. 1715, † ald. vr 1760, tr. omstr. 1737
171. Aeltien Jansen Dodde, ged. Vriezenveen 23 aug. 1705, † ald. na 1760.

Notitie bij Gerrit Hendriks: kocht in 1736 van een familielid het zogenaamde Drostenerve, Westeinde 458 (huidige nummering). het was een tweeakkerstuk. (Bron: Ken uw dorp etc. blz.237). daarnaast bezat Gerrit ook nog 1/4 akkere woestenland (Bron boterpoachtregister van ca. 1735). In het dagelijks leven stond hij bekend onder de naam Roskammer. Dit blijkt uit de toevoeging in het boterpachtregister, waar o.a.in 1735 staat "vulgo Roskammer". Een roskammer is iemand die het haar van de paarden kamt. Ook in andere jaren staat hij in de boterpachtregisters aangeduid als Roskammer. In het boterpachtregister van 1763 wordt Gerrit ten Cate of Roskammer nog genoemd, terwijl hij toen, gezien de informatie van de hoofdgeldkohieren, toch overleden moet zijn.

Tijdens de volkstelling van 1748 heeft het gezin 4 kinderen onder de 10 jaar, te weten, Hendrik, Jan, Aeltjen en Jenneken.
In het hoofdgeldkohier van 1753 wordt "garryt ten kaete" aangeslagen voor 85 cent (2 personen), dat is ruim 42 cent p.p. (gemiddeld in Vriezenveen dat jaar was 39 cent p.p.).
In 1760 wordt de weduwe van Gerrit inzake het hoofdgeld voor 2 personen aangeslagen en dan bedraagt de belasting 90 cent. Met 45 cent p.p. ligt het gezin boven het gemiddelde van 39 cent per Vriezenvener.

In het register op de 1.000e penning van 1751 wordt het vermogen van Gerrit ten Cate geschat op 200 gulden (eerst stond er 600 gulden, maar dat is doorgehaald). Daarmee was zijn vermogen toch aardig gekrompen, want in hetzelfde register van 1739 staat hij nog voor 500 gulden te boek.

Op 04-03-1741 verkopen Garrit ten Cate en Aeltjen Jansen Dodde een halve akker woestenland, gelegen op de Westerwoesten voor 140 car. guldens aan Hendrik Evertman en Geesje Jansen Smid (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Op 19-09-1744 verkopen Gerrit ten Caate en Aaltjen Jansen Dodde een aantal stukken land voor 226 car. guldens aan Jan Jansen Graaff en huisvrouw.(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Op 30-07-1757 verklaren Gerrit Hendriks ten Caate en Aaltjen Jansen Dodde een som van 600 car. guldens geleend te hebben van Willem Gerrits van Dijck en zijn huisvrouw.(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

172. Jan Roelofs Schuurman, geb. omstr. 1670, † Vriezenveen vr 1735, tr. Vriezenveen omstr. 1702
173. Trientje Derks Scholten, geb. omstr. 1675, † Vriezenveen na 1712, tr. 1e Vriezenveen 5 maart 1699 Wolter Hendriks Crol, geb. Vriezenveen omstr. 1665, † Vriezenveen (?) omstr. 1700, zn. van Hendrik Aelberts Crull (Schults) (zie 4042) en Aaltje Crols (zie 4043) en wedr. van Geertjen Jaspers.

Notitie bij Jan Roelofs: Wordt in 1734 nog in het boterpachtregister over 1733 genoemd. Woont op dezelfde lokatie als later zijn zoon Egbert aan het Westeinde (in de buurt van nummer 380). Heeft 4 1/2 akker land. Wordt vanaf 1704 in de boterpachtregisters vermeld als opvolger van zijn vader Roelof Hendrix Schuurman. Ook wel Dokter genaamd (bron: archief Kruijs).

Op 16-07-1707 kopen Jan Roelofs Schuirman en Trintjen Derks 2 akkers land, beginnend aan de Waterleidijk tot aan de dijk van Jan Roelofs Broer (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.2673).
(copyright Erik Berkhof, Onweersberkhof.com)

174. Hendrik Arendsen Hupsen, ged. Vriezenveen 3 mei 1716, † ald. omstr. 1789, tr.
175. Grietjen Harmsen Schothorst, ged. Vriezenveen 16 okt. 1701, †?.

Notitie bij Hendrik Arendsen: landbouwer Oosteinde 246-248 (huidige nummering) (beroep genoemd bij overlijden dochter Hermine in 1811).
wordt echter niet in de boterpachtregisters genoemd. Hij zal waarschijnlijk eerder landarbeider zijn geweest. In 1753 in het hoofdgeldkohier heet hij "den Hopken" en wordt hij aangeslagen voor een klein bedrag van 4 (stuivers?). Na 1753 staat hij niet meer in het hoofdgeldkohier op deze locatie genoemd. Mogelijk was hij te arm om nog genoemd te worden. Ook in het belastingregister op het geslacht wordt hij niet genoemd (1738-1741), dan wel niet aangeslagen, evenals trouwens zijn arme broers Koobus (Koop) en Claas, die in hetzelfde buurtje wonen. In het belastingregister op het geslacht staat hij vermeld als "het hupse".
Het huis(je) dat het gezin bewoonde zal van vader (Arent Nip) zijn geweest, hij staat in het verpondings en contributie belastingregister uit 1723 op ongeveer dezelfde locatie vermeld als later Hendrik Arentsen Hupsen.

In 1741 staat de weduwe Broers in het vuurstedengeldregister, 1740 weduwe Broer. In het vuurstedengeldregister van 1734 staat Albart Bruer vermeld. In 1742 staat de naam van Henrik Arents vermeld.


Herman Jansen schrijft over de Hupsen in Ken uw dorp en heb het lief, blz.129. Wie deze de Hupsen eigenlijk was, waar hij vandaan kwam en waar deze familie is gebleven konden wij niet opsporen. De familie is later weer van het dorp verdwenen. In 1789 werd het huis gekocht door Albert Jansen Majoor. (overigens was deze Albert Majoor een schoonzoon van Henrik Arentsen Hupsen, hij trouwde 29-3-1783 met Harmina Hendriks d.v. Hendrik Arends). (NB de koopakte uit 1789 kan mogelijk meer duidelijkheid verschaffen (!) over de familierelatie met Jenneken Hendriks, getrouwd met Egbert Schuurman.] De naam Hendrik gecombineerd met Arend komt bovendien ook in de familie Schuurman voor.
Notitie bij Grietjen Harmsen: Alle kinderen van Hermen Schothorst staan vermeld in het Rekenboek van de Diaconie als personen die ondersteuning kregen. Schot Venne, Schot Griete, Schot Janna en Schot Wolter worden bijvoorbeeld alle 4 genoemd in het jaar 1740. De familie was dus zeer armlastig en behoorde tot de onderklasse van Vriezenveen.

176. Jannes Berends Holland(er), ged. Vriezenveen 6 juni 1729, † na 1795, tr. 1e Vriezenveen 23 juli 1753 Janna Jansen Grobben, ged. Vriezenveen 15 april 1731, † ald. vr 1762; tr. 2e 24 april 1762
177. Hendrikjen Wolters Koster, ged. Vriezenveen 24 mei 1733, † ald. na 1802.

Notitie bij Jannes Berends: landbouwer. Bewoonde het erf Westeinde 348 (huidige nummering) welk erf hij door zijn huwelijk met Janna Grobben had verworven (Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 218). Het erf bestaat uit 2 1/2 akker (boterpachtregister 1763). In 1737 is het erf eigendom van Otto Jansen. Dit is de stiefvader van Janna Grobben. Het erf kwam oorspronkelijk van deze stieffamilie, in 1729 is de vader van Otto Jansen, genaamd Jan Otten eigenaar van het erf. Wordt bij de volkstelling van 1795 als gezinshoofd genoemd van 4 personen, is geregistreerd als daghuurder (arbeider)van beroep. Het erf wordt in 1802 verkocht door de weduwe Jannes Holland aan de familie Nollen.

Jannes wordt in het hoofdgeldkohier van 1760 aangeslagen voor 3 personen en moet hiervoor 1,50 betalen, dat is 50 cent per persoon en dat is boven het gemiddelde van 0,39 per persoon in Vriezenveen.

In het register van de 1.000e penning van 1758 wordt het vermogen van Jannes geschat op 600 gulden.

-Op 20-12-1755 verkopen Jannes Berends [Holland] en Janna Jansen [Grobben] een halve akker hooiland, beginnend bij de Oudeweg tot aan de Aa (of dijk) voor 150 car. guldens aan Jannes Lukas.
-Op 28-12-1755 wordt een transportacte opgemaakt van een eerder plaatsgevonden (10-03-1754?) verkoop voor 200 car. guldens van 2 dagwerk hooiland aan Jennigjen Hendriks wed. van Berent Smelt.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675)

-25-07-1767 schuldverklaring voor de som van 375 car. guldens van Jannes Berents Hollander en Henderikjen Wolters aan schout Jan Hend. Dikkers vanwege achterstallige landsmiddelen, geleend geld alsmede vanwege geleverde bieren.(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677)
-02-10-1773 schuldverklaring van Jannes Berents Hollander en Henderikjen Wolters aan Jan de Graeff 250 gulden, henderik Arentsen 250 gulden en Gerrit Bramer 250 gulden (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

In 1780 is het huis van Jannes Hollander, naast de huizen van Hendrik Leenders (waar de brand was begoinnen), Berent Lucas, Hendrik ten Cate en Hans van Uijtert door brand verwoest (bron: archief fam Kruijs, NIMH collectienummer 053: inv. nr. 16).

178. Albert Jansen Scheeper, ged. Vriezenveen 24 jan. 1717, † ald. omstr. 1790, tr. 1e Aaltje Jansen, † Vriezenveen vr 1753; tr. 2e Vriezenveen 16 febr. 1762
179. Stientjen Hendriks Coes, ged. Vriezenveen 11 jan. 1733, † ald. na 1775.

Notitie bij Albert Jansen: Heeft een erf ergens in het midden van het Oosteinde (in de buurt van nummer 251). Dit erf heeft hij van zijn vader overgenomen. In het boterpachtregister van 1763 genoemd als Albert Jansen Scheeper. Heeft 1 1/2 akker land volgens het boterpachtregister. Komt in de belastingkohieren met name onder de naam Jansen voor. Wordt in het hoofdgeldkohier van 1752 genoemd en wordt dan aangeslagen voor 3 personen en moet 1,25 betalen. Dit is bijna 0,42 per persoon. Daarmee betaalde hij iets meer dan de gemiddelde Vriezenvener (0,39). In het register van de 1.000e penning uit 1751 wordt Albert Jansen Scheeper aangeslagen voor een vermogen van 600 gulden en nog een aanvullende toeslag voor personeel van 100 gulden.
In 1760 wordt Albert eveneens voor 3 personen aangeslagen, dan is de aanslag echter 1,50 en met 0,50 per persoon ligt de aanslag behoorlijk boven het gemiddelde van 0,39 p.p. in dat jaar voor Vriezenveen. Albert Jansen wordt nog genoemd in het dienstbodengeldkohier van 1790, wordt dan echter niet aangeslagen. Zal rond dat jaar ook zijn overleden. In het volkstellingregister van 1795 kom ik hem niet meer tegen. Wordt in het volkstellingregister van 1748 genoemd als enig thuiswonend kind van Jan Ueben en Grietjen Jansen.

-20-01-1791 transportakte verkoop door de voogden van de minderjarige kinderen van Albert Jansen Scheeper (Gerrit Hospes en Albert Harmsen), Jan Otten Holland en echtgenote Aaltien Albers verkopen landerijen van wijlen Albert Jansen Scheeper voor 526 gulden aan Jan Fikkert en zijn echtgenote [Geertjen Berkhof]. (archief schoutambt Vriezenveen inv.nr. 2680).
-20-01-1791 transportakte verkoop halve huis van wijlen Albert Jansen Scheeper aan Albert Jansen voor 185 gulden.
(archief schoutambt Vriezenveen inv.nr. 2680).
-Akte van transport 02-02-1795 aankoop voor 558 gulden door Gerrit Geerlinks van het [andere halve?] huis van wijlen Albert Jansen Scheper met de halve bank en 5 wand bouwland exclusief 5 bomen, die Jan Coster toebehoren. De verkoop geschiedt door de voogden van de minderjarige kinderen van wijlen Albert Jansen Scheper en Jan Otten Hollend en zijn vrouw Aaltje Alberts Scheper (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2680).

register 50e penning (Statenarchief Overijssel inv. nr. 2668):
-09-05-1794 verkoop van twee gaardens door de mombaren over de kinderen van wijlen Albert Jansen Scheeper aan Lucas Jansen voor 53 gulden.
-10-05-1794 verkoop van een half huis met landerijen door de mombaren van wijlen Albert Jansen Scheeper aan Gerrit Geerlinks voor 558 gulden.
-15-05-1794 verkoop van een gaarden door de mombaren van de kinderen van wijlen Albert Jansen Scheeper aan Albert Jansen [Majoor] voor 30 gulden.


Op 2 december 1790 verklaren Albert Jansen [Majoor] en Hermine Hendriks 150 gulden schuldig te zijn aan Fredrik Hendriks en Kunnetjen Berkhof onder hypotheek van het halve huis (de westkant) en erf en landerijen van wijlen Albert jansen Scheeper, tegen een rente van 4 gulden 10 stuivers. (bron archief schoutambt Vriezenveen inv.nr. 2680 foto 495).
Notitie bij Stientjen Hendriks: bij het huwelijk wordt vermeld dat ze (Stientje Hendriks) van alhier is (dwz Vriezenveen)
is een onwettig kind, bij de doop staat vermeld: Moeder Hendrijkjen Berents. "Sijnde dit haer tweede onegte kint. Haer vader Berent Otten heeft als getuijge gestaen." In 1748 is ze onder de naam Stijntjen Coes dienstbode bij het echtpaar Henr. Arentsen en Geertruijt Cruis. Stientje trouwt onder de naam Hendriks en haar vader wordt in de huwelijksregistratie doodgezwegen, datzelfde gebeurt bij zuster Woltertje (ook onecht kind) , ook zij huwt onder de naam Hendriks en ook hier wordt de vader verzwegen (huwelijk 15-9-1753).Zuster Woltertje (eveneens een onwettig kind) is bij de volkstelling van 1748 in betrekking als dienstbode bij een voorname familie (Jan Gerritsen Bramer).
Andr Idzinga schrijft over de hele affaire het volgende:" De oudst bekende bewoner van de Peddemorsboederij is ene Berent Gerrijtsen Kuijper. Hij zal omstreeks 1682 de boerderij betrokken hebben, na zijn huwelijk met de Vriezenveense Aaltjen Janssen Scholten."
Omstreeks 1721 huwt hun dochter Jenneken met Wolter Hans van Uijtert. Het huwelijk wordt rijkelijk gezegend met 8 kinderen, maar voor Wolter blijft het daar niet bij. Hij speelt veelvuldig overspel en krijgt nog eens 3 kinderen bij zijn aangehuwde nicht Henrikjen Otten en ook nog een dochter bij de meid Metjen Hendriks.
Henrikjen Otten wordt in 1736 wegens ’ergerlijk leven en vleselijck conversatien sedert verscheijde jaren herwaarts met seckere getrouwde mans gepleegt’ voor het leven uit de Heerlijkheid Almelo en de provincie Overijssel verbannen. Er zijn diverse stukken over haar in het archief van Huize Almelo te vinden.
Notitie bij het huwelijk van Albert Jansen en Stientjen Hendriks: Albert Jansen huwt als weduwnaar van Aeltjen Jansen met Stientjen Hendriks.

180. Berend Engberts, ged. Vriezenveen 19 juli 1720, † ald. vr 1779, tr. Vriezenveen 31 aug. 1754
181. Fennigjen Gerrits Costers, ged. Vriezenveen 12 maart 1723, † ald. na 18 april 1794.36

Notitie bij Berend: Berend bewoont het ouderlijk erf inde buurt van het Oosteinde 85 (huidige nummering), waar zijn zoon in 1800 een pand koopt, (zie notities zoon Engbert).
Het erf omvatte volgens het boterpachtregister van 1764 4 1/2 akkers, een aardige omvang voor die tijd.

Inzake het hoofdgeld wordt Berend in 1760 aangeslagen voor 3 personen en moet hij 1,40 betalen, een meer dan gemiddeld bedrag (dat lag in 1760 op 39 cent p.p.). Inzake het register van de 1.000e penning uit 1758 wordt het vermogen van Berend gesteld op 713 gulden (inv. nr. 2559 Statenarchief).

In 1779 is hij overleden, want dan wordt in het hoofdgeldkohier de weduwe B. Engbers vermeld.

op 4 mei 1765 verkopen de erfgenamen van de weduwe van Jan Gerritsen Smelt, met name Jan Jonkman, Berent Engbers, Hindrikjen Gerrits Smelt en Jan Roelofsen, mede voor de overige kinderen en erfgenamen van de weduwe Jan Gerritsen Smelt een halve akker hooiland gelegen in het Eubenland voor 140 guldens aan Lukas Derks (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676). Dit kan er op duiden dat de moeder Hendrikje Jansen eigenlijk Smelt moet hebben geheten van haar familienaam en een dochter moet zijn geweest van deze Jan Gerritsen Smelt.
Notitie bij Fennigjen Gerrits: Fennigje wordt nog vermeld in het dienstbodengeldkohier van 1782 als de weduwe B.Engbers.
Notitie bij de geboorte van Fennigjen Gerrits: gedoopt als Fennigjen dv Gerrit Lucas en Jennigjen Pauwls
Notitie bij het overlijden van Fennigjen Gerrits: Op 18-04-1794 wordt ze genoemd Fennigje Koster de moeder van Johannes Barends wonend te Vriezenveen, bij de ondertrouw van zoon Gerrit te Amsterdam in 1806 is ze overleden.

182. Jan Jansen, ged. Vriezenveen 10 jan. 1723, † ald. 1752, tr. Vriezenveen omstr. 1751
183. Janna Jansen Jonkman (ook Jongman), ged. Vriezenveen 15 jan. 1730, † ald. na 1784, tr. 2e Vriezenveen 13 jan. 1758 Gerrit Gerritsen Fleege, geb. omstr. 1730, † Vriezenveen omstr. 1764, zn. van Gerrit Jansen Fleege (Fluge, Vlege, Vleege) en Geesjen Jansen Smelt.

Notitie bij Jan: mogelijk tijdens de volkstelling van 1748 identiek aan de hulp op de boerderij van de wed. Jan Berkhof. Dit was een buurvrouw van de familie Jonkman.
Jan Jansen sterft al jeugdig en maakt al op 22-5-1752 zijn testament op. Hij is dan " enigszins swack van lichaam".
Hij stelt dat zijn vader een legitieme portie krijgt als hij zonder kinderen komt te overlijden, dit was niet het geval, want in december wordt dochter Janna gedoopt, het is een testament op de langstlevende. Janna’s ouders genaamd Jan Jansen Jonkman en Jenneken Jansen Smelt komt hun legitieme erfdeel toe. Testator doet hetzelfde voor zijn vader Jan Freriks. De armen worden bedacht met 20 guldens. Door de langstlevende uit te keren na het overlijden van de eerste der huwelijkspartners. Beiden ondertekenen het testament met hun handtekening. (zie archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij de geboorte van Janna Jansen: gedoopt als Janna dv Jan Jansen Jongman en Jenneken Jansen.
Notitie bij het overlijden van Janna Jansen: de weduwe Gerrit Gerrits wordt nog genoemd in het vuurstedengeldregister van 1784, in 1785 staat vermeld [schoonzoon] Engbert Berends.

184. Pieter Peters, ged. Oosterwolde (Frl.) 5 okt. 1727, † ald. vr 6 mei 1786, tr. omstr. 1754
185. Trientje Jelkes van Eyck, geb. Rottevalle (Frl.) 22 febr. 1734, ged. Oosterwolde (Frl.) 6 mei 1774, † Marssum (Frl.) 16 nov. 1809.

Notitie bij Pieter: Ook wel Peter Peters. Te Oosterwolde koopman, winkelier (hij wordt als winkelier genoemd in de overlijdensacte van zijn zoon Wieger van Eyck in 1820 te Joure, deze was notaris en Ontvanger der Directe Belastingen).


Op 14 maart 1769 is Peter Peters 100 car. guldens schuldig aan de Execut. J. Schurer, waarvan hij 42 guldens direct betaalt en 58 guldens binnen 6 weken moet betalen op straffe van betaling van onkosten (bron: recesboek Oostellingwerf).

In de hypotheekkohieren van Oostellingwerf komt Pieter Pieters een aantal keren voor. Zo is er een overzicht van crediteuren (schuldeisers) op 20-3-1773, hij staat vermeld als "Coopman" te Oosterwolde. Hij is geld verschuldigd aan 9 personen, meest kooplieden in de omgeving, Gorredijk, Heerenveen en Drachten; het gaat om een heel bedrag, nl. zon 1500 guldens. Waarschijnlijk waren het kooplieden die winkelwaren aan Pieter Pieters hadden geleverd. Of hij hierdoor in de problemen is gekomen, wie zal het zeggen.

Pieter Pieters verklaart schuldig te zijn aan de diaconie van Oosterwolde 4 car. guldens landhuurpacht voor de jaren 1776 en 1777 (bron: recesboeken Oostellingwerf). Verder valt in de recesboeken te lezen dat een zekere Rinsjen Jans te Makkinga eist dat Pieter Pieters het door hem gehuurde hooiland verlaat met ingang van petri 1778.

Op 12-3-1778 moet het echtpaar 175 car. guldens geld tegn 4 % rente lenen van hun zoon "Wijcher Pieters van Eijk", die dan " klerk van de Hoog edele A. van Boelensraadt in den Hove van Frieslandt" is, ongetwijfeld te Leeuwarden. Pieter Pieters ondertekent de schuldverklaring met zijn handtekening en Trientje met een kruisje. (NB de naam Pieter en Peter wordt in de schuldverklaring door elkaar gebruikt).
Op 6-5-1786 om 12 uur tekent Trientje Jelkes met een kruisje een nieuwe schuldbekentenis aan haar zoon, Wycher van Eyck. Het gaat dan om 175 caroli gulden, welke bedoeld zijn o.a. "ter betalinge der doodschulden van mijn wijlen man" -het betreft hier 60 caroli gulden- en een bedrag van 60 caroli gulden ter aflossing van achterstallige huur aan de heer Gosinjet.

Aanvankelijk dacht ik dat Pieter een zoon was van Pieter Jannes, meester timmerman en Pietertje Wiegers. Een doopdatum voor Pieter bij dit echtpaar is echter niet te vinden, terwijl er toch diverse kinderdopen van dit echtpaar bekend zijn (Johannes 1722, Wijger 1723, Jantje 1724, Teunis 1726, Jan 1730, Egbert 1733, Otte 1735 en 1737, Jantijn 1739 en Echbert 1743). Oene Wagenaar uit Mildam attendeerde me (mail 21-09-2007) op het ouderpaar Pieter Claeses en Martje Pieters, deze hadden wel een zoon Pieter en bovendien was ook Pieter Claeses, evenals zoon Pieter Pieters koopman, dus ook op dat punt zijn er overeenkomsten. Bovendien neemt Pieter Peters het pand over dat eerder door Peter Claas werd bewoond. Tenminste deze conclusie kan uit de belastingregisters worden getrokken. Daarom heb ik mijn gegevens inzake de voorouders van Pieter Pieters aangepast, met dank aan Oene Wagenaar.

Pieter Pieters (of Peter Peters) wordt genoemd in de rele belastingkohieren van Oostellingwerf vanaf 1768. In 1767 wordt de wed. Peter Claas (zijn moeder) nog genoemd als huurster op belastingnummer 23. Het pand ("huis en enig land") werd in 1766 nog verhuurd aan Peter Claas. Het huurbedrag bedraagt in deze tijd 24 gulden. Het belastingbedrag (5e penning, afgeleid van de huurwaarde) bedroeg dienovereenkomstig 4 gulden 7 stuivers en 4 penningen. Eigenaar van het pand waren de erven Jan Holtrup. Uit de recesboeken van Oosttellingwerf blijkt dat Pieter Pieters op 21-01-1777 gerechterlijk gedwongen werd door (nieuwe eigenaar?) Eijt Hinkes om zijn woning te verlaten (of is er nog een tweede Pieter Pieters in deze tijd?). Of dit verband hield met huurschulden blijkt niet uit de gerechtelijke stukken. In 1778 en 1779 staat als huurder van het pand vermeld de zoon van Peter Peters, genaamd Wijcher Peters. Het belastingnummer is dan veranderd van 23 in 81, de huur bedraagt dan nog steeds 24 gulden. In 1782 (belastingnummer 77) huurt Pieter een huis van geringere huurwaarde van G. Gasinjet voor 10 gulden op jaarbasis, de belasting hiervoor bedroeg 1 gulden 16 stuivers en 6 penningen (belasting van de 5 1/2 penning). In het kohier van 1786 staat een nieuwe huurder vermeld op dit adres, te weten Jannes Pieters, het patroniem is waarschijnlijk toeval en een familierelatie lijkt tussen Jannnes Peters en Peter Peters niet te bestaan. In elk geval is geen doop van Jannes bekend bij Peter Peters en Trientje Jelkes.
Notitie bij Trientje Jelkes: hoewel ik haar niet onder de naam van Eijck ben tegengekomen, heb ik haar deze naam voor de genealogische duidelijkheid toch gegeven om aan te geven dat de naam van Eijck van haar kant komt, zowel kinderen van haar als van haar broer Jan Jelkes nemen de naam van Eyck, of van Eyk, dan wel van Yk, of van Eik aan. Zo is de grootmoeder van de bekende Friese beeldhouwer Pier Pander afkomstig van deze van Eyck familie, die haar roots in de buurt van Drachten/Rottevalle heeft.

Trientje is volgens de doopakte geboren op Sint Pieter 1734 te Rottevalle als dochter van Jelke Jans en Hiltje Hendriks. Ze is gedoopt op 6-5-1774 te Oosterwolde (ze was toen 40 jaar oud en wordt een bejaarde vrouw genoemd!), eerst had ze op 4 mei van 1774, "na voorgaande onderwijs" nog beleidenis gedaan.

Ze verhuist 12-8-1786 volgens het attestatieboek van de hervormde kerk te Oosterwolde naar Dragten, waar ze tot 24-4-1789 verblijft. Op 1-5-1789 wordt ze als binnenkomend lidmaat te Marssum geregistreerd. Waarschijnlijk heeft ze haar kinderen Hiltje en Jelke dan bij zich. Wyger woont al te Marssum, hij staat als wonend te Marssum vermeld bij zijn huwelijk op 13-6-1782 te Leeuwarden met Metje Lammerts van Leeuwarden.
Ze is overleden op 16- 11- 1809 in het Poptagasthuis te Marssum.Het door Dr.Popta in 1712
gestichte gasthuis waarin behoeftige weduwen en alleenstaande oudere dames onbekommerd
hun oude dag konden doorbrengen,zie,. http://www.poptaslot.nl/

NB ook de kinderen van haar broer Jan Jelkes in Drachten noemen zich van Eyck. Pope Jans van Eik neemt bij de naamsaanneming onder Napoleon in 1812 officieel de naam van Eik aan. Nu is er van de familie van Eyck een wapen bekend. Het wapen wordt genoemd ivm Wopke Jans van Eyck, genoemd koloniste te Ommerschans , alwaar hij op 22-3-1825 overlijdt, hij is in 1766 gedoopt te Rottevalle. Zijn wapen wordt beschreven in het genealogische blad de Navorscher van 1938. Linker deel van het wapen een groen geplante eik op losse grond en het rechter wapendeel een doorsneden en verkort zilveren kruis op een achtergrond van 7 gedwarsbalkte zilveren strepen op een blauwe achtergrond.

186. Pieter Durcks Spanjer, ged. Beetgum (Frl.) 24 mei 1733, †? vr 1817, tr.
187. Attje Gerrits van der Wall, geb. omstr. 1737, † Baarderadeel 9 okt. 1819.

Notitie bij Pieter Durcks: Op 18-7-1818 overlijdt te Marssum Sybren Durcks Spanjer hij is koopman en 84 jaar oud en geboren te Beetgum. Dit is een broer van Pieter. Dit blijikt ook uit de memoires van succesie uit 1846 te Leeuwarden waarin Sybren Sybrens Spanjer, zoon van Sybren Durks Spanjer de volle neef wordt genoemd van Richtje Pieters Spanjer.


1834 Leeuwarden, notaris J. Albarda Hzn
Inv. nr. 078025 repertoire nr. 282 d.d. 27 augustus 1834
Inventaris
- Johannes Everts van Aisma, landbouwer te Beetgum als
voogd over de geinterdiceerde Sybren Sybrens Spanjer te
Marssum, voorheen koelmelker
- Jentje Jelles van Eyck, deurwaarder te Oosterwierum
(Notarieel Archief Friesland: www.Tresoar.nl)
Notitie bij Attje Gerrits: bij overlijden (akte Attje Gerrits zonder familienaam) staat vermeld dat ze 82 jaar was en weduwe. Namen van haar ouders staan niet in de overlijdensakte vermeld.

Hier volgen een aantal akten uit het notarieel archief van Friesland:
1819 Jorwerd, notaris J. Steenbeek
Inv. nr. 067001 repertoire nr. 108 d.d. 28 augustus 1819
Koopakte met kwitantie
Betreft de verkoop van een gedeelte van een veerschip
varende van Marssum op Leeuwarden, koopsom fl. 550
- Atje Gerrits van der Wal te Marssum, weduwe van Pieter
Durks als verkoper
- Wieger van Eyck, commies griffier te Sneek, gehuwd met
Janna van der Werf als koper
(notarieel archief Friesland: www.Tresoar.nl)

1818 * Leeuwarden, notaris J. D. Hanekamp van Harinxma
Inv. nr. 079010 repertoire nr. 29 d.d. 2 maart 1818
Obligatie
- Jelte van Eyck, deurwaarde te Jorwerd; kapitaal fl. 300
- Atje Gerrits te Marssum, weduwe van Pieter Dirks als
borg; kapitaal fl. 300
- Pieter Dirks, in leven gehuwd met Atje Gerrits;
borgstelling door zijn weduwe
- Daniel van Engelen, secretaris te Sneek; kapitaal fl. 300
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)

1817 * Leeuwarden, notaris J. D. Hanekamp van Harinxma
Inv. nr. 079010 repertoire nr. 73 d.d. 3 juni 1817
Procuratie
- Atje Gerrits te Marssum, weduwe van Pieter Durks
- Pieter Durks, in leven gehuwd met Atje Durks; betreft
procuratie door de weduwe
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)
Notitie bij het huwelijk van Pieter Durcks en Attje Gerrits: huwelijk niet traceerbaar

188. Engbert Lucas Hospes, ged. Vriezenveen 25 april 1723, † ald. omstr. 1787, tr. 1e omstr. 1747 Grietje Harmsen Schoemaker, ged. Vriezenveen 1716,37 †?; tr. 2e Vriezenveen 17 nov. 1764
189. Maria Hendriks Hoek, ged. Vriezenveen 14 okt. 1736, †? Vriezenveen na 1774.

Notitie bij Engbert Lucas: landbouwer en linnenkoopman (1777). Koopt in 1748 een boerderij met landerijen van de erven van Jan Engberts, ook bekend als het Hssieserf, huidige nummering Oosteinde 214; (Bron: Ken uw dorp etc. blz. 118).
In 1753 wordt Engbert inzake het hoofgeld aangeslagen voor 2 personen en moet hij 17 stuivers (0,85) betalen. Dit was ongeveer een gemiddelde aanslag. Er waren diversen die meer betaalden, maar ook velen die minder betaalden. Voor het Oosteinde was de gemiddelde aanslag per persoon (gebaseerd op eigen vermogen) ongeveer 0,40. Engbert zit daar net iets boven. Het gemiddelde per persoon voor heel Vriezenveen lag op 0,39. In 1760 betaald hij een gulden voor 2 personen, terwijl het gemiddelde voor Vriezenveen toen op 0,39 lag, met 0,50 zit hij daar dus ruim boven, kennelijk is het Engbert in deze jaren voor de wind gegaan, mogelijk door zijn huwelijk met Maria Hoek die van betere komaf was.
In het kohier van de 1.000e penning uit 1751 blijkt nog niet veel van de welstand van Engbert, zijn vermogen wordt dan geschat op 300 gulden. Het vermogen van de kinderen van Henrik Hoek, waaronder ook de dan nog ongetrouwde Maria, wordt in het kohier van 1751 op 705 gulden geschat.

Op 8 april 1765 maakt het echtpaar Hospers-Hoek een testament. Het is een langstlevende testament. De armen komt 25 gulden toe, door de langstlevende uit te keren van het overlijden van de eerste partner. Beiden ondertekenen het testament met hun handtekening (bron: archief schoutambt vriezenveen inv. nr. 2676).

-akte van transport 27-07-1769 aankoop van 2 grasgaardens door Engbert Lucas Hospes en zijn vrouw voor het bedrag van 135 gulden van Geertjen Jansen [Bramer] wed. van Gerrit Hendriks Coster (bron: archief schoutambt vriezenveen inv. nr. 2677).

-akte van transport 10-02-1776 verkoop door Engbert Luicas Hospes en Henricus Brink als voogden van Engberdina Jansen van een wand bouwland gelegen op Coert van Oldenland, gelegen naast het land van Bernardus Schoemaker voor 65 aan Bernardus Stok, meester schoenmaker alhier (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

-schuldverklaring 07-06-1777 van Engbert Luicas Hospes.
-aan de heer Gerrit Costers Gerritz. koopman te Almelo 251 gulden.
-aan de heer Egbert Coster 237 gulden.
-aan de heer G.H. Coster 322 gulden
de schulden vloeien voort uit aan comparant verkochte en geleverde linnens.
-aan Engberdina Jansen 50 gulden, vanwege geleend geld.
Notitie bij het overlijden van Engbert Lucas: Engbert Lucas wordt nog vermeld in het belastingregister van kerspellasten van 1787, bedrag nihil. (bron: AHA 2769). In het belastingregister op het geslacht van 1786 vermeld als En[g]bert Hospers
Notitie bij Maria Hendriks: met de volkstelling van 1748 staat de "kleijne meijt Marria Hoek " als inwonend bij Jan Feijer vermeld.

190. Mannus Eshuis, ged. Wierden 28 nov. 1745, † ald. sept. 1807,38 tr. 2e Wierden 29 mei 1791 Gesina Knoef, ged. Wierden 26 dec. 1751, † Wierden (?), dr. van Gerrit en Hendrina Hesselinck; tr. 1e Wierden 18 aug. 1771
191. Hendrine Derksen Schapink (ook Heerspink), geb. Marle (onder Wierden), ged. Hellendoorn 11 febr. 1742, † Wierden vr 1791.

Notitie bij Mannus: landbouwer te Wierden (bron: Huwelijkse bijlagen Vriezenveen 1812 akte nr. 10).
Notitie bij Hendrine Derksen: 5 oktober 1753 doet Hendrine Derksen van Wennemers belijdenis van het geloof te Hellendoorn.
Notitie bij de geboorte van Hendrine Derksen: Bij de doop op 11-2-1742 staat geen naam vermeld er is echter geen andere Hendrine Schapink in de doopboeken te vinden. Toch blijft het onzeker om Hendrine aan deze datum te linken. Geen van de kinderen van Hendrine heet Garritien.
gedoopt als NN kind van Derk Schapink op Wenmerink te Marle en Gerritjen Hendriks Senderink.
Notitie bij het overlijden van Hendrine Derksen: bron: 2e huwelijk van echtgenoot Mannus Eshuis als weduwnaar van Hendrine Schapink.1793 of 1794 volgens: Huwelijkse bijlagen Vriezenveen 1812 akte nr. 10. Dit kan gezien de datum van het tweede huwelijk in 1791 van Mannus niet juist zijn.
Notitie bij het huwelijk van Mannus en Hendrine Derksen: gezien de datum van de doop van het eerste kind op 6 oktober 1771 was dit huwelijk duidelijk een "moetje"
Bij het huwelijk staat vermeld dat Mannus de zoon is van Albert Eshuijs en Hendrine de dochter van Derk Schapink

192. Derk Berends Schipper, ged. Vriezenveen 6 april 1704, † ald. vr 1749,39 tr. Vriezenveen omstr. 1730
193. Lutje Derks Fayer, ged. Vriezenveen 13 aug. 1711, † ald. na 1766.

Notitie bij Derk Berends: Bewoonde het pand Westeinde 658-660 (huidige nummering), ook bekend als het Schipserf. Volgens het boterpachtregister over 1740 en 1752 besloeg het goed slechts een halve akker. Het erf stond in het verpondingsregister van 1735 nog op naam van zijn vader Berent Wolters.
Hoewel volgens het boterpachtregister een weinig omvangrijk goed is de aanslag inzake het Hoofdgeld hoog te noemen. In 1753 moet de wed. Derk Schipper voor 3 personen een hoofdelijke aanslag van 1,90 betalen, dat is ongeveer 0,63 cent per persoon, terwijl het dorpsgemiddelde in 1753 op 0,39 lag. In 1760 wordt de weduwe " D. Schieper " aangeslagen voor 3 personen met een bedrag van 2 gulden. Dit is ongeveer 0,67 per persoon, terwijl het gemiddelde in Vriezenveen op 0,39 lag. Het moet indertijd helemaal aan het begin van het Westeinde (dat wil zeggen aan de kant van Wierden) zijn geweest. Aangezien bij de volkstelling van 1748 Derks moeder, de weduwe Berent Schipper (= Jenneken Willems) bij Derk inwonend is, lijkt het erop dat dit het ouderlijk erf moet zijn van Derk. In de boterpachtregisters over 1736 en daarvoor komt het erf echter niet meer voor als boterpachtplichtig erf. In het dienstbodengeldregister over 1736 komt Derk Schipper wel voor als n na laatste op de lijst van het Westeinde. Hij wordt dan aangeslagen voor 2 gulden.

In het register van de 1000e penningvan 1734 wordt Derck Beerens aangeslagen voor een vermogen van 700 gulden (HAA inv nr. 2550) en in 1739 was dit bedrag 800 gulden (HAA inv nr. 2553).

In een register van boterpacht voor woestenland (archief gemeentehuis Vriezenveen inv. nr. A 25-6) d.d. 25 en 26 juni 1749 staat vermeld de weduwe Derk Schipper met 1/2 akker woestenland en 2 pond aan boterpachtverplichting.

In het register van de 1000e penning van 1751 wordt de wed. Derk Schipper aangeslagen voor een vermogen van 1000 gulden, een behoorlijk bedrag en ruim boven het gemiddelde Vriezenveense vermogen in dat jaar (Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). In 1758 is dit bedrag geslonken tot 775 gulden (Statenarchief van Overijssel inv nr. 2559). Al met al is de familie toch wel in goede doen, de armen en minderbedeelden van het dorp werden sowieso in deze belasting niet eens meegenomen.
Notitie bij de geboorte van Derk Berends: gedoopt als Derk zv Berent Wolters en zijn huisvrouw.
Notitie bij Lutje Derks: 9-3-1714 akte van schuldverklaring van Luicas Harmssen Hospis en Henrickjen Engberts "Ehelieden" van 50 Caroli gulden onder hypotheek van een akker turfland, gelegen op de Oosterhoeve aan de voogden van Luttjen Derks (het onmondige kind van Derck Janssen Faeijer) genaamd Harmen Berendsen Berkhoff en Jan Henricksen Bouwman (schoutambet Vriezenveen inv. nr. 2673).
(Archief Schoutambt Almelo; Rijksarchief Zwolle).

Akte van transport d.d. 28-04-1759, op 06-01-1759 verkoopt de wed. van Albert Jansen, Fenneken Klaassen Bramer, mede voor haar minderjarige kinderen, geassisteerd met Waander Berens als haar voogd in deze, een stuk weiland aan Lutte Derks Feijer wed. van Derk Schipper voor een bedrag van 115 car. guldens (archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij de geboorte van Lutje Derks: gedoopt als Lutjen dv Derck jansen en Aeltjen Herms.
Notitie bij het overlijden van Lutje Derks: op 9 juni 1766 worden de landerijen van de wed. Derk Schipper genoemd (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

194. Aelbert Jansen Santboer, ged. Vriezenveen 25 dec. 1705, † ald. na 1783,40 tr. Vriezenveen omstr. 1727
195. Geertje Freriksen, ged. Vriezenveen 5 maart 1702, † ald. vr 6 dec. 1763.41

Notitie bij Aelbert Jansen: landbouwer, bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering. (Zie blz. 95 Ken uw dorp en heb het lief). Het erf was afkomstig van de familie ten Cate (Alberts moeder). In 1729 staan in het boterpachtregister als eigenaar van de ongeveer 3 akkers land vermeld, Albert Sandboer en Berent Gerritsen Cate (oom van Albert, broer van zijn moeder). Berent Gerritsen Cate staat als zodanig al in de boterpachtregisters van 1691 genoemd. En het is deze Berent Gerrits ten Cate die ook de naam Boosman droeg. In een acte d.d. 2-8-1717 uit het archief van Schoutambt Vriezenveen staat vermeld dat Berent Gerritsen Boosman de brink van zijn erf deelt met de onderschout Gerrit Bartelink.
Het erf omvatte in 1735 volgens de boterpachtkohieren 2 akkers land met broekland, hiervoor moest jaarlijks aan de heer van Almelo 11 1/2 pond boter worden afgedragen.
Op 20-02-1762 koopt Albert het erf van Ridderschap en Steden op een publieke veiling (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

6-4-1726 Jan Henrixen Santbour voor zich zelf en als daghuurder en zijn zoon Albert Jansen, als knecht gediend hebbende bij Gerrit Frericks Caate alias Cort Geert eisen voor het gericht van het schoutambt Vriezenveen betaling van daghuurders en knechtenloon ad 10 gulden 10 stuivers (bron: archief Scha vrv inv.nr. 24 foto 256).

In het hoofdgeldkohier van 1737 komt Albert voor als "Albert Jansen", hij wordt dan aangeslagen voor 2 personen en de aanslag bedraagt 18 stuivers, met 45 cent p.p. is dat een gemiddelde aanslag. In het hoofdgeldkohier van 1753 wordt Albert aangeslagen voor 4 personen en moet 1 gulden betalen. Dat is 0,25 per persoon en dit betekent dat de familie het niet erg breed zal hebben had. De gemiddelde aanslag was nl. 0,39 per persoon.
In 1760 is de familie in betere doen, dan bedraagt de aanslag 1,20 voor 3 personen. Dit is 0,40 per persoon en dit is ongeveer gemiddeld (0,39) voor dat jaar.
In het kohier van de 1.000e penning van 1751 staat Albert Santboer vemeld met een geschat vermogen van 150 gulden. Dat was niet veel. Ook de inwonende tante Trijntje Engberts staat vermeld met een geschat vermogen van 100 gulden.
In 1779 wordt in het hoofdgeldkohier Gerrit Schipper als hoofd van het gezin genoemd.
In verband met een hypotheek die Albert is aangegaan verkrijgt Gerrit van de hypotheekverstrekker A.H. Bartelink in 1776 een quitantie van ruim 582 gulden om op de boedel te kunnen korten. Mogelijk had dit te maken met het overlijden van Geertje Freriksen, want Albert leeft dan nog aangezien hij nog in 1783 wordt in het testament van zoon Fredrik. De lening was gesloten op 29-4-1762 met Adolph Hendrik Bartelink ten bedrage van 566 caroli gulden om twee akkers aangekocht land te kunnen betalen. In 1776 regelt Albert ( hij wordt genoemd weduwnaar van Geertjen Freriksen) de overdracht van huis en twee akkers land aan schoonzoon Gerrit Schipper met het beding dat de andere kinderen, zolang zij ongetrouwd zijn een slaapplaats op het ouderlijk erf blijven houden en ook moet Gerrit hen 700 gulden uit de boedel betalen.

In de erfscheiding van de boedel in 1776 worden de volgende kinderen met name genoemd Frederik, Jan, Geertien en Henderikje. De andere 3 kinderen wonen dan al in Amsterdam en zijn daar getrouwd, Jan zal in 1780 volgen. Kennelijk was het zo dat als je verhuisd was naar elders je gelijk buiten de erfenis viel. Trouwens ook Frederik wordt in 1767 in Amsterdam als getuige bij een doop genoemd (die van Johanna, dochter van Barend).

Met de volkstelling van 1748 worden genoemd: Albert Sandboer en echtgenoot Geertje Frericksen en kinderen boven de 10 jaar: Geertjen, Frerik en Berent en de kinderen onder de 10 jaar: Henderikjen en Jan. Verder zijn nog inwonend Trijntjen Engbers en Armke Frerix. Door deze Armke zijn de waarschijnlijke ouders traceerbaar van Geertje Frederiks.
Vaak woonden broers en zusters die ongetrouwd waren gebleven in op het boererf van een getrouwde broer of zus. Dit was gewoonlijk het ouderlijk erf waar men bleef wonen. Geertje (gedoopt 5-3-1702) en Armke (gedoopt 9-7-1699) waren beide kinderen van de rooms katholieke Frederik Hendrix vulgo de Vos, die gehuwd was of in elk geval samenleefde met de gereformeerde Berentjen Jansen. Een huwelijk van de twee is niet te achterhalen.

Hoe de familierelatie zit met de tijdens de volkstelling van 1748 inwonende Trijntjen Engbers was aanvankelijk onduidelijk. Toch leek er een familierelatie te moeten zijn. In het archief van de familie Schipper (Boosmans) bevindt zich een oude akte uit 1746. Het is een koopakte van Trientjen Engbers. Zij koopt een "goorden" gelegen in het land van wijlen Hendrik Roelofs Huisman van. De erfgenamen van Hendrik Roelofs Huisman verkopen het stukje land voor 100 caroli guldens. Het antwoord werd uiteindelijk gevonden in het archief van Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675. Daarin zit een testament (d.d. 27-03-1748) van Trijntje Engberts waarin ze aan haar halfzusters Armke en Geertjen Fredrix al haar na te laten goederen vermaakt.
Op 06-12-1763 maakt Trijntje opnieuw haar testament. Haar voogd is dan Berent Albert Roelofsen.
Tot universeel erfgenamen benoemt ze de kinderen van wijlen haar overleden zuster Geertjen Freriks [gehuwd met Albert Jansen Santboer], te weten Geertjen Alberts, Frederik Alberts, Berent Alberts, Janna Alberts, Hindrikjen Alberts en Jan Alberts (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

Evenwel was dit niet het ouderlijk erf van de gezusters (Armke en Geertje) Frederiks de Vos, het was door de Santboers nl. van de familie ten Cate verworven door verwantschap.

In het archief van Huize Almelo is nog een stuk te vinden over Armke. Het betreft een conflict tussen Albert J. Zandboer en de kerkmeesters van Vriezenveen over het bezit van enig land en een obligatie, toebehorende aan Armeke Freriks, die armlastig is geworden, 1755 en 1756. (Inv.nr. 3082). Albert is van mening dat de kerkmeesters als opzichters van de armen in de gemeente Vriezenveen hun verantwoording moeten nemen en in haar onderhoud moeten voorzien.

In het archief van Schoutambt Vriezenveen (inv. nr. 2675) zit een acte gedateerd 5 januari 1743 waarin Albert Jansen Santboer optreedt als gemachtigde van Hendrik Jansen Boer die samen met Jenneken Hendriks de weduwe van Jan Hendriks Boer 900 gulden aan schulden heeft vanwege geleverd kapitaal door Egbert Hendriks. Onderpand is 3 akkers land en het halve huis gelegen aan het Westeinde tussen het land van Hendrik Arents en Egbert Hendriks. (Tijdens de volkstelling van 1748 woonde hier Hendrik Roelofs Schuurman, het is vrij westelijk op het Westeinde gelegen). Vraag is hoe de familieverhoudingen zich verhouden. Jan Hendriks Boer woont reeds vanaf ca. 1720 op deze locatie aan het Westeinde en moet dus geboren zijn voor 1700. In het breukregister van Vriezenveen (AHA inv.nr. 3241) zit een stuk waaruit blijkt dat Jan Hendriks Boer de stiefzoon was van Jan Hendriks Santboer en dat betekent dat hij dus een half-broer van Albert Santboer was. Voor 1720 woonde op het erf van Jan Hendriks Boer(man) de weduwe Hendrik Gerritsen. Is zij identiek aan Jenneken Hendriks? Als dat zo is zal ze zo rond 1680-1688 gehuwd zijn met Hendrik Gerritsen (ook wel Grootvelt) die in 1688 al in het boterpachtregister staat vermeld. De Hendrik Jansen Boer, voor wie Albert gemachtigde is, zal een zoon zijn van zijn halfbroer Jan Hendriks Boer. In elk geval blijkt uit andere stukken van hetzelfde archief dat Hendrik de zoon is van genoemde Jenneken Hendriks.
Op 22-08-1745 verklaart hij, refererend naar voorgaand contract met zijn moeder, 700 car. gulden schuldig te zijn aan Egbert Hendriks.

Albert is met zekerheid bij zijn kinderen in Amsterdam op bezoek geweest. Hij is getuige bij de doop van Geertreuy in 1775. Het kind van zoon Barend, dat waarschijnlijk naar zijn vrouw vernoemd is.

6-7-1743 voor het schoutengericht gehoord de schout van Vriezenveen en Albert Jansen Santboer enerzijds en Engbert Timmerman anderzijds inzake de aanstelling van Engbert Timmerman en Albert Jansen Santboer door de schout als mombaren over het nagelaten onmondige kind van Hendrikje Jansen Santboer en Engbert Gerrits, waarbij uitsluitend Engbert Timmerman het recht heeft een administratie bij te houden van inkomsten en uitgaven akte Huize Almelo 17 juli 1743 (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 26 foto 223).

26-10-1743 Compareert Albert Jansen Santboer voor het gericht van het schoutambt Vriezenveen ivm overlijden van zijn moeder Henrikjen Geersen wed. van wijlen Jan Santboer heden 8 dagen geleden. Ook de overige erfgenamen compareren met namen Lukas Henriksen Boer, Berent Henriksen Boer, wed. van Jan Henriksen Boer ende het nagelaten kind van wijlen Henrikjen Jansen Santboer. Albert zou de inventaris overleggen en een overzicht overhandigen van de staat der zaken. Na aftrek van de doodsschulden resteert echter nauwelijks iets volgens Albert Santboer, zo weinig dat het niet de moeite loont hierover te procederen met elkaar. Albert Santboer stelt dan ook van zijn aandeel van de erfenis af te willen zien en ten profijte van de overige erfgenamen te willen stellen. Hij stelt voor dat twee man op een willekeurige dag de staat van de erfenis komen verifieren en een inventarislijst op te komen maken op kosten van de andere erfgenamen. De everige erfen eisen echter een opgestelde beloofde inventaris van Albert Santboer. Het gericht verplicht Albert per decreet de inventaris alsnog binnen 8 dagen te overleggen en wel op kosten van de gemeenschappelijke boedel. Kennelijk voldoet hij hieraan want van verdere procedures is niets meer te lezen in de gerichtsarchieven van het schoutambt Vriezenveen. (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 26 foto 234).

18-09-1754 dagen de erfgenamen van de wed. schultus Claas Cruis Albert Santboer voor het schoutengericht vanwege achterstallige schulden vanwege afrekening d.d. 5-4-1739 en deels voor geleverde winkelwaren ten bedrage van 63 guylden 14 stuivers en 3 penningen (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 009).


Op 6 maart 1773 treedt Albert Santboer op als voogd voor Janna Jansen ten Cate (doop als Johanna in 1747), dochter van Jan Jansen ten Cate, alias Weverspol, bij wijlen zijn eerste vrouw verwekt. De boedel van deze Weverspol is verbrand en wordt door de kerkmeesters van Vriezenveen als toezichthouders over de armenzorg verkocht. Weverspol is een neef van Albert Santboer (zoon van zijn oom Jan Gerritsen ten Cate).
Notitie bij de geboorte van Aelbert Jansen: gedoopt als zoon van Jan Henrix en Henrikje Gerritz
Notitie bij Geertje: Geertje (gedoopt 5-3-1702) en Armke (gedoopt 9-7-1699) waren beide kinderen van de rooms katholieke Frederik Hendrix vulgo de Vos, die gehuwd was of in elk geval samenleefde met de gereformeerde Berentjen Jansen. Een huwelijk van de twee is niet te achterhalen. Het feit dat er in het dossier van de rechtzaak tussen Albert Santboer en de kerkmeesters van Vriezenveen een verklaring zit d.d. 20-12-1755 van Hendrikje Jansen (van der Aa), weduwe van Jan Gerrits Smelt, waarin deze verklaart dat Armke Freriks voor 28 jaar met haar moeder in huize Smelt woonachtig is geweest. Dit suggereert ook een familieband met deze familie. Immers ook Albert Santboer waar Armke later woonde is familie nl. haar zwager.

196. Jasper Lucassen Onweer (dezelfde als 144), tr. (ondertr. Vriezenveen 7 juli) 1754
197. Janna Derks Faijer (dezelfde als 145).

Notitie bij Jasper Lucassen: Bewoont het Onweerserf, Oosteinde 345, huidige nummering, was in 1753 de grootste imkerboer van Vriezenveen. Hij had toen 20 bijenkorven, daarvoor moest hij toen een belasting betalen van 2 gulden, 12 stuivers en 8 penningen. Hij wordt in het dienstbodenbelastingkohier van 1790 nog genoemd en wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 8 stuivers.
Het is zeer aannemelijk dat Jasper de imkerij van zijn vader heeft voortgezet en zelfs uitgebreid, uitgaande van het bedrag dat Jasper in 1765 betaalde (te weten 3 gulden en 12 stuivers) zou het aantal bijenkorven zelfs 36 hebben bedragen, uitgaande van een basisbedrag van 2 stuivers per bijenkorf. Hierbij ga ik dan wel van de veronderstelling uit dat Jasper geen schapen had, want ook elk schaap kostte in 1765 2 stuivers per jaar aan belasting. In het kohier van 1765 staat niet aangegeven of de belasting nu betaald werd voor schapen, varkens of bijenkorven. Jasper zou ook nog een varken gehad kunnen hebben natuurlijk. Qua belastingbedrag op de reliqua, zoals deze belasting heette, stond Jasper in 1765 op de derde plaats. Alleen dokter Dijderijk, die zich geheel op de imkerij had toegelegd met in 1762 maar liefst 38 bijenkorven en Berent Wippe, welke laatste zowel veel schapen als bijenkorven had, betaalden in 1765 meer belasting op de reliqua, respectievelijk 4 gulden en 2 stuivers en 4 gulden en 8 stuivers (Bron archief Huize Almelo, belastingregisters reliqua).
Volgens het boterpachtregister van 1763 (vader Lucas wordt dan nog als eigenaar genoemd), omvatte het erf 4 akkers.

Op 23-11-1794 maken Jasper Lucas en Janna Derks hun testament. Het echtpaar benoemt hun kinderen: Derk en Jannes Jaspers en Jenneken en Leena Jaspers en verder het kind Gerrit van hun overleden dochter Fenneken Jaspers (gehuwd met Hendrik Broertjen) tot universeel erfgenaam.

Met de volkstelling van 1795 is hoofd van het huishouden zoon Derk Jaspers.

Leeft nog in december 1801 als hij een bijdrage levert aan de verbouwing van de Hervormde kerk van 5 gulden. (archief NH-kerk).
Notitie bij het huwelijk van Jasper Lucassen en Janna Derks: huwelijksregistratie luidt als volgt "Jasper Lukas J.M. en Z. van Lukas Jansen en Janna Derksen Faijer N.J.D. van Derk Faijer alhier.

198. Jannes Derksen Faijer (dezelfde als 146), tr. Vriezenveen 27 jan. 174822
199. Henrikjen Jansen ten Cate (dezelfde als 147).

Notitie bij Jannes Derksen: landbouwer en linnenkoopman. Bewoonde het erf van zijn vader Derk Jansen Faijer (Oosteinde 407 huidige nummering). Wordt in het boterpachtregister over het jaar 1752 genoemd. Het ouderlijk erf is gesplitst tussen Jannes en zijn zwager Jan Berkhof. Jannes houdt een 2-akkergoed over. Jannes Fayer is n van de Rusluie, hij bevindt zich op 26 juli 1749 te Sint Petersburg, alwaar hij aan [zijn zwager] Gerrit ten Cate 10 roebel uitleent en deze vervolgens later te Vriezenveen opeist. Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 156. Of Jannes Faijer inderdaad in Sint Petersburg geweest is, is maar zeer de vraag. Er is slechts sprake van jannes Derks, zonder de toevoeging Faijer en in deze periode is er nog een Jannes Derks die een linnenkoppman was. Deze was woonachtig op het Westeinde van Vriezenveen (zie Jannes Derks).
Jannes wordt in 1753 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet 1 gulden afdragen, met 50 cent p.p. ligt hij ruim boven het gemiddelde van 39 cent. In 1760 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet hiervoor 1 gulden en 14 stuivers betalen, dat is 85 cent p.p. en daarmee ruim boven het gemiddelde van 39 cent p.p. . heeft in 1760 24 schapen en dat was erg veel. In 1780 wordt Jannes nog genoemd in het het hoofgeldregister over 1779. In 1790 in het register van het dienstbodengeld is Jannes overleden en worden genoemd "de kinderen van J. Feyer".
De veestapel bevond, evenals bij de families Berkhof aan het Oosteinde (Berent Jansen Berkhof en Jan Jansen Berkhof (Jan Buten) uit een opvallend grote schaapskudde voor Vriezenveense begrippen. Dat wil zeggen een kudde die rond de 20 schapen omvatte.
De familie moet in goede doen geweest zijn en dit is mogelijk het gevolg zijn geweest van de Russische handelsactiviteiten.

Stadsgericht, Almelo, 1 juni 1750:
Gerrit Gasthuijs, en zijn huisvrouw transporteerden aan Ootmar ten Cate, en zijn huisvrouw Christina ten Cathe en erfgenamen, hun huis en wheere, gelegen naast het Gasthuis. Dit was een gerechtelijke verkoop in opdracht van Jannes Derxsen Faijer.
Stadsarchief Almelo, Inv. #2619, Fol. 573. Transportacte, 1 Jun 1750.(bron: website Afina Broekman). Deze verkoop duidt erop dat jannes faijer schulden had bij de Almelose kooplieden, waarbij jannes waarschijnlijk schuldeiser was van Gerrit Gasthuis.


Op 20-3-1755 wordt een "Jannes Derks" aangesproken voor een schuld (bedrag onvermeld) aan de linnenreders en kooplieden Jan ten Cate, Gerrit Coster en Gerrit Coster Egbzn. (inv. nr. 2965 HAA).
Deze Jannes was dus ook koopman en is niet identiek aan Jannes Faijer. Hij woonde aan het Westeinde en was gehuwd met Aaltjen Berentsen. Hij handelde met Derk Jansen (zijn vader?) zie ook archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 27 d.d. 27 maart 1755. Op die datum wordt Jannes en z’n vrouw Aaltjen Berens aangesproken voor de enorme schuld van 1771 gulden vanwege gekochte en geleverde linnens van Jan ten cate Jansz. koopman te Almelo aan de maatschap van Jannes Derks en Derk Jansen. Deze Jannes Derks was de zoon van Derk Claassen Meijnderts en Jenneken Jansen. Derk jansen zal dan de zoon zijn van broer Jan Derksen.

Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 500 gulden en een extra 100 gulden voor te werk gesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
In het kohier van 1758 wordt hij niet genoemd. Zijn vader had een groter vermogen; zie opmerkingen vader.



transportakte 13-11-1773. Verkoop door Jannes Derksen Feijer van de Brink beginnend aan de kerkweg (= dorpsstraat) tot aan de dwarssloot, gelegen in de landerijen van wijlen Jan ten Cate (oostwaarts Jan Boom, westwaarts Frontmansland) voor 109 gulden aan Jan Gerrits (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).


19-06-1786 akte van transport. Verkoop door Roelof Wiechers en zoon Jan en dochter Jenneken van een akker hooi of weideland, gelegen in het "Jan ten Cateland" voor 255 gulden aan Jannes Derksen Faijer (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

200. Berend Albert Roelofsen, ged. Vriezenveen 4 dec. 1718, † ald. na 1764, tr. 2e Vriezenveen 4 nov. 1758 Jennigjen Egberts Endjen, geb. omstr. 1725, † Vriezenveen na 1779, dr. van Egbert; tr. 1e Vriezenveen omstr. 1753
201. Trijntje Berends Holland, ged. Vriezenveen 25 okt. 1722, † ald. vr 4 nov. 1758.

Notitie bij Berend Albert: landbouwer. Woonachtig aan het Oosteinde 161 (huidige nummering). Bron: blz. 93 Ken uw dorp en heb het lief. In het boterpachtkohier van 1755 wordt vader Roelof Willemsen nog als eigenaar van het erf vermeld.
In 1764 wordt Berend Albert genoemd als de eigenaar van 5 akkers land.
diaken in 1757 (bron: archief NH kerk Vriezenveen, doos 77).

In 1753 in het kohier van het hoofdgeld wordt "berent albert" aangeslagen voor 4 personen en moet 1,70 betalen, dat is 0,425 cent per persoon. Iets boven het gemiddelde van 0,39 cent per persoon voor geheel Vriezenveen. In 1760 behoort Berent opeens bij de hoogst aangeslagenen van Vriezenveen. Hij wordt dan voor 2 persoenen aangeslagen en de belasting bedraagt dan 2 gulden en met 1 gulden per persoon ligt dit ver boven het gemiddelde van 0,39 voor heel Vriezenveen. Ter vergelijking de scholte Dikkers betaald voor 6 personen 3,20 en betaalt hiermee iets meer dan 0,53 per persoon.

Zie ook notities vader Roelof Willemsen.

In het kohier van de 1.000e penning van 1758 staan de personen vermeld met een vermogen boven de 500 gulden. Hoewel Berent Albers naam wel is opgetekend, staat er 0 gulden achter zijn naam. Dat is vreemd, want zijn vader had in 1751 nog een geschat vermogen van 1125 gulden. Kennelijk was dat vermogen door erfdeling opgesplitst geraakt en was Berend daardoor beneden de 500 gulden terechtgekomen.

Op 15-12-1753 maken Berent Albert Roelofs en een zieke Trientje Berents [Holland] hun testament.
Tot hun legitiem erfdeel zijn gerechtigd de ouders van Berent Albert: Roeloff Wilms en Aaltjen Berentsen.
De kleding van testatrice komen aan haar broers en zuster toe: Berent Berentsen, Jan Berentsen, Jannes Berentsen en Janna Berentsen.
De armen komt 25 gulden toe, verder is het een testament op langstlevende. Testator ondertekent het testament met zijn handtekening; Trijntje volstaat met een kruisje.
(bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2674).


Op 12 mei 1764 (akte van transport) treedt bij een verkoop van de goederen van wijlen Jan Roelofs (gehuwd met Geertje Berens Kooijker) o.a. op Berent Albers Roelofs.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij de geboorte van Berend Albert: gedoopt met de voornamen Berend Alberts
Notitie bij het overlijden van Berend Albert: overleden voor 05-11-1772, want dan maakt de weduwe van Berent Albert Roelofsen, Jenneken Egberts haar testament op. Tot erfgenaam wordt benoemd haar stiefzoon Berent Berents Roelofs. De kinderen van haar broer Gerrit Egberts komen al haar lijfsgoederen toe. De kinderen worden met name genoemd. Het zijn: Berent, Egbert, Janna en Jan.
Notitie bij de geboorte van Trijntje Berends: Trijntjes doop had wel wat voeten in de aarde vanwege dronkenschap van predikant Poelman. Ze werd om deze reden in de pastorie gedoopt en niet in de kerk, want dominee Poelman had voor de kerkdienst verstek laten gaan (bron: Archief Deventer, archief Classis 1601-1951 inv. nr.72 foto 120).
Notitie bij het huwelijk van Berend Albert en Trijntje Berends: ook wel Trijntje genoemd bij de dopen van haar kinderen.

202. Wolter Hermsen Schipper, ged. Vriezenveen 4 dec. 1712, † ald. vr 1779, tr. omstr. 1742
203. Kunnigjen Egbers de Groot, ged. Vriezenveen 18 okt. 1716, †?.

Notitie bij Wolter Hermsen: landbouwer, bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 295-297 (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 127) bekend als het Schipsspil, had het erf overgenomen van zijn vader.
In 1752 als eigenaar van de landerijen van het Schipsspil genoemd, het was toen 5 akkers groot. In het hoofdgeldregister van 1779 wordt Wolter niet meer genoemd, maar zijn zoon Harmen. Vermoedelijk was Wolter toen dus al overleden.
Met de belasting inzake het hoofdgeld van 1737 wordt Wolter aangeslagen voor 4 personen en moet 1,70 betalen, dit is 0,425 p.p. tegenover een gemiddelde voor het Oosteinde van 0,46 .
In 1753 inzake het hoofdgeld weer een aanslag voor 4 personen en een aanslag van 1,35, iets meer dan 0,32 p.p. tegenover een gemiddelde in dat jaar voor Vriezenveen van 0,39. In 1760 weer een aanslag voor 4 personen, maar een relatief veel hogere aanslag nl. 2 gulden, dit is 0,50 p.p. en boven het gemiddelde van dat jaar van 0,39 p.p voor de Vriezenveense bevolking.

In het register van de 1000e penning van 1751 wordt Wolter Hermsen Schipper aangeslagen voor een vermogen van 500 gulden en daarboven nog een verhoging van 100 gulden voor meewerkend personeel, dat werd gezien als extra vermogen (Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). In 1758 komt Wolter niet meer in deze registers voor (Statenarchief van Overijssel inv nr. 2559).

15-5-1745 verschijnt voor het gericht Lukas Jonker echtgenoot van Jenneken Harms Schipper en citeert Wolter Harms Schipper vanwege een schuld van 31 gulden aan achterstallige intrest inzake een lening van 150 guldens en nog een bedrag van 22 gulden tegoed uit de boedel van wijlen broer Jan Harms Schipper (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 26 foto 262).
Notitie bij de geboorte van Wolter Hermsen: gedoopt als Wolter zv Hermen Wolters en Aeltjen Frericks.

204. Hendrik Freriks Bramer, geb. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. na 8 maart 1755, tr.
205. Hendrikje Hendriks Winter, ged. Vriezenveen 3 april 1698, † ald. 1741.

Notitie bij Hendrik Freriks: boer, schout in 1750 en 1751. In 1752 wordt Hendriks zwager Gerrit Winter tot schout verkozen. Volgens Herman Jansen, in Ken uw dorp en heb het lief blz. 233 had Hendrik Bramer als schout niet naar volle tevredenheid gefunctioneerd.
Woonde naast het msgoed aan het Oosteinde (in de buurt van nr. 193 huidige nummering). Wordt in het hoofdgeldkohier van 1737 aangeslagen voor 3 personen en moet 1,60 betalen, dat is dus ca. 0,53 per persoon tegenover een gemiddelde van 0,46 voor het Oosteinde in dat jaar. In ca. 1735 beschikt hij volgens het boterpachtreegister over 5 akkers land en 1 1/2 akker "woesten land", dat wil zeggen turfland. Zeker geen onbemiddelde boer.

In 1748 bij de volkstelling van 1748 wordt hij genoemd "Henr. Braamer" weeduwenaar, hij heeft dan nog 3 kinderen boven de 10 jaar in huis, te weten, Frerik, Gerrit en Harmanus. Verder beschikt het gezin dan over een dienstbode genaamd Kunnigien Onweer.

1751 schout van Vriezenveen (bron: Naamlijst van drosten, kasteleins, richters en schouten Overijssel deel 2; Het Kwartier van Twente uitgave A sept. 1989 RA Zwolle).

Hendrik Bramer zat er warmpjes bij in de kohieren van de 1000e penning wordt zijn vermogen als volgt ingeschat:
1715: 750 gulden
1734: 2500 gulden
1739: 2500 gulden
1751: 1250 gulden (met de toevoeging scholtes)

In een stuk van archief Huize Almelo (inv. nr. 3202) wordt Hendrik de oom genoemd van Grietje Jansen Schol ( gehuwd met Berent Brouwer) en ook van Nicolaas Harwig (1e huwelijk met Johanna Jansen Schol).
Notitie bij het overlijden van Hendrik Freriks: 3 maart 1755 wordt Hendrik nog vermeld als legitiem erfgenaam in het testament van zijn zoon Gerrit (archief: schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij Hendrikje Hendriks: is overleden bij de volkstrelling van 1748.
Notitie bij het overlijden van Hendrikje Hendriks: Op 16 juli 1741 vermeld het Rekenboek van de Diaconie dat Hendrik Freriks Bramer een liefdegave overhandigd uit de nalatenschap van wijlen zijn huisvrouw Hendrikje Hendriks Winter, ten bedrage van maar liefst 200 gulden!

206. Lucas Alberts Jonker, ged. Vriezenveen 22 juni 1721, † na 1802, tr. 2e Vriezenveen 5 maart 1753 Aaltje Harmsen,42 ged. Vriezenveen 27 jan. 1732, † ald. vr 1768; tr. 3e Vriezenveen 24 dec. 1768 Harmina Jansen vant Vere Brookhuis, geb. Almelo, † Vriezenveen; tr. 1e Vriezenveen omstr. 1745
207. Jenne(ken) Harmsen Schipper, ged. Vriezenveen 2 febr. 1710, † ald. omstr. 1750.

Notitie bij Lucas Alberts: landbouwer, bewoonde het zogenaamde erve Poortman aan het Oosteinde 294 (huidige nummering). In 1753 met het hoofdgeld, wordt Lucas aangeslagen voor 4 peronen en moet hij 1,25 betalen. Dit is ruim 0,30 per persoon. Hiermee ligt hij onder het gemiddelde van 0,39 per Vriezenvener in dat jaar. Het tij is echter gekeerd in 1760 als hij voor 2 personen wordt aangeslagen en 1,10 moet betalen, dat is 0,55 per persoon en daarmee ligt het gezin ruim boven het gemiddelde van 0,39 per Vriezenvener in dat jaar. Hij heeft kennelijk goed geboerd tussen 1753 en 1760!
Volgens het register van de 1.000e penning uit 1751 had Lucas Jonker een vermogen van 450 gulden en daarboven 50 gulden voor personeel dat mede als vermogen werd gezien (Statenarchief Overijssel, inv. nr. 2556). In het register van 1758 komt hij niet voor. Dit betekent dat zijn vermogen toen onder de 500 gulden lag.
-6 november 1757 staat Lucas Jonker vermeld in het breukregister omdat hij zijn broer Fredrik zou hebben geslagen (Bron: AHA inv. nr. 3242).
In Ken uw dorp en heb het lief (blz.142) staan aardige anekdotes van de historicus Herman Jansen over deze Lucas, zo is Lucas in 1747 door Herman Klaassen bij het Kooijkershuis in elkaar geslagen. Reden was dat Lucas Klaas de doorvaart bij de zeil wilde beletten (bron. Archief Huize Almelo inv. nr.3242). Harmen Klaassen was met een schuit vol Geesterse kolen aangekomen en wilde doorvaren, kennelijk zonder te betalen. Lucas Jonker sprong hierop in het water om hem dat te beletten, waarop Harmen Lucas met "sijn schipboom over de hand heeft geslagen en hem vervolgens bij het hair heeft getrokken en alsdan met de keeten (kettingen) van de schuite op het hooft heeft geslagen, dat daar door een gat in het hooft heeft gekreegen en dat het bloet hem op de rugge langes was geloopen seggende vervolgens du Donder salst sterven off ik".
Lucas raakte zo ernstig gewond dat het bloed langs zn rug tot aan de grond liep en de heer van Almelo zelfs concludeerde dat de geneeskundige hulp van zijn vader Albert, die chirurgijn was, niet voldoende was. De heer van Almelo verordeneerde dat een Almelose chirurgijn de wond moest verbinden en verzorgen. De vader van Herman Klaassen wordt later voor de rekening van de Almelose chirurgijn aangesproken die het lieve sommetje van 34 gulden en 10 stuivers bedroeg.
Lucas weet ondanks de heftige aanval de lieve leeftijd van meer dan 81 jaar te bereiken, een hele prestatie voor die tijd.
Hij trouwt maar liefst 3 keer. In 1802 maakt hij zn testament.
-In 1795 bij de volkstelling doet hij de gezinsopgaaf voor zijn inwonende zoon Jannes, dan als het hoofd van het gezin beschouwd. Jannes Jonker, staat als boer geregistreerd en de familie omvat dan 9 gezinsleden.

Op 04-05-1746 maakt het echtpaar Lucas Albers Jonker en Jenneken Harms hun testament. Het testament heeft de volgende bepalingen:
-testator kent zijn ouders Lucas Jonker en zijn moeder Jenneken Lucas hun legitieme erfdeel toe.
-testatrice kent haar moeder Aaltjen Freriks haar legitieme erfdeel toe.
-de armen komen 30 gulden toe.
Voor de rest is het een testament op langstlevende.
(Bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675)

In 1752 en 1753 huurt Lucas Jonker de Jonkerenmate van Huize Almelo voor 15 gulden per jaar (bron: AHA inv. nr. 1087 foto 2980). Ook in 1757 huurt hij de Jonkermate weer en dan voor 10 gulden en 10 stuivers (bron: AHA inv. nr. 1087 foto 2983). In 1758 bedraagt de pacht 15 guldens. Tussentijds huurde een zekere Henrikus Hermsen deze landerijen in 1764, 1755 en 1756 voor 20 gulden per jaar. In 1760 huurt de meijer op de Hnse dit stuk land (bron: AHA inv. nr. 1095).

Op 18-03-1758 verkopen Lucas Albers Jonker en Aeltjen Harms 1 akker turf of hoevenland, gelegen op de Oosterhoeven aan Jan Schol voor 148 car. guldens
(Bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 1 april 1774 beklaagt Lucas Jonker zich bij de schout over het feit dat Hendrikje Berkhof, de vrouw van Jannes Bramer, hem tot bloedens toe had geslagen vanwege zijn drinkgedrag bij het luidebier dat gedronken werd ter gelegenheid van "het overluiden van het lijk van de wed. Lucas Berents" (bron: AHA inv. nr. 3242).
Notitie bij Jenne(ken) Harmsen: 15-5-1745 verschijnt voor het gericht Lukas Jonker echtgenoot van Jenneken Harms Schipper en citeert Wolter Harms Schipper vanwege een schuld van 31 gulden aan achterstallige intrest inzake een lening van 150 guldens en nog een bedrag van 22 gulden tegoed uit de boedel van wijlen broer Jan Harms Schipper (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 26 foto 262).
Notitie bij de geboorte van Jenne(ken) Harmsen: gedoopt als Jenne dv Hermen Schipper en Aeltjen Frericks.

208. Jan Gerritsen van den Twilhaar, geb. Hellendoorn (?) omstr. 1715, † Hellendoorn na 1771, tr. Hellendoorn 10 april 1740
209. Jenneken Hermsen aan Blokvoort, geb. Hellendoorn (?) omstr. 1715, † Hellendoorn na 1771.

Notitie bij Jan Gerritsen: bij het huwelijk staat vermeld Jan Gerritsen aan den Calvenhaar, later wordt hij doorgaans met van den Twilhaar aangeduid. Ook bij de volkstelling van 1748 wordt hij aangeduid met de naam Twilhaar.
Mogelijk diende hij op het boerenerf de Calvenhaar en zijn vrouw voor haar trouwen op het Blokvoort vanwege het woordje "aan". Het lijkt te betekenen dienend bij..... Zowel het Calvenhaar als het Blokvoort waren in het buurtschap Hulsen gelegen (noordelijk van het kerkdorp Hellendoorn).

Het gezin heeft in 1748 volgens de volkstelling 3 kinderen (onder 10 jaar) Jan, Gerrit en Hendriene.
Volgens een akte van Alimentatie ten gunste van zoon Jan, daterend uit 1762, woonde het echtpaar toen op de Groote Twilhaar.

Het echtpaar maakt een "contract van alimentatie" in 1771. Daarbij wordt zoon Gerrit Jansen en zijn "bruijt" Janna Gerritsen woning ("haare geheele bouwerie") en inboedel toebedeeld. Hierop neemt zoon Gerrit Jansen en bruid de verplichting op zich de oude lui goed te zullen onderhouden en verplegen en een goede begravenis te garanderen. Verder mogen de oudelui nog ten eigen "profijt" 6 schapen in het schot houden en moet Gerrit zn vader ook nog van het nodige tabaksgeld voorzien. Er staat bij vermeld dat beiden niet kunnen schrijven en geen zegel gebruiken. De andere 2 kinderen Jan en Hendriene worden slechts terloops in het testament vermeld. (Bron: Gerechterlijk archief Hellendoorn 1771 (blz.268-270). Zoon Jan was al eerder in 1762 het Kleine Twilhaar toegekomen (zie notities bij hem).

210. Derck Alberts Bolhoeve?, geb. omstr. 1730, † Hellendoorn (?), tr. Hellendoorn 6 nov. 1752
211. Jennighje Hendriks, geb. omstr. 1730, † Hellendoorn (?).

Notitie bij Derck Alberts: Derck woont tijdens zijn huwelijk op Huize Rhaan (een adelijk goed) en Jennighje Hendriks woonde toen bij Claas Valk te Eelen onder Hellendoorn. Bij de volkstelling van 1748 heeft Claas valk een andere meid genaamd Mette Berents.
Uit het register van vuursteden uit 1736 (kerspel hellendoorn) blijkt dat het erf van de kerk is. Bron: Archief Deventer, markenarchief.

212. Hendrik Gerritsen Olde Mller (Vorink), geb. Notter (onder Rijssen), ged. Hellendoorn 3 febr. 1704, †?, tr. 1e Hellendoorn 12 april 1738 Derkjen Willems Tijhuis, † Hellendoorn vr 1749; tr. 2e Hellendoorn 11 april 1749
213. Aaltje Hendriks van het Haercamp, ged. Wierden 9 jan. 1724, †?.

Notitie bij Hendrik Gerritsen: landbouwer. Wordt met vele aliassen aangeduid, te weten Olde Mller, Uilenspiegel, Roltvoort en Vorink. Bij zijn eerste huwelijk wordt hij nog Vorink genoemd. Bij de doop van zoon Gerrit Jan (1741) wordt hij met de naam Roltvoort aangeduid. Bij de dopen van Derkjen(1750) en Hendricus (1752) wordt hij Uilenspiegel genoemd. Bij de volkstelling van 1748 en zijn huwelijk in 1749 wordt hij bij de naam oude (Olde) Mulder aangeduid. Bij zijn eerst huwelijk wordt hij met zn patroniem aangeduid en er staat vermeld dat hij van Raalte komt. Het Olde Muller was evenals het Roltvoort, het Uilenspiegel en het Vorink een boerenerf in de buurt van Hellendoorn. Kennelijk was Hendrik niet erg honkvast en verhuisde hij nog wel eens.
In 1748 staan in de volkstelling vermeld: Hendrik Olde Muller en Derkjen Willems. Verder 2 kinderen onder 10 jaar Willemiene en Gerrit Jan en twee knechten Gerrit Jans en Hendrik Gerrits. Het moet dus wel een erf van enige omvang zijn geweest.

Op 12 april verschijnt Hendrik Gerrits Olde Mller voor het Gerecht van Hellendoorn en worden de rechten van de kinderen uit het eerste huwelijk met Derkjen Willemsen vastgelegd. Mombers zijn Hendrik Tijhuis en Gerrit van het Veendink. De onmondige kinderen hebben recht op 150 gulden uit de boedel van de moeder, verder verklaart de stiefmoeder Aaltje Hendriks de twee kinderen Gerrit Jan en Willemina als eigen aan te nemen. (Bron: RA Hellendoorn, inv. nr. 14)

214. Berent Schuttevaar, geb. Eelen (Hellendoorn), ged. Hellendoorn 29 april 1724, † ald. vr 1799, tr. Hellendoorn 11 juli 1751
215. Janna Essen Colman, geb. Notter bij Wierden, ged. Hellendoorn 18 april 1729,43 †? na 1799.

Notitie bij Berent: schipper
Notitie bij Janna Essen: ook wel Kolman genoemd. Op 20-8-1799 wordt Janna Essen Kolman weduwe van Berend Schuttevaar in het testament van haar broer Jan Essen Kolman te Eelen begunstigd voor een somma van 100 gulden, de diaconie wordt bedacht met 80 gulden. Het kerkboek met zilveren krappen wordt gelagateerd aan Jan, zoon van zijn neef en nicht Antony Adams en Janna Schuttevaar.

Tot universele erfgenamen worden benoemd de kinderen van broer Gerrit Essen Kolman die woont op het Pastinkerf, te weten Aaltje Pastink, Evert Jan Pastink en Hendrik Pastink en de kinderen van zijn zus Janna Essen Colman, te weten, Willem, Evert Jan, Antonie, Maria en Janna Schuttevaar.

216. Berent Jansen Smelt, geb. omstr. 1710, † Vriezenveen vr 28 dec. 1755,44 tr.
217. Jenneken Hendriks Klumper, ged. Vriezenveen 18 aug. 1700, † ald. na 1760.

Notitie bij Berent Jansen: net als zijn zoon turfschipper? bewoonde volgens de dorpshistoricus Herman Jansen Oosteinde 226 (zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 122). Vergeleken bij zijn vader die tot de rijksten van het dorp hoorde, is Berent toch een aantal treden gedaald op de maatschappelijke ladder. Is niet als grondbezitter in de boterpachtkohieren terug te vinden. Komt vanaf 1735 op deze locatie van het Oosteinde voor. In 1733 was hij daar nog niet te vinden.
Met het hoofdgeld van 1760 wordt de weduwe B. Smelt aangeslagen voor 3 personen en moet 1 gulden betalen, ca. 33 cent p.p. Dit ligt onder het gemiddelde van 39 cent p.p. in Vriezenveen. In 1753 wordt Berent Smelt voor 1 persoon aangeslagen en moet hij 0,45 cent betalen, dat is enigszins boven het gemiddelde per persoon van 0,39 cent
In 1748 bij de volkstelling wordt hij samen met zijn vrouw en 5 kinderen genoemd. Hiervan 3 boven de 10 jaar Jan, Hinderik en Gerrit en 2 onder de 10 jaar, Grietjen en Janna.

Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 300 gulden en aanvullend 100 gulden voor meewerkend personeel dat ook als een factor van vermogen werd beschouwd. In 1758 komt Berent Smelt niet voor. In dat jaar worden alleen de vermogens boven 500 gulden geregistreerd (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).

Op 28-12-1755 wordt door Jannes Berends [Holland] en Janna Jansen [Grobben] een transportacte opgemaakt van een eerder plaatsgevonden (10-03-1754?) verkoop voor 200 car. guldens van 2 dagwerk hooiland aan Jennigjen Hendriks wed. van Berent Smelt.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675)
Notitie bij Jenneken Hendriks: ik ben de naam Klumper zelf niet tegengekomen bij Jenneken Hendriks, de naam is ontleend aan het Jansen/Jonkerarchief.
Mogelijk is Jenneken Hendriks een dochter van Hendrik Berents Boer (ook wel Broer) en Hermtjen Hendriks. Dit zou de bijnaam de Boer (en Broer) bij het nagelacht dan ook kunnen verklaren. Een doop van jenneken is bij dit echtpaar echter niet te vinden, hoewel in deze periode rond 1710 veel doopregistraties ontbreken.

218. Jan Hendricks Aman, ged. Vriezenveen 4 nov. 1703, † ald. omstr. 1772, tr. Vriezenveen 24 sept. 172845
219. Metjen Claassen Stroomers, ged. Vriezenveen 2 dec. 1703, † ald. na 1773.

Notitie bij Jan Hendricks: turfschipper. Hij was in deze tijd bekend onder de naam Aa-jan, had een (turf?)schuit waarmee hij op Almelo voer (genoemd als getuige inzake aanklacht tegen Albert Frerix Jonker inzake opruiing tegen de Heer van Almelo (HAA inv. nr. 2969 foto 503).
Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 100 gulden (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). Hij moet ergens in de buurt van Oosteinde 305 hebben gewoond.

handelde in turf in compagnonschap met zijn schoonzoon Gerrit Berendsen Smelt.

20 juni 1772 Jan Wesselman te Geesteren daagt AJan voor het gericht om schadeloos gesteld te worden voor de som van 23 gulden en 14 stuivers voor in het jaar 1770 aangepandete en in 1768 verkochte en afgeleverde turf onder reserve van de aanpanding van Gerrit Berendsen Smelt.
20 juni 1772 Jan Wesselman te Geesteren daagt Gerrit Berentsen Smelt voor het gericht om schadeloos gesteld te worden voor de som van 26 gulden voor in het jaar 1768 afgeleverde turf aan Gerrit Berendsen Smelt en diens schoonvader AaJan die een compagnonschap in turfhandel hadden (bron: archief Sch. ambt Vrveen inv. nr. 29 foto 118).

8-5-1773 Gerrit Braeger van Geesteren daagt Gerrit Berends Smelt alias d’Boer voor het schoutengericht vanwege een schuld van 15 gulden en 10 stuivers vanwege aan hem en wijlen zijn schoonvader Jan Aman geleverde turf. Gerrit Smelt ontkent turf van Braijer te hebben gekocht en heeft deze ook niet geleverd gekregen. Gerrit Smelt wordt toch verplicht de schuld te betalen, de turf was aan zijn schoonvader geleverd en hij zou deze betalen. (bron: archief Sch. ambt Vrveen inv. nr. 29 foto 137).

Op 07-01-1738 heeft Jan Aman ruzie met Derk Jansen Geerdinkman in het huis van Jan Jonker. (bron breukregister van de schout: AHA inv. nr. 3242).

08-04-1773 schuldverklaring van Jan Berents Kenkhuijs en Henderica Jansen Aman. Het betreft een schuldobligatie d.d. 03-02-1755 van wijlen hun (schoon)vader Jan Aman en zijn vrouw Metjen Claesen ten bate van de erven van wijlen de schout Gerrit Hendrik Hesselink en Janna Cruijs. De schuld bedraagt 258 gulden en 18 stuivers (bron: schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).
Notitie bij het overlijden van Jan Hendricks: nog genoemd bij trouwen dochter Henderica als de vader (10-02-1770)
Notitie bij Metjen Claassen: genoemd als getuige inzake aanklacht tegen Albert Frerix Jonker inzake opruiing tegen de Heer van Almelo (HAA inv. nr. 2969 foto 503).

10-03-1773 de schout Jan Hendrik Dikkers daagt Metjen Claassen wed. van wijlen Jan Aman voor het gericht vanwege een schuld van 51 gulden 4 stuivers en 6 penningen vanwege geleverde bieren en verschuldigde en resterende belastingen "landsmiddelen" (bron: archief Sch. ambt Vrveen inv. nr. 29 foto 132).

genoemd als obligatiehouder van een schuld ten laste van haar dochter d.d. 03-02-1755 (schuldverklaring archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677 d.d. 08-04-1773).
Notitie bij het huwelijk van Jan Hendricks en Metjen Claassen: In een extract uit het trouwboek van de Hervormde Kerk van het huwelijk van dit echtpaar staat:
Jan Hendrijks N.S. van wijlen Hendrijk Jansen en Metjen Claesen D.V. Claes Hermsen. Dit huwelijk staat in het breukregister vermeld vanwege het feit dat de dochter binnen 9 maanden na het huwelijk was geboren. Dat betekende een boete betalen aan de Heer van Almelo.

220. Egbert Jansen Tromp, ged. Wierden 16 jan. 1716, † Vriezenveen na 1786, tr. Meppel 174346
221. Fenna Catrina Claassen Raphuijs, ged. Vriezenveen 23 febr. 1716, †?.

Notitie bij Egbert Jansen: zie notities zoon Jannes.
In 1748 worden Egbert Jansen en vrouw Fenneken Raphuis genoemd en 2 kinderen onder 10 jaar, te weten Jannes en Geessien.
Egbert wordt in 1753 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 1 persoon en moet 5 stuivers betalen. Hiermee ligt hij aardig onder het Vriezenveense gemiddelde. Ook in 1760 wordt Egbert voor 1 persoon aangeslagen en moet hij 4 stuivers dokken, met 20 cent is dat ook voor dat jaar ruim beneden het Vriezenveense gemiddelde van 39 cent.
Notitie bij Fenna Catrina Claassen: soms in de doopregisters als ouder ook gewoon Fenneken Berents genoemd, dan wel fenneken Raphuys.
Notitie bij het huwelijk van Egbert Jansen en Fenna Catrina Claassen: Egbert Tromp woont bij zijn huwelijk in Meppel, hij staat vermeld als afkomstig van Wierden. Fenna Catrina Raphuijs staat vermeld als afkomstig van Vriezenveen.

222. Jan Lucassen Vrielink, geb. omstr. 1720, † Vriezenveen vr 5 maart 1777, tr. 1e Vriezenveen 9 nov. 173847 Jenneken Jansen, geb. omstr. 1715, † Vriezenveen vr 1743; tr. 2e Vriezenveen (?) vr 1743
223. Jacomijne (Hermijntjen, Mientje) Hendrijks, ged. Vriezenveen 5 jan. 1716, † ald..

Notitie bij Jan Lucassen: RK (zie doop zoon Harmen 1752). Jan Vrielink en Harmine Hendriks worden met de volkstelling 1748 genoemd met 3 kinderen beneden 10 jaar, het zijn Janna, Jannes en Albert.

Bij de doop van Albert in 1747 wordt de vader Jan bij zijn patroniem vermeld "Lukes". Ook bij de doop van zoon Harmen (1752), word het patroniem ("Lukas") van de vader vermeld, met verder nog de toevoeging dat de vader "Rooms" is en dat de zuster van de moeder, het kind ten doop heeft gehouden.

Jan Vrielink woonde met zijn gezin aan het Oosteinde, ter hoogte van huidige nummering 283.

In 1735 staat Jan Vrielink in het hoofdgeldkohier nog vermeld aan het uiterste Oosteinde (in de buurt van nummer 390), naast hetvoorouderlijke erf. Zijn vader zal dan al zijn overleden, want zijn grootvader Geert Vrijlink staat nog vermeld. In 1723 staat zijn grootvader Geert Henrix op deze locatie eveneens vermeld (bron: verpondings en contributieregister van dat jaar (AHA 2739).
Jan Vrielink wordt in het hoofdgeldkohier van 1738 voor het eerst genoemd op de nieuwe locatie; hij wordt dan aangeslagen voor 1 persoon en moet 40 cent betalen. Voor 1738 bewoonde een zekere Berent Hermens dit erf. In 1739 staat Jan Vrielink vermeld met 2 personen en bedraagt de aanslag 1 gulden. Ik vermoed dat hij toen getrouwd was met Jenneken Jansen, zij lieten in 1739 en 1741 in Vriezenveen een kind Jan dopen. Jan zou dus 2 x getrouwd zijn geweest.

Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 100 gulden (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
Daarmee behoorde hij tot de armeren van het dorp.

224. Hendrik Willems Bramer, ged. Vriezenveen 21 mei 1724, † ald. vr 1801, tr. Vriezenveen 12 maart 1768
225. Annegjen Alberts Hartog, ged. Vriezenveen 9 febr. 1738, † ald. 17 dec. 1806.

Notitie bij Hendrik Willems: Vanaf 1770 staat Hend. Wil. Bramer in het kerspellastenregister vermeld dicht bij het Midden, tussen de namen van Hendrik Smit en Hendrik Arends, ergens in de buurt van Westeinde nummer 60. In dit register staat z’n patroniem vermeld waardoor duidelijk is dat het inderdaad Hendrik Willems Bramer betreft. Hendrik wordt in het kerspellastenregister altijd laag aangeslagen. Hij zal het niet breed hebben gehad. In 1769 staat Hendrik Bramer nog niet op dit adres vermeld, wel staat de naam van Lambert Velthuijs. Hij werd niet aangeslagen, dat betekent dat hij toen, ofwel was overleden of ook een zeer karig bestaan leidde. In andere belastingregisters wordt Hendrik geheel niet vermeld, een teken van armoede.In 1787 staat hendrik Bramer voor het laatst op voornoemd adres vermeld in het kersellastenregister. Van beide zonen Willem en Albartus is bekend dat ze het schrijven niet machtig waren en dat was in Vriezenveen redelijk ongebruikelijk.
In 1795 bij de volkstelling wordt Hendrik Bramer zelfstandig genoemd als dagloner in een woning die in de buurt van het ouderlijke "Gjttenerf" Westeinde 144, gelegen moet zijn geweest. (zie ook notities bij zijn moeder Cunera). Hij is dus een stukje westelijker opgeschoven op het Westeinde Ook zoon Willem Bamer, die in dezelfde omgeving aan het Westeinde wordt genoemd met de volkstelling van 1795 zal het als wever niet erg breed hebben gehad. Hendriks broer Gerrit en Fredrik en zuster Trijntje (kohier op de quotisatie 1808) bewoonden het ouderlijk erf. Dit was zo bepaald in het testament van moeder Cunnera. Later zou de zoon van Hendrik genaamd Willem dit erf in handen krijgen. De broers en zuster van Hendrik waren namelijk ongehuwd, waardoor het erf later toekwam aan de kinderen van Hendrik.
Notitie bij de geboorte van Hendrik Willems: de naam van de moeder wordt bij Hendrik in 1724 niet vermeld. vermeld staat Hendrik zv "Willem Jansen Braemer en........" Wellicht was het een "moetje".
Notitie bij het overlijden van Hendrik Willems: in het overzicht van giften aan de kerk uit 1801 staat vermeld de weduwe Hind-k Bramer. Zij doneert 1 gulden.
Notitie bij Annegjen Alberts: een broer van Annigjen, Jan geb. 1749, was in 1770 te Sint Petersburg (bron: J. Hosmar, Vriezenveense rusluie)

226. Albert Gerrits Waanders, ged. Vriezenveen 17 juli 1735, begr. ald. 10 april 1807, tr. Vriezenveen 20 maart 1762
227. Hendrikje Jansen Tijhof, ged. Vriezenveen 11 dec. 1735, † ald. na 1780.

Notitie bij Albert Gerrits: landbouwer, bewoonde het erf Westeinde 200 (huidige nummering); zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 197. Het erf omvatte 4 akkers (boterpachtregister 1763). Bewioonde het ouderlijke erf. Niet te verwarren met de wever Albert Gerrits die verderop op het Westeinde woonde!

Op 22-06-1765 verklaren Albert Gerrits en Hendrikje Jansen 500 gulden schuldig te zijn aan Gerrijt Schipper en Engberdina Hendriks (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).

Op 24-03-1780 verklaren Alb. Gerritsen Waanders en Henderikje Jansen Tijhoff 500 gulden schuldig te zijn aan Hendrik Arentsen en Lena Cruijs. Dit onder hypotheek van huis en erf, dat eigendommelijk gedeeld wordt met Roelof Wiegers (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).
Notitie bij de geboorte van Hendrikje Jansen: van een tweeling, haar tweelingbroer heet Otto.

228. Gerrit Harms Kerre, ged. Vriezenveen 17 aug. 1732, begr. ald. 13 jan. 1806,9 tr. Vriezenveen 24 jan. 1756
229. Geesjen Garrits, ged. Vriezenveen 25 maart 1728,48 †?.

Notitie bij Gerrit Harms: naam ook wel Cerre, Kirre . Hij is niet traceerbaar in de boterpachtkohieren, in 1795 genoemd als de aangever van het gezin van zijn dochter en schoonzoon, waar hij bij de volkstelling van dat jaar inwonend was. Mogelijk is hij evenals zijn schoonzoon wever van beroep geweest.
Moet in de buurt van Westeinde 100 hebben gewoond, evenals zijn vader en grootvader. Het erf was van de kerk ofwel de Sint Crucenvicarie, een zogenaamd pastorieerf. Staat in 1761 te boek voor een halve akker, is per jaar 6 gulden verschuldigd en nog een koeweide voor een pachtsom van 2 gulden en 2 stuivers per jaar. (bron: archief Huize Almelo inv. nr. 1807).
Gerrit Kerre komt niet voor in het kohier van de 1000e penning uit 1751. Dat betekent dat hij tot de groep minderbedeelden van Vriezenveen hoorde.
Notitie bij Geesjen: volgens Andr Idzinga, Vriezenveners.nl is zij de dochter van Gerrit Herms Persoon en Metjen Gerrits en gedoopt op 25-3-1728.
In 1748, tijdens de volkstelling is ze dienstbode bij Harmen Fronten.

230. Jan Gerritsen Hospes, ged. Vriezenveen 25 juli 1728, † ald. omstr. 1766, tr. Vriezenveen omstr. 1752
231. Swennigjen Lucassen Schoemaker, ged. Vriezenveen 15 mei 1729, † Vriezenveen (?) na 1795.

Notitie bij Jan Gerritsen: Komt als Jan Garrijts voor in het Hoofdgeldkohier van 1760, woont aan het Oosteinde, wordt aangeslagen voor 3 personen. Zou volgens Herman Jansen op het "Knievvelserf" , Oosteinde 200 hebben gewoond (zie notities dochter Gerhardina). Zit qua hoofdelijke belastingaanslag (1 gulden en 4 stuivers beneden het gemiddelde). Is niet in de boterpachtkohieren te traceren. De vraag is of hij landerijen had, zoon Gerrit die in 1795 (volkstelling) het erf bewoont, is nl. kleermaker van beroep (aangegeven in de volkstelling als "kleemaker". Aangezien ook vader Jan de naam Snijder had (belastingregisters op het geslacht van 1750 en 1751) lijkt het er op dat dit beroep van vader op zoon werd doorgegegeven en zal Jan het kleermakersambt ook wel hebben uitgeoefend. Snijder is synoniem aan kleermaker. Ook vader Gerrit wordt niet vermeld bij de landerijenoverzichten van de boterpachtregisters.
Op 28-10-1752 kopen Jan Gerrits Hospes en zijn vrouw voor 130 car. guldens 160 treden land, gelegen in de landerijen van Jan Harmsen Tutertjes, van o.a. Berent Gerrits Coster en Willem Jansen Post (gehuwd met Mette Jansen Snijder) als mombers voor het onmondige kind van wijlen Gerrit Gerritsen Koster en Aaltje Jansen Snijder, genaamd Jan Gerrits, idem 28-10-1752 (Bron: Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 07-02-1760 kopen Jan Gerrits Hospes en zijn vrouw 2 koeweiden van Gerrit Willemsen Kamp en diens echtgenote Jenneken Hendriks Scheeper voor 277 guldens (Bron: Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).
Notitie bij de geboorte van Jan Gerritsen: gedoopt als Jan zv Gerrith Herms en Geertjen Jansen
Notitie bij het overlijden van Jan Gerritsen: Jan Gerrits staat nog vermeld in het kerspelbelastingenkohier van 1765 en 1766. In 1767 staat zijn weduwe vermeld in dit register. In het hoofdgeldkohier van 1766 staat de weduwe ook reeds vemeld (dus een jaar eerder), zodat Jan rond 1766 moet zijn overleden.
Notitie bij de geboorte van Swennigjen Lucassen: gedoopt als dochter van Lukas Jansen en Jennigjen Berends
Notitie bij het overlijden van Swennigjen Lucassen: is nog in 1795 getuige bij de doop van haar kleinkind Fredrika op hemelvaartsdag 1795 in de Oude Kerk te Amsterdam. Eerder trad ze als getuige op in 1793.

232. Hendrik Jansen Pot (ook wel Snijder), ged. Vriezenveen 1 maart 1710, † ald. na 1784, tr. omstr. 1735
233. Metje Harmsen, ged. Vriezenveen 26 dec. 1706, † ald. vr 1784.

Notitie bij Hendrik Jansen: kleermaker van beroep? Bewoonde het erf Westeinde 608 (bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 248-249), voorheen was dit erf eigendom van Willem Klaassen Vos, zie notities echtgenote Metje Harmsen; Willem Vos wordt in het verpondingsregister van 1736 nog als hoofdbewoner vermeld.

Bij de volkstelling van 1748 worden genoemd Henr. Pott en echtgenoot Mette Harmsen, verder twee kinderen onder de 10 jaar Jan Henderix en Geessien Henderix, het zoontje Hermen dat werd gedoopt op 19-8-1742 is dan kennelijk al overleden.

In het breukarchief van de schout Claes Cruijs komt in 1734 voor Hendrik Jansen Snijder, alias Pot. De kwestie waarin Snijder alias Pot wordt genoemd betreft een ruzie over wiegengeld (?)van Jan Freriks Tutertien junior tussen Pot en Derk Jansen Schuurman. het voorval vond plaats in de herberg van Willem Jansen Onweer. (bron: AHA inv. nr. 3241). Dacht ik aanvankelijk nog dat de Hendrik Pot uit Hellendoorn afkomstig moet zijn, -vanwege het Poterf in deze plaats-; door dit gegeven is een andere conclusie voor de hand liggend. Namelijk Hendrik Jansen Pot is de zoon van Jan Egberts Snijder en Jennigjen Jansen en moet zijn gedoopt op 1 maart 1710 te Vriezenveen.

Hendrik Snijder komt al zelfstandig als belastingplichtige in het belastingregister van het geslacht uit 1738 voor. Hij was toen woonachtig op het Westeinde op het zelfde erf(!) als het latere Potserf. Ook in het hoofdgeldkohier van 1735 staat hij als Hendrik Jansen zelfstandig vermeld met een aanslag voor 2 personen. In het geslachtsbelastingregister van 1739 slaat louter de aanduiding Pot. De belastingkohieren bevestigen dus de conclusie dat Hendrik Jansen Pot en Hendrik Jansen Snijder identiek zijn.

In de kerspeljaarrekening van 1741 zit een quitantie van Hendrik Jansen Snijder voor een bdrag van 1 gulden. Waarvoor deze rekening werd ingediend is niet bekend (bron: AHA inv. nr. 2767).

Met de belasting van de 1000e penning in 1758 (Statenarchief inv. nr. 2559) wordt Hendrik Pot aangeslagen voor een vermogen van 525 gulden en daarmee behoorde hij tot de meer vermogende Vriezenveners.

Hendrik Pot maakte in 1784 zijn testament (21-03-1784). Zijn zoon Jan Hendriks Pot wordt tot universeel erfgenaam benoemd onder voorbehoud dat de twee dochters Geesje en Harmijna Hendriks Pot hun legitieme erfdeel krijgen.
Harmijna hendriks Pot ontvangt voorts een legaat van 50 gulden (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).
Notitie bij de geboorte van Hendrik Jansen: gedoopt als Hendrick zoon van Jan Egberts en Jennighjen Jansen
Notitie bij Metje: Metje kocht in 1730 van Willem Klaassen Voss en Jenneken Jansen huis en landerijen voor 150 caroli gulden. Voor nog een 150 gulden kreeg ze daarbij ook de inboedel nog. (Bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2674, zie ook Ken uw dorp en heb het lief, blz.248, 249) Dit was niet een groot bedrag, dus of het stelde niet veel voor ofwel Metje was familie. Ik vermoed dat Jenneken Jansen een zuster was van de moeder van Metje, Geesjen Jans. Bijzonder trouwens dat zij als vrouw een erf kocht. Ik ga er van uit dat Metje een dochter is van Herman Hendriks Grobben, dit klopt qua doopdatum, maar ook met de vernoeming van namen naar de grootouders, er is nl. een dochter Geesjen Pot.

234. Berent Jansen Smelt (dezelfde als 216), tr.
235. Jenneken Hendriks Klumper (dezelfde als 217).

236. Jan Eshuijs, ged. Wierden 16 juni 1720, † ald. vr 22 mei 1784, tr. 1e49 (kerkelijk Wierden 1 april 1742) Maria Huijskes, ged. Wierden (?) 18 aug. 1700, † Wierden vr 1748, dr. van Harmen (Jansen?) en Geesje Gerritsen en wed. van Garrit Voordinck; tr. 3e Wierden 21 juni 1761 Maria Staman, ged. Wierden 31 aug. 1732, † ald. omstr. 1762, dr. van Garrit en Aeltjen Eshuis; tr. 4e (ondertr. Wierden 4 dec. 1762) Berendina Kosters, geb. Vriezenveen, † Wierden, wed. van Harmen Willemsen; tr. 2e Wierden 6 nov. 1748
237. Harmina Sweerinck, ged. Wierden 10 okt. 1717, † ald. vr 1761.

Notitie bij Jan: Bij de volkstelling van Wierden in 1748 staat vermeld:
het huis van Jan Eshuis: Jan Eshuis en de kinderen: Garritien (boven 10 jaar) en zoon onder 10 jaar: Gerrit. Garritien was een dochter uit een eerder huwelijk van Maria Huijskes, zij droeg de achternaam Voordink.
Notitie bij Harmina: Heet ook wel in de Belte, net zoals haar vader.
Bij de volkstelling van 1748 staat Maria Swerinck vermeld als inwonend op het erf Sweerinck, hoofdbewoners zijn dan Jan Sweerinck en Jenne (afkomstig van het Boomhuis te Almelo; zij huwden te Wierden op 12-4-1733).
Notitie bij de geboorte van Harmina: als ouders staan bij de doop vermeld: Gerrit Sweerinck in de Belte en Anna.

238. Hendrik Jansen Nijhof, ged. Wierden 27 febr. 1724, † ald. na 1775, tr. Wierden 12 sept. 1751
239. Jenne Lankamp, ged. Wierden 10 febr. 1726, †?.

Notitie bij Hendrik Jansen: onbekend is waar Hendrik Nijhof ten tijde van de volkstelling van 1748 was. Hij was toen niet inwonend bij zijn moeder, wellicht was hij in Almelo als knecht werkzaam.
landbouwer volgens overlijdensregistratie dochter maria in Almelo (1822).
Notitie bij het overlijden van Hendrik Jansen: leeft nog bij huwelijk dochter Maria in 1775.
Notitie bij de geboorte van Jenne: gedoopt te Wierden als Jenne dv Egbert lanckamp en Jenne Arends in de Olde Weeme.
Notitie bij het huwelijk van Hendrik Jansen en Jenne: Hendrik Nijhof JM soon van Jan Nijhof met Jenneken Lanckkamp D van Egbert Lanckkamp beijde alhier cop: den 12 sept.

240. Henricus Harmsen Aman (dezelfde als 136), tr. Vriezenveen 23 april 1757
241. Hendrikje Gerrits Smelt (dezelfde als 137).

Notitie bij Henricus Harmsen: landbouwer (bron: overlijdensakte zoon Fredrik 1827). Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering). Zie blz. 146 Ken uw dorp en heb het lief.
Met de volkstelling van 1748 vermeld als Henricus Harmsen als kind boven 10 jaar, inwonend bij zijn ouders.
Bewoonde het ouderlijk erf. In 1760 wordt "hendrijkes harms" inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet 1,70 betalen, dat is behoorlijk boven de gemiddelde afdracht van 39 cent p.p., nl. ca. 57 cent.

Henricus was zelf van heel simpele komaf. Door zijn huwelijk (of misschien ook handelsactiviteiten) steeg de familie Aman behoorlijk op de maatschappelijke en welstandsladder.

242. J(oh)annes Berkhoff (dezelfde als 138), tr. 2e Vriezenveen 21 juni 1760
243. Metje Jansen Tutertjen (dezelfde als 139).

Notitie bij J(oh)annes: gedoopt als naam onleesbaar ouders heten Jan Jansen Berkhof en Hendrijkjen Jansen. Wordt evenals zijn vader niet in de boterpachtkohieren vermeld. Heeft het ouderlijk erf van zijn vader overgenomen dat gelegen was aan het Oosteinde 409. In de hoofgeldkohieren vermeld als Jannes of Jans. Hierin voor het eerst genoemd in 1759, wordt dan evenals in 1760 aangeslagen voor 2 gulden (aanslag voor 3 personen) en dat was een hoog bedrag, nl. ca. 67 cent, terwijl het gemiddelde op 39 cent p.p. lag. Wordt in 1764 nog genoemd, dan als Jan, wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 12 stuivers. In elk geval zijn z’n boeren activiteiten kleinschaliger van omvang dan die van zijn broer Jan, die een grote schaapskudde had. Jannes blijft bij maximaal 5 schapen steken en ook z’n landbouwareaal was kleiner van omvang, als we de belastingkohieren van gezaaide landerijen mogen geloven. In 1761 heeft hij naast een varken en een paard 5 bijenkorven en heeft hij geen schapen meer, hij zal ongeveer 2 koeien hebben gehad, gezien de bedragen die hij aan koegeld (belastiing op het hoornvee) moest betalen. Hij zal andere middelen van bestaan moeten hebben gehad, misschien koopman of schipper zoals de 2e echtgenoot van Metje Jansen Tuttertjen.
Het echtpaar maakt een testament op 8-12-1759. Testator vermaakt aan zijn moeder Hendrikjen Jansen Smelt haar legitieme erfdeel. Testatrice doet hetzelfde voor haar ouders Roelof Wilms en Aaltjen Berens. De kleding van testatrice worden vermaakt aan haar moeder, tenminste als zij zonder kinderen zou komen te overlijden. Testator legateert zijn linnen en wollen kleren aan zijn broer Jan Barkhoff. verder is het een langstlevende testament. Jannes ondertekent het testament, zijn echtgenote plaatst een kruisje (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

Jannes wordt nog in het belastingregister van gehoornde beesten in 1767 vermeld. Het erf van Johannes wordt in 1768 volgens hetzelfde belastingregister van gehoornde beesten bewoond door een zekere Jannes Albertsen, die zich ook wel Weijteman noemde, hij was in 1766 gehuwd met de weduwe van Jannes Berkhof.

Johannes, doorgaans Jannes genoemd, wordt vermeld als getuige in een proces dat handelt om de mishandeling van Lucas Jonker door Harmen Klaassen (processtuk 8-3-1747 Archief Huize Almelo inv.nr. 2932). Jannes zegt dan omtrent 18 jaar oud te zijn.
Het erf van Johannes wordt na diens dood overgenomen door de familie Weiteman; op 20-9-1766 huwt Jannes Albersen Weiteman (volgens de volkstelling van 1795 schipper van beroep) met de weduwe van Jannes Berkhoff, Metje Tuttertjen. Vanaf dat moment doet de naam Weiteman z’n intrede op het oude Berkhof’serf. De familie Weiteman bzit het pand in elk geval nog in 1834 als in de kadastrale leggers Jan Weiteman, zoon van Jannes als eigenaar van het erf wordt genoemd.
Notitie bij de geboorte van J(oh)annes: bij doop is de moeder niet vermeld, alleen de naam van de vader Jan Jansen.
Notitie bij het overlijden van J(oh)annes: op 20-09-1766 hertrouwt de weduwe van Jannes Berkhof met Jannes Alberts Weijteman.

244. Jan Berkhof (Buten) (dezelfde als 128), tr. Vriezenveen 18 jan. 174922
245. Kunneken Derks Fayer (dezelfde als 129).

Notitie bij Jan: bewoonde het Jan Butenserf gelegen aan het Oosteinde 390 (huidige nummering). diaken en boekhouder 1775 en 1776 (bron: archief NH kerk Vrveen doos 77).
kerkmeester in de periode 1763-1787 (bron: gemeentejaarrekeningen AHA). Gedoopt als Jan zoon van Jan Berchof en Hendrijkjen Smelt. Hij was zelf afkomstig van het pand Oosteinde 409 (aan de overzijde van de straat) en huwde zijn buurmeisje Kunnigje Fayer, die op nummer 407 woonde (uitgaande van de huidige nummering). Van beroep was Jan landbouwer, turfschipper en timmerman en mogelijk evenals zijn vader linnenkoopman (zie opmerkingen hierover bij vader Jan). De waterput uit 1784 met initialen van Jan Berkhof en Kunnigje Derks Fayer (J.B.H. en K.D.F.) was anno 2004 nog steeds te vinden aan het Oosteinde 300 te Vriezenveen. Inmiddels (2016) is de put te vinden bij de nieuwe boerderij van de Jan Butensfamilie aan de Walstraat.
Zowel bij het overlijden van zijn dochter Dina in 1812, als bij het overlijden van zijn dochter Janna in 1822 wordt als beroep van Jan genoemd timmerman.
Verkrijgt de helft van het erf van zijn schoonvader Derk Fayer en wordt voor het eerst in het hoofdgeldkohier van 1750 genoemd, heet dan Jan Berkhof jonge. Omstreeks 1750 zal Jan dus op zich zelf zijn gaan wonen. Broer Johannes blijft op het ouderlijke erf van vader Jan wonen, gelegen aan het Oosteinde 409. Jan Berkhoff (Buten), wordt met de hoofdelijke aanslag van 1753 voor 1 persoon belast met 1 gulden, wat erg veel is. In 1753 in het belastingregister op de reliqua (belasting op schapen, varkens en bijenkorven) wordt Jan voor het eerst met de naam Buten aangeduid, hij heeft dan 16 schapen, wat behoorlijk veel is; slechts 3 boeren op het Oosteinde kunnen zich in dat jaar eigenaar van een grotere schaapskudde noemen, waaronder ook oom Berent Jansen Berkhof, die dan 20 schapen bezit. Ook had hij nog een varken en 4 hoornbeesten (runderen ouder dan 3 jaar). NB De belasting op gehoornd vee betrof nl. koeien ouder dan 3 jaar. Hoornvee jonger dan 3 jaar is dus niet meegenomen in de belastingkohieren. Verder moest hij in 1753 belasting betalen voor meer dan een halve hectare bezaaid land. In 1760 bezat Jan zelfs 25 schapen, waarvoor hij toen bijna 2 gulden belasting moest betalen. Hij was dat jaar de op n na de grootste schapenboer van Vriezenveen, alleen Berent Wype had meer schapen dat jaar, nl. 26. In later jaren moet de schaapskudde van Jan Buten, gezien het belastingbedrag dat hij moest betalen, zelfs nog groter geweest zijn.
De naam Jan Buten in het belastingregister op de reliqua uit 1753 is de eerste aanduiding voor de bijnaam Jan Butens, die zijn nazaten vandaag de dag nog steeds dragen (2004). Hij is als het ware de stamvader van de Jan Butens, zijn alias was Jan Buten en in de belastingregisters komen we hem onder die naam vaker tegen als onder de naam Berkhof. In 1760 wordt Jan Buten hoofdelijk aangeslagen voor 2 personen en moet 1,70 betalen, dat is 0,85 per persoon, terwijl het gemiddelde voor heel Vriezenveen op 0,39 lag. Hij behoorde hiermee zeker tot de meer vermogende Vriezenveners.
Het Fayerserf (Oosteinde 407] was onderdeel van het Berckhoffs erf uit 1583 bestaande uit 10 akkers (bron: boterpachtkohieren), dat rond 1645 werd opgesplitst in twee 4-akker erven. Ook nu dus weer een opsplitsing. Jan krijgt van de 4 akkers, 2 akkers en gaat zich aan de zuidzijde van de dorpsstraat vestigen. Jan vestigde zich aanvankelijk een stuk zuidelijker van de dorpsstraat, vandaar de bijnaam "Buten". Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 158). Lang heeft het erf daar niet gestaan, zon 35 jaar, want in 1784 bouwt hij een nieuwe boerderij, dichter bij de dorpsstraat, waar de waterput uit 1784 nog steeds van getuigt (anno 2004). Jan Buten bezat ook nog land genaamd de paterije en het land ten oosten van de Schipsloot (zie Ken uw dorp en heb het lief). In het boterpachtregister over 1753 wordt de splitsing van het erf al duidelijk. Hoewel het "Fayerserf" daarin nog aangegeven staat als n erf, wordt de betaling van de boterpacht reeds voor de helft opgebracht door de aantrouw Jan Berkhoff, die 8 pond boter betaalt en zijn zwager Jan Derksen Feyer, betaalt ook 8 pond boter. In het boterpachtkohier van 1763 staat hij aangeduid als Jan Berkhof junior, dit ter onderscheid van zijn vader, die dan dus mogelijk nog leeft. Jan Berkhof wordt nog genoemd in het kohier van dienstbodengeld (Archief Huize Almelo) van 1790, en wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 8 stuivers (bron: AHA inv. nr. 2769).

08-02-1773 akte van transport: aankoop van een akker turfland op het Superplus door Jan Jansen Berkhof en zijn huisvrouw voor een bedrag van 126 gulden, 11 stuivers en 8 penningen van de edele Gerrit Costers Egb.zn. [koopman te Almelo]. Het gekochte land is gelegen tussen het land van Jan Berents Hof en Henderik Berents Braemer (bron: Archief schoutambt Vriezenveen, inv,.nr. 2677).

3-5-1777 is Jan Jansen Berkhof, n van de turfschippers die de Heer van Almelo verzoeken om een dam in de Hollander Graven te plaatsen, zodat het water op kon stuwen, om het transport van turf te vergemakkelijken (inv. nr. 4067 Staten archief). Het verzoek is verder ondertekend door Albert Berends Broertjen, Hendrikus Harms, Berend Hofman, Jan Koops en Jannes Vrijlink.

Als timmerman komt Jan Jansen Berkhof Buijten diverse keren voor in de jaarrekeningen van de gemeente, omdat hij diverse timmeropdrachten uitvoerde aan bruggen, de pastorie, de kerktoren etc. In 1754 repareert hij het Oostervonder en brengt hij 10 gulden en 7 stuivers in rekening. In 1764 bedraagt de rekening voor reparaties aan bruggen 25 gulden en 10 stuivers. In 1776 brengt "Jan Barkhof Buijten" een bedrag van 36,35 gulden in rekening voor reparatie van de poort van de pastorie. In 1775 krijgt Jan Berkhoff de bouw van de brug naar Wierden vergund voor de som van 163 guldens.

20-11-1783 is Jan Berkhoff, samen met Gerrit Fredriks en Claas Claasen, voogd over de onbekwaam verklaarde Jan Faijer (gedoopt 1722) en diens onmondige dochtertje Jannetje Faijer. Jan Faijer was een neef van echtgenote Kunnigje Derks Faijer (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).

Copyright: Erik Berkhof, Amsterdam 2017.
Notitie bij het overlijden van Jan: in het kerspellastenbelastingregister van 1792 worden genoemd, de kinderen Jan Berkhof, een teken dat Jan overleden moet zijn in dat jaar. In het register van 1791 wordt Jan nog genoemd.

246. Wolter Derks Schipper (dezelfde als 130), tr. Vriezenveen 11 maart 1758
247. Jenneken Berends Berkhof (dezelfde als 131).

Notitie bij Wolter Derks: Bewoonde het pand Oosteinde 251, bekend als het Keibeerndserf (blz. 114,115 Ken uw dorp en heb het lief).
Nam het erf over van zijn schoonvader Berend Jansen Berkhoff wordt in 1763 als eigenaar van het goed genoemd. Het goed was toen een 3-akkerstuk. Bij het Hoofdgeld van 1760 wordt Wolter aangeslagen voor 4 personen en moet hij 2 gulden betalen. Dat is 0,50 per persoon, en hiermee lag men boven de gemiddelde aanslag van 0,39 per persoon. In 1779 wordt genoemd de weduwe Schipper, zij krijgt een aanslag van 3 gulden voor 2 personen.
Wolter Schipper heeft waarschijnlijk en rol gespeeld in het Vriezenveens bestuur, herhaaldelijk komt in de gemeentejaarrekeningen voor (zestiger jaren van de 18e eeuw) dat Wolter betrokken was bij vaststelling van belastingregisters, in 1779 wordt met de weduwe van Wolter Schipper nog een bedrag in de gemeentejaarrekening opgenomen van 5,25 voor het beestentellen. Zoon Berent zal de functie van zijn vader op dit vlak overnemen en staat vanaf 1780 in de gemeentejaarrekening als beestenteller vermeld.

Op 12-01-1763 ontvangen Egbert Berends Berkhof en Wolter Derks Schipper van de schout Jan Dikkers 237,10 gulden, in verband met proceskosten inzake de sluis bij het Kooikershuis, die wijlen hun (schoon) vader als verwalter-schout had gemaakt en van gemeentewege had voorgeschoten (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).
Notitie bij het overlijden van Wolter Derks: In 1779 wordt de weduwe Wolter Schipper genoemd in de gemeentejaarrekening, waarbij haar nog een vergoeding toekomt van het beestentellen voor de belastingvaststelling dat Wolter kennelijk dat jaar voor zijn overlijden nog heeft uitgevoerd.

248. Fredrik Hendriks Aman (dezelfde als 68 in generatie VII), tr. Vriezenveen 20 sept. 1783
249. Kunnigje Jansen Berkhoff (dezelfde als 69 in generatie VII).

Notitie bij Fredrik Hendriks: landbouwer, imker (zie boedelscheiding) en koopman (1806). In de overlijdensakte genoemd landbouwer van beroep.
was kerkmeester van de Ned. Herv. kerk te Vriezenveen (o.a. in 1809 en 1810). Ik vermoed dat Fredrik ook marskramer is geweest. Op 13 februari 1810 staat in stukken van het archief van schoutambt Vriezenveen inv. nr. 34, dat Fredrik Aman als kerkmeester absent was, evenals medekerkmeester Gerrit Fredriks. De wintertijd was de tijd om met de marskraam op pad te gaan.
Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering). Deze boerderij zou de bakermat van alle families Aman zijn.
Volgens het register op de personele quotisatie van 1808 beschikte Fredrik over een inkomen tussen 200 en 250 gulden en dat was aanzienlijk.

Frederik verstrekte aan diverse dorpsgenoten hypotheken en kocht een vierakkerstuk (bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 146).
De boerderij van Fredrik brandde in 1818 af. De schout Jan Kruijs schrijft hierover in zijn dagboek:
veertien dagen voor Paasschen brande het Huys van Frederik
Aman af. Zulks geschiede op een agtermiddag, Terwyl
de vrouw (eten?) bezig waren aan de wasch, de vlam
nam zo spoedig de overhand dat selfs het vhee en het
Paard niet heeft gered kunnen worden. Ymen, Honig,
wasch en byna de geheelen Inboedel is verloren gegaan.
Het Huys was gelukkig in de brand cas voor f 1200.-
Thans staat er weder een allerbest boeren Huys in de
plaats."

In de Staatscourant van 24 maart 1818 wordt de brand zelfs vermeld: "Vrieseveen, den 17 maart.
Heden nadenmiddag ten 4 uren, is, door eene geheele onbekende oorzaak, de woning van den landbouwer Frederik Aman in brand geraakt en, met den geheelen inboedel, benevens de schuur, met zeven stuks rundvee en een paard, als in een ogenblik, een prooi der vlammen geworden. Door den ijver der brandspuitgasten, van de ingezetenen ondersteund, zijn de belenden woningen, niettegenstaande den fellen wind, behouden gebleven (Overijsselsche Courant)".

De betreffende boerderij had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 36 gulden en viel daarmee in belastingklasse 4 en was daarmee toendertijd zeker een woning van betere stand. De gegoede stand blijkt ook uit de bijdrage van Frederik aan de verbouwing van de Hervormde kerk in december 1801 ten bedrage van 32 gulden. De inwonende vader Hendrikus doneerde 5 gulden.
In het belastingkohier van de quotisatie wordt het jaarlijks inkomen van Fredrik op 250 tot 300 gulden geschat en dat was voor Vriezenveense begrippen erg veel.
Op 11-11-1820 vind er een boedelscheiding plaats tussen Fredrik Aman en zijn kinderen in verband met de verdeling van het voormalige aandeel van Kunnigje Jansen Berkhof in de boedel. De gezamenlijke boedel van het voormalige echtpaar omvatte in 1820:
2 akker land bij de boerderij aan het Oosteinde gelegen (toen genummerd 27), gelegen tussen de landerijen van Hendrik Hoff en Jan Hoff.
-2 koeweiden in het zogenaamde Onweersland. Diverse stukken wilde veengrond o.a. bij de buurtschap Geesteren.
-1 akker wilde grond in de Oosterhoeven
-2 akker wilde grond op de Grote Superplus.
totale waarde van landerijen geschat op 1.800 gulden.
Verder bezat Fredrik Aman:
- 5 koeien, waarde 150 gulden.
-1 paard, waarde 100 gulden.
-2 kalveren, waarde 20 gulden
-2 wagens, waarde 40 gulden
-2 kisten, waarde 15 gulden
-1 kast, waarde 10 gulden
-2 tafels en enige stoelen, waarde 10 gulden
-2 bedden met toebehoren, waarde 80 gulden
- enige potten, pannen, schotels, borden en verder keukengerei, waarde 40 gulden
-diverse bouwgereedschappen, waarde 26 gulden
-voorraad ongedorste rogge, waarde 70 gulden
-dito boekweit, waarde 70 gulden
-dito hooi, waarde 40 gulden
-dito aardappelen, waarde 50 gulden
-bijen, bijenkorven, was, honing, honingvaten en alle toebehoren voor de bijenteelt, waarde 850 gulden.

Aan leningen had het echtpaar in totaal 1.849 gulden uitstaan.
4 kinderen ontvangen een uitkering uit de boedel ter waarde van 712,25 te weten:
Hendrik Aman, Johanna Aman, Magdalena Aman en Hendrikus Aman ontvingen een aandeel van 721,- , in totaal 2.521,-. Als gemachtigde van Hendrikus Aman trad op zijn zwager Berend Hof, landbouwer te Vriezenveen (bron: notarieel archief Overijssel nr. 15)

Op 2 december 1790 verklaren Albert Jansen en Harmine Hendriks 150 gulden schuldig te zijn aan Fredrik Hendriks en Kunnetjen Berkhof onder hypotheek van het halve huis (de westkant) en erf en landerijen van wijlen Albert Jansen Scheeper, tegen een rente van 4 gulden 10 stuivers. (bron archief schoutambt Vriezenveen inv.nr. 2680 foto 495).
Notitie bij het overlijden van Fredrik Hendriks: Fredrik is overleden op 10 april ’s-avonds om 6 uur in Almelo nabij het huis van Hendrikus Kortenvoord staande op de Schelfhorst wijk 5 nr. 273 en 274.

250. Barend Alberts Broertjen (dezelfde als 66 in generatie VII), tr. Vriezenveen 17 febr. 1793
251. Janna Berends Holland (dezelfde als 67 in generatie VII).

Notitie bij het huwelijk van Barend Alberts en Janna Berends: huwelijksregistratie luidt als volgt: "Berent Broertien Z. van Albert Broertien en Janna Henderiks Hof en Janna Holland D. van Baerent Holland en Janna Schipper J.D. geb: en wonende beide alhier"

252. Berent Jansen Hoff (Hofman), ged. Vriezenveen 15 aug. 1745, † ald. 20 mei 1814, tr. 2e Vriezenveen 2 sept. 1780 Gesina Joost, ged. Vriezenveen 4 juli 1756, † ald. 17 sept. 1838, dr. van Jan Harmsz. en Aeltjen Berends Frielinck; tr. 1e Vriezenveen 17 juni 1769
253. J(oh)anna Jansen Bramer, ged. Vriezenveen 18 juni 1747, † ald. vr 1780.

Notitie bij Berent Jansen: in 1795 bij de volkstelling schipper van beroep. Moet in de buurt van Oosteinde 340 hebben gewoond gezien zijn positie op de lijst van de volkstelling. Het gezin omvatte toen 5 personen. Volgens de auteurs van Ken uw dorp en heb het lief, moet het pand Oosteinde 308 (huidige nummering) zijn geweest. In 1783 besloeg het goed nog 4 akkers. Daarna raakte het sterk versnipperd. In 1801 droeg Berend 10 gulden bij aan de vernieuwing van de gereformeerde kerk (is huidige hervormde kerk).
08-05-1780 akte van transport. Verkoop door Berent Jansen Hoffman en Janna Jansen Braamer, de hen toebehorende landerijen van Jan Berents Braamer voor 100 guldens aan Henricus Boesschen (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).

01-06-1781 akte van transport: verkopers:
-Hermen Schipper en Fenneken Hoff
-Hermannus Hof en Janna Egbers
-Berent Jansen Hoff voor zich zelf en als vader en wettige voogd voor zijn onmondige kinderen.
verkopen 1 akker bovenwegsland, (gemeenschappelijk met Derk Drosten bezeten) voor 100 gulden aan Albert ten Oever en Berent Bos.
Ook wordt nog een grasgaarden, gelegen in de landerijen van Gerrit Harms, verkocht voor 151 gulden aan Lucas Bom.
(archief schoutamt Vriezenveen inv. nr. 2678).
Notitie bij het overlijden van Berent Jansen: in de overlijdensakte staat vermeld: oud 70 jaar, landbouwer, echtgenoot van Gezina Joost.

254. Jannes Jansen Jacobs (de Baes), ged. Vriezenveen 3 juni 1743, † ald. 14 jan. 1822, tr. 2e Vriezenveen 19 april 1783 Aaltje Bramer, †?; tr. 1e Vriezenveen 11 april 1772
255. Johanna (Janna) Willems Post, ged. Vriezenveen 3 dec. 1747, † ald. vr 19 april 1783.

Notitie bij Jannes Jansen: boer volgens de volkstelling van 1795. Het gezin omvat dan 4 gezinsleden en de aangifte van de registratie van het gezin wordt gedaan door dochter Johanna. Jannes bewoont vanaf 1764 het erf westelijk van het Onweerserf aan het Oosteinde (bekend als het Baaiserf). Hij koopt het erf van Gerrit Fluge en zijn vrouw. (bron: Ken uw dorp blz. 147). Het erf is dan 3 akkers groot.

Samen met zijn dochter Janna wordt hij genoemd op de lijst van begunstigden met betrekking tot de verbouwing van de Hervormde kerk 1801. Jannes staat op de lijst ingeschreven voor 7 gulden en zijn dochter Janna voor 10 gulden (archief NH-kerk).

oa. inn 1778 staat hij in het belastingregister van kerspellasten onder de naam "de Baes" vermeld. Daar komt ongetwijfeld de bijnaaam de Baais van zijn nazaten vandaan. Ook in het kohier van het geslacht van 1774 staat hij als Jannes de Baas vermeld.
Notitie bij het overlijden van Jannes Jansen: in zijn overlijdensakte staat dat hij 85 jaar is geworden. Dit klopt toch niet helemaal met de werkelijkheid (78 jaar!). Vermeld is verder dat hij weduwnaar is van Jenneken Bramer, ook dit is onjuist, want hij was gehuwd met Aaltje Bramer, tenzij hij nog een derde keer gehuwd is geweest..
Als ouder staat wel juist vermeld Jan Jacobs, in leven landbouwer te Vriezenveen.
Notitie bij het huwelijk van Jannes Jansen en Johanna (Janna) Willems: den 11 april 1772 Jannes Jansen Z. van Jan Jansen en Janna Post N.D. van Willem Post beijde alhier (transcriptie Erik Berkhof)

Generatie IX

256. Jan Jansen Berkhof, geb. Vriezenveen omstr. 1695, † ald. omstr. 1758, tr. Vriezenveen omstr. 1725
257. Hendrientjen (ook Hendrikje) Jansen Smelt, ged. Vriezenveen 18 jan. 1705,13 † ald. omstr. 1776.

Notitie bij Jan Jansen: landbouwer en koopman in linnen, mogelijk in maatschap met Gerrit Jansen Broertjen.
In 1737 een paar maal als turfsteker vermeld die turf aan Huize Almelo verkoopt oa samen met Jan Willemsen Snijder, een nabuur van Jan Berkhoff (bron: AHA inv. nr. 1059 en 1060). Hierbij gaat het om behoorlijke bedragen, zoals op 19 januari 1737 toen de turfstekers Jan Berkhof en Jan Willemsen voor 72 gulden en 16 stuivers aan turf verkochten aan Huize Almelo (bron: AHA 1059 foto 2835). In 1727 wordt Jan Berkhof ook als turfsteker vermeld, samen met Geert Vrielink, de wed. van Geert Hendriks en de familie Aman, ze leverden op 5 sept. 1736 40 dagwerken zwarte turf aan Huize Almelo voor de som van 112 guldens (bron: AHA1037).
In 1739 graven de turfstekers Jan Berkhof, Jan Nijboer, Jan Willems en Berent Jansen Berkhof 50 dagwerken turf, hiervan zijn er 5 voor Huize Almelo en de overige 45 dagwerken verkoopt men voor 56 stuivers per dagwerk, wat uitkomt op een vergoeding van 126 gulden (bron: AHA inv. nr. 1060).

De link met de vader is niet hard, echter wel zeer waarschijnlijk. De mogelijke andere kandidaat Jan Berents Berkhoff (Kruis) heeft nl. al een zoon die Jan heet en waarvan de vaderlink wel hard te maken is via het boterpachtregister. Jan heeft gewoond in de boerenwoning Oosteinde 409, naast het voormalige Feijerserf, tegenover het oude Jan Butenserf. Jan wordt niet in de boterpachtregisters genoemd, maar wel in diverse belastingkohieren, zoals het hoofdgeldkohier van 1737. Toch moet hij over enige weide- en bouwgronden hebben beschikt, want in het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Jan 1 paard had, 3 schapen en 4 bijenkorven, ook had hij nog 2 hoornbeesten (runderen ouder dan 3 jaar). NB De belasting op gehoornd vee betrof nl. koeien ouder dan 3 jaar. Hoornvee jonger dan 3 jaar zijn dus niet meegenomen in de belastingkohieren. Verder moest hij in 1753 belasting betalen voor meer dan een perceeltje land dat bezaaid was.
In 1748 bij de volkstelling worden genoemd Jan Jansen Berkhoff en Henderikjen Smelt, verder 2 zonen boven de 10 jaar de oudste Jan die "absent" is, dat wil zeggen dat hij mogelijk voor handelszaken op pad was en dat dit mogelijk ook zijn voornaamste bezigheid was en verder nog Jannes die elders ook wel Johannes wordt genoemd. Verder had het echtpaar een dienstbode genaamd Janna Gerritsen.
Bij de belastingen der personele quotisatie van 1750 wordt zijn jaarinkomen onder de 200 gulden geschat. Van het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Jan 1 paard had, 3 schapen en 4 bijenkorven.

Volgens het kohier van de 1000e penning uit 1751 had Jan Berkhoff senior een geschat vermogen van 650 gulden. In 1758 is dat inmiddels 700 gulden geworden. In de kohieren van 1734 en 1739 werd Jan Berkhof nog niet in de registers vermeld. Dat betekent dat zijn vermogen toen nog onder de 500 gulden moet hebben gelegen.
Jan Berkhof wordt nog genoemd in het Hoofdgeldkohier van 1758. Hij wordt dan belast voor 2 gulden, gezien dit bedrag kan het moeilijk een armoedzaaier zijn geweest, ondanks het feit dat hij geen landerijen had (althans niet als zodanig traceerbaar in de boterpachtregisters). In 1759 wordt zijn zoon Jannes (ook wel Johannes) genoemd die dan kennelijk het ouderlijk erf heeft overgenomen. Zoon Jan heeft al eerder de ouderlijke woning verlaten en heeft zich gevestigd aan de zuidzijde van de dorpsstraat Oosteinde (de Jan Butens).
Jan Jansen Berkhof was mogelijk in 1740 door het college van Kerkmeesters en zestienen benoemd tot geslachtsetter, dat wil zeggen dat hij de hoogte van deze belasting bij hem in de buurt moest vaststellen (inv. nr. 2770 archief Huize Almelo). Aangezien de belastingsetters uit dit bestuurlijke college werden gekozen zal Jan waarschijnlijk sestiene zijn geweest (als kerkmeester is hij nl. niet bekend).
In 1747 wordt Jan Jansen Berkhof eveneens benoemd tot geslachtsetter (bron: gemeentejaarrekening). Overigens is er nog een andere kandidaat die in deze tijd leeft en Jan Jansen Berkhoff heet, 100% zekerkheid over de identiteit is dan ook niet te krijgen.

Rond 1742 heeft Jan mogelijk meer land verworven, want in dat jaar moet hij opeens meer belasting betalen volgens het verpondings en contributieregister van 1742. Zo wordt de verpondingsbelasting verhoogd van 3 stuivers en 2 penningen naar 4 stuivers en 3 penningen en de contributie gaat omhoog van 9 stuivers en 10 penningen naar 12 stuivers en 6 penningen.

Is in het jaar 1737 (de maand september of oktober) in de stad Halle en Leipzig samen met Gerrit Jansen Broertjen. Ook Henrik Jansen Boeschen en Jan Fredriks Fronten waren in dezelfde periode in die streken, mogelijk betrokken bij dezelfde maatschap. Dit blijkt uit een memorie uit het archief van het hooggericht Almelo. Hierin staat dat Henrik Jansen Boeschen, samen met Jan Fronten, van een bankier in Halle (Duitsland) enkele honderden guldens geld geleend had onder borg van 7 stuks linnen, maar de schuldverklaring zou Henrik Boeschen met een valse naam hebben ondertekend. Jan Jansen Berkhof en Gerrit Jansen Broertjen, die dezelfde bankier in Halle bezochten, werden gevraagd of zij de twee ( "een dikke zware man en een klein keerltien met swart haar") kenden en hen werd de valse schuldverklaring getoond, waarop ze ontkennend zouden hebben geantwoord. De man deelde de twee nog mee: "jullie zijn het niet, maar ze hadden wel dezelfde spraak". (bron: HAA inv. nr. 2969). NB theoretisch zou ook Jan Jansen Berkhof Kruijs degene kunnen zijn die in deze kwestie bedoeld wordt. Echter de andere 3 kooplieden komen uit het oostelijk deel van het Oosteinde, evenals Jan Jansen Berkhoff. Jan Jansen Berkhof Kruijs woonde meer westelijk op het Oosteinde, bovendien werd hij ook vaak met de naam Kruijs aangeduid. Wel is het zo dat de nabestaanden van Jan Berkhof Kruijs diens boedel in later jaren (1764) vanwege schulden aan Gerrit Coster Egberszoon, linnenkoopman te Almelo verkopen, dus mogelijk is toch Jan Berkhof Kruijs de koopman in Halle? Anderzijds is het zo dat van 2 broers van Jan Berkhof (gehuwd met Hendrikje Smelt),te weten Berent en Albert bekend is dat zij kooplieden in linnen waren. De absentie van zoon Jan tijdens de volkstelling van 1748 duidt mogelijk ook op handelsactiviteiten in dit gezin.

Jan Jansen Berkhoff wordt als n van de voogden vermeld van de kinderen van Hendrik Hoek, uit zijn eerste (Maria Jansen Fronten) en tweede huwelijk (Jenneken Hermsen Fronten).
In een akte van 09-11-1745 worden als de mombaren van de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hoek uit het eerste en tweede huwelijk genoemd:
- Hinrik Feijer (gehuwd met Geertje Jansen Fronten, de zuster van Maria Jansen Fronten)
- Berent Fredriks (mogelijk de zoon van Fredrik Berents vader van de eerste echtgenote van de vader van Hendrik Hoek; Berent zou in dat geval een oom van Hendrik Hoek zijn)
- Garrit Fronten (broer van Maria Jansen Fronten) en
- Jan Jansen Berkhoff vertegenwoordigd door Ad. Henr. Harwig (familierelatie onduidelijk), kennelijk is Jan dan afwezig.
Zij verkopen namens de onmondige kinderen hooiland, gelegen op Frontmansland en gemeenschappelijk bezeten met Frerik Feijer, aan de wed. Roelof Fronten voor 450 gulden.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 15-02-1744 verklaart Trientjen Harms Fronten (zuster van Hendriks Hoek 2e vrouw), wed. van Jan Jansen Fronten, mede als voogdesse van haar minderjarige kinderen, 880 car. guldens schuldig te zijn aan de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hoek uit diens eerste en tweede huwelijk, vertegenwoordigd door Gerrit Fronten, Jan Jansen Berkhoff, Hendrik Feijer en Berent Fredriks. Dit onder hypotheek van haar huis en 2 akkers land gelegen tussen dat van Lukes Jansen en Egbert Gerrits.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij Hendrientjen (ook Hendrikje) Jansen: bij de doop staat vermeld Henrikjen dochter van Jan Smelt en Kunneken Brouwers. Hendrikje kwam uit een zeer welgesteld gezin. Haar vader was een belangrijke geldschieter.
Tenminste als de vaderlink klopt. Ik heb daar toch wel wat vraagtekens bij. Hendrikje moet als jong meisje in Deventer hebben gewoond, waar haar ouders zich rond 1710 (burgerschap vader Jan in dat jaar) moeten hebben gevestigd. Toen Hendrikje 19 jaar oud was (1719) hertrouwde haar vader te Rotterdam. Broer Bernardus was al vanaf 1714 in Rotterdam op een leer-werkplek gezet om de fijne kneepjes van het koopmanschap in lijnwaad onder de knie te krijgen. Mogelijk dat Hendrikje in betrekking was in Vriezenveen. Helaas wordt Hendrikje niet in het testament van broer Bernardus (1758) genoemd; nicht Aleijda Smelt, die bij Bernardus in Deventer inwoonde, erfde alles, inclusief de Vriezenveense bezittingen. Ook vader Jan Smelt, die dan nog leeft komt zijn legitieme erfdeel toe. Op zich wel vreemd dat Hendrikje in het geheel niet wordt genoemd in het testament van haar broer. Het is natuurlijk altijd mogelijk dat de familieverhoudingen waren verstoord en gezien het gegeven dat Aleijda Smelt bij Bernardus inwonend was en kennelijk ook een garantie voor zijn oudedagsvoorziening was, is het niet zo vreemd dat zij tot universeel erfgenaam werd benoemd. Dergelijke constructies waren in die tijd heel gebruikelijk. Echter dat zuster Hendrikje in het geheel niet wordt genoemd in het testament is toch wel opmerkelijk.
Ik had graag een akte gezien (naast de doopregistratie) die bevestigt dat Hendrikje (echtgenote van Jan Berkhoff) inderdaad de dochter is van Jan Roelofs Smelt. Helaas heeft Jan zelf nooit een testament opgemaakt. Zijn 2e huwelijk in Rotterdam was niet in gemeenschap van goederen en daardoor was er kennelijk geen aanleiding een testament op te maken. Het zou theoretisch kunnen dat Hendrikje de dochter is van een andere Jan Smelt, die meer bij het (mindere) welstandsniveau van de Berkhofsfamilie aansloot. Hoewel er geen ander doop bekend is van een andere Hendrikje is het mogelijk dat ze voor 1697 gedoopt is (de doopregistraties van Vriezenveen beginnen in 1697) ofwel dat de doop om n of andere reden niet genoteerd is. Daar zijn veel gevallen van bekend. Ook de doopdatum van echtgenoot Jan Berkhoff is onbekend.

Mogelijke andere vaderkandidaten "Jan Smelt" van Hendrikje zouden kunnen zijn:
-Jan Freriksen Smelt geb. 1659, linnenkoopman, huwde 1687 te Amsterdam, voor zover bekend geen nakomelingen.
-Jan Gerritsen Smelt geb. 1667, boer, huwde in 1694 Hendrikje Jansen van der Aa, zou potentieel een kandidaat zijn, ware het niet dat een mogelijke dochter Hendrickjen Jansen huwde met Engbert Jansen, geb. ca. 1690. De aanname van deze dochter Hendrikje Jansen Smelt is gebaseerd op een transportakte van 4 mei 1765 (Archief Schoutambt Vriezenveen) waar de erfgenamen van de weduwe van Jan Gerritsen Smelt een stuk land verkopen. Onder hen is Berent Engberts, de zoon van Engbert Jansen en Hendrikje Jansen. Aangezien Engbert Jansen mogelijk een zoon zou zijn van Jan Egberts Kleijne zou Hendrikje Jansen daarom een dochter moeten zijn van Jan Gerrits Smelt. Als Egbert Jansen (ook een mogelijkheid) echter de zoon is van Jan Gerrijtsen Smelt ligt de situatie anders. In dat geval zou Hendrikje Smelt, gehuwd met Jan Berkhof uit dit gezin kunnen stammen; als erfgenaam wordt Jan Berkhof (man representeerde doorgaans de echtgenote) niet in de transportakte van 1765 vermeld. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de transportakte uit 1765 niet pretendeert alle erfgenamen weer te geven. De genoemde erfgenamen treden namelijk mede op namens niet vermelde erfgenamen. Bijvoorbeeld voor broer Frerik die in Meppel woonde en daarom wel vertegenwoordigd moest worden door een familielid. Nu woonde Jan Berkhof gewoon in Vriezenveen, maar als hij met de linnenmars op pad was in 1764 zou ditzelfde voor hem gegolden kunnen hebben. Jan Gerrijtsen Smelt wordt in het register van de 1.000e penning van 1715 aangeslagen voor een geschat vermogen van 500 gulden en sluit daarmee ook beter aan bij de geschatte vermogens der Berkhofjes (Jan Berkhof senior(gehuwd met Hendrikje Smelt) in 1751 650 gulden).
Conclusie Hendrikje Smelt (gehuwd met Jan Berkhoff) als dochter van Jan Gerrijtsen Smelt valt niet 100% uit te sluiten.


-Jan Harmsen Smelt, geb. 1620 (getuige in een proces in 1711, was toen 91 jaar!), huwde (o.a.?) Anneke Arentsen. De datering van deze persoon lijkt te ver terug in de tijd om een serieuze kandidaat te kunnen zijn.
-Jan Roelofsen Smelt geb. ca. 1665, de enige kandidaat waarvan een dochter Hendrikje als doopregistratie bekend is. Een belangrijk argument voor hem, als vader. Echter Hendrikje wordt niet genoemd in het testament van broer Bernardus (1758) en volgens het verpondings en contributiebelastingregister komt alle Vriezenveense grond van vader Jan Smelt na diens overlijden terecht bij zoon Bernardus; in elk geval de belastingen voor de voormalige Vriezenveense landerijen van Jan Smelt komen in 1750 volledig ten laste van Bernardus (ook wel Berent) Smelt.
Zie het hierna volgende overzicht:
verponding en contributie:
Jan Smelt 1734: 13 stuivers en 0 penningen (verponding); 1 gulden 13 stuivers en 0 penningen (contributie)
Jan Smelt 1736: 12 stuivers en 0 penningen (verponding); 1 gulden 13 stuivers en 0 penningen (contributie)
Jan Smelt 1739: 12 stuivers en 0 penningen (verponding); 1 gulden 13 stuivers en 0 penningen (contributie)
Jan Smelt 1745: 12 stuivers en 0 penningen (verponding); 1 gulden 13 stuivers en 0 penningen (contributie)
Jan Smelt 1750: niet meer vermeld

Berent Smelt 1734: 1 stuivers en 8 penningen (verponding); 0 gulden 4 stuivers en 2 penningen (contributie)
Berent Smelt 1736: 1 stuivers en 8 penningen (verponding); 0 gulden 4 stuivers en 2 penningen (contributie)
Berent Smelt 1739: 1 stuivers en 8 penningen (verponding); 0 gulden 4 stuivers en 2 penningen (contributie)
Bernard Smelt 1745: 1 stuivers en 8 penningen (verponding); 0 gulden 4 stuivers en 2 penningen (contributie)
Bernard Smelt 1750: 13 stuivers en 8 penningen (verponding); 1 gulden 17 stuivers en 2 penningen (contributie)

Jan Berkhof 1734: 3 stuivers en 3 penningen (verponding); 0 gulden 9 stuivers en 6 penningen (contributie)
Jan Berkhof 1736: 3 stuivers en 3 penningen (verponding); 0 gulden 9 stuivers en 6 penningen (contributie)
Jan Berkhof 1739: 3 stuivers en 2 penningen (verponding); 0 gulden 9 stuivers en 6 penningen (contributie)
Jan Berkhof 1745: 4 stuivers en 3 penningen (verponding); 0 gulden 12 stuivers en 6 penningen (contributie)
Jan Berkhof 1750: 4 stuivers en 3 penningen (verponding); 0 gulden 12 stuivers en 6 penningen (contributie)

Er gaat niets naar Jan Berkhof (x Hendrikje Smelt). Iets wat je normaliter toch zou verwachten bij een boedelverdeling. Niet bepaald onbelangrijke tegenargumenten die er mogelijk op duiden dat de Hendrikje Smelt, dochter van Jan Roelofs Smelt, mogelijk op jonge leeftijd is overleden en dus niet identiek zal zijn met de echtgenote van Jan Berkhof.
-Mogelijk zijn er nog andere vaderkandidaten. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan kinderen van Engbert Smelt geb. ca. 1647, waarvan niet alle namen bekend zijn. Mogelijk zat hier ook een Jan bij.
Alles in ogenschouw genomen hou ik het vooralsnog op Jan Roelofs Smelt als de enige echte vader, gezien de enige bekende doopregistratie, maar wel met een belangrijke slag om de arm.

Hendrikje Jansen Smelt wordt genoemd in het testament van zoon Jannes Berkhoff op 08-12-1759 (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij de geboorte van Hendrientjen (ook Hendrikje) Jansen: gedoopt "Hendrientjen dv Jan Gerritz en Henrikjen Janszen". Hendrientje is een variatie op Hendrikje. Zuster Hendrikje zal waarschijnlijk overleden zijn als Hendrientje wordt geboren.
Notitie bij het overlijden van Hendrientjen (ook Hendrikje) Jansen: komt mogelijk nog voor op een collectelijst voor reparatie van de kerk uit ca. 1776 als de weduwe Jan Barkhoff (donatie van 5 guldens en 5 stuivers. inv.nr. archief Huize Almelo 3526).

258. Derk Jansen Faijer, geb. Vriezenveen omstr. 1682, † ald. vr 1736, tr. 1e Vriezenveen 13 jan. 171050 Aaltje Hermsen Berkhoff (zie 387); tr. 2e omstr. 1713
259. Jennigje Geerts, geb. Vriezenveen(?) omstr. 1690, † Vriezenveen omstr. 1744.

Notitie bij Derk Jansen: koopman (?) en landbouwer. Bewoonde het erf van zijn schoonvader Hermen Berkhoff (Oosteinde 407 huidige nummering). Wordt vanaf 1713 in de boterpachtkohieren genoemd. Het betreft een goed van 4 akkers. In het boterpachtkohier over het jaar 1736 wordt de weduwe "Derk Janse Fayer" als eigenaresse genoemd van het goed.
In het hoofdgeldkohier van 1737 wordt "Derk Feijer" echter nog wel genoemd, "hij" wordt dan aangeslagen voor 3 personen en moet 1,50 betalen, met 50 cent p.p. ligt hij wat boven het gemiddelde voor het Oosteinde (0,46).

Zijn vermogen werd in 1715 geschat op 800 gulden, in 1734 eveneens 800 gulden en in 1739 op 600 gulden (bron: 1000e penningkohier 1734/39; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2553/2550). Derk behoorde daarmee niet tot de allerrijksten, maar gold toch zeker als een welgesteld persoon.

Op 6-1-1714 is er een kwestie tussen Hermen Berkhoff en zijn schoonzoon Derk Faijer over 40 pond spek, 8 pond reuzel en 4 pond "gegooten ongel" waarvan Derk Faijer dacht dat hij het gekregen had, maar Hermen wilde het terugzien, omdat het volgens hem geleend was (bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv.nr. 22).

Een zoon van Derk, Jannes (gedoopt 10-4-1719) was volgens de dorpshistoricus Herman Jansen koopman in Sint Petersburg (1749) (Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 156). Hij neemt het ouderlijk erf over. Ik betwijfel het gegeven dat Jannes Faijer koopman in Sint Petersburg was. Er was namelijk nog een naamgenoot Jannes Derks, woonachtig aan het Westeinde, die zeker linnenkoopman was. Ik vermoed dat hij degene was die in Sint Petersburg was.
De helft van de landerijen van het Faijerserf komt bij schoonzoon Jan Berkhof terecht, ook wel bekend als Jan Buten.

Derk Faijer wordt genoemd als schuldeiser van Willem van Oinck inzake een bedrag van 300 gulden ("van Derk Faijer genegotieerd hebbende"). Negotie staat voor verkregen gelden (bron: akten 16-4-1733 en 9-7-1733 (inv. nr. 2965 HAA). Uit andere stukken blijkt dat de schuld eigenlijk uit stond bij Willems broer Jan van Oink, maar Derk eist zijn geld terug waardoor Willems huis verkocht dreigt te moeten worden om de schulden te kunnen voldoen. Willem heeft zelf geld tegoed van zijn zuster. Derk liet het aankomen op een publieke verkoping van huis en erf van Jan van Oink om aan zijn geld te komen. Jan zocht wanhopig steun bij de Heer van Almelo om dit te voorkomen. De Heer van Almelo stak er een stokje voor en stelde dat Jan door de verkoop van zijn huis onevenredig benadeeld zou worden, hij had het geld uitstaan bij zijn eigen familie en kon dit niet direct opeisen, maar werd op termijn wel geacht het geleende terug te betalen. Derk, die geen schade zou lijden als de terugbetaling later zou plaatsvinden werd dus tot de orde geroepen door deze uitspraak, die op 18 april 1733 werd voorgelezen aan de wed. van Hermen Berkhof, dit omdat Derk niet aanwezig was (verblijf in het buitenland vanwege koopmanschap?) (bron: AHA inv. nr.2964 foto 260)

Op 21 februari 1716 treedt Derk Jansen Faijer samen met Geert Herms Holst op als voogd op van het onmondige kind Willem Roelofs inzake de verkoop van zijn moeders zaliger kleren. NB Willem Roelofs is de zoon van Roelof Willems en Armke Geerts.(bron AHA inv. nr. 2966).
Notitie bij Jennigje: Gezien het patroniem van Jennigje en de enige kandidaat die rond 1705 in het boterpachtregister aan het Oosteinde Geert heet en daarbij het gegeven dat de jongelui meestal met een meisje of jongen in de buurt woonde trouwde, (vaak gewoon een buurjongen of meisje), lijkt de enige kandidaat Geert Hermsen Hulst te zijn. Hij was getrouwd met Cunne Smelt en een dochter van Jennigje (gedoopt 30-1-1724) wordt Kunneken genoemd, dus dat zou die naamgeving ook verklaren.

Het feit dat Derk Jansen Faijer op 21 februari 1716 samen met Geert Herms Holst als voogd optreedt van het onmondige kind Willem Roelofs [de zoon van Roelof Willems en Armke Geerts] lijkt de hypothese zeker te bevestigen dat Jenngje Geerts een dochter van Geert Hermsen Hulst is.(bron AHA inv. nr. 2966).
Notitie bij het overlijden van Jennigje: in het hoofdgeldkohier van 1739 wordt de weduwe Feijers nog genoemd. Ze wordt aangeslagen voor 4 personen en moet daarvoor 1 gulden en 12 stuivers belasting betalen. Idem 1740, 1742, 1743, 1744 . In 1745 worden dan de kinderen Feijer genoemd (3 in getal).

260. Derk Berends Schipper (dezelfde als 192 in generatie VIII), tr. Vriezenveen omstr. 1730
261. Lutje Derks Fayer (dezelfde als 193 in generatie VIII).

262. Berent Jansen Berkhof, geb. Vriezenveen 1691, † ald. vr 29 juli 1758,51 tr. Vriezenveen omstr. 1718
263. Geertje Jansen Evertman (Post), geb. Vriezenveen omstr. 1695, † ald. na 27 maart 1769.

Notitie bij Berent Jansen: was van 1734-1752 verwalter-scholtus van Vriezenveen. Ook Key Berend genoemd (Archief Jansen/Jonker), bewoonde het pand Oosteinde 251, bekend als het Keibeerndserf (blz. 114,115 Ken uw dorp en heb het lief). In 1737 en 1740 vermeld als kerkmeester (bron: Rekenboek van de Diaconie).

In 1720 voor het eerst in het boterpachtregister vermeld. Had toen een 3-akkerstuk overgenomen van zijn schoonmoeder de weduwe Jan Henrixen Post, die in 1719 nog als eigenaresse van het goed genoemd werd, dat toen overigens nog 5 akkers besloeg. Key Berend kon zich ook nog eigenaar noemen van een halve akker "woestenland". Wordt in het boterpachtkohier van 1756 (over 1755) nog genoemd. In 1763 wordt als eigenaar van het goed genoemd zijn schoonzoon Wolter Derks Schipper.
29-12-1730 krijgt Berent Berkhof 28 gulden betaald voor 10 1/2 dagwerk op Toet Jansland gegraven geleverde turf (bron: rekeningen Huize Almelo (AHA inv. nr. 1040).

Berend wordt in 1737 inzake het Hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet betalen 1 gulden en 6 stuivers. Dat is 0,65 per persoon. Behoorde met zon aanslag zeker niet tot de minder bemiddelden van het dorp. In het Oosteinde lag de gemiddelde aanslag destijds op ongeveer 0,46.
In 1753 wordt Berend inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 5 personen en moet 1,85 betalen. Dat is 0,37 tegen een gemiddelde in Vriezenveen van 0,39 per persoon. Daarmee was de familie op de maatschappelijke ladder enigszins gedaald , tenminste als je dat aan de hoofdelijke aanslag af mag meten.

Diakonale kerkrekening:
8-12-1763 ontvangen van de wed. Berent Jansen Berkhoff de somma van 25 gulden welke penningen zijn bekomen uit de nalatenschap van haar overleden zoon Frederik Berkhoff (bron: Gens Nostra, artikel van de heer H. Wagenvoort ca. 1977)

Op 05-05-1750 verklaart Berent Jansen Berkhof 150 gulden schuldig te zijn aan Bernardus Spijker en Gezijna Cruijs (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).

Rond 1750 was er een grote sociale onrust in Vriezenveen. Deze onrust hield verband met de landelijke onrust (in Amsterdam bekend als de Doelistenbeweging). Berent was onderdeel van deze onrust, zo was hij n van de 9 Vriezenveners die zich met de strijd inzake de sluis bij het Kooikershuis tegen de Heer van Almelo keerde, samen met 8 andere Vriezenveners voerde hij processen namens de Vriezenveense gemeenschap, inzake de bevoegdheid en het gezag van de Heer van Almelo aangaande de sluis. Verder had Berent zich in 1747 actief bemoeid om de door de Heer van Almelo gewenste nieuwe beroepen predikant van Eibergen persoonlijk te overtuigen dit beroep niet aan te nemen, hetgeen Berent op een boete van 200 zilveren dukaten kwam te staan en de proceskosten. Het gezag van de Heer van Almelo die predikanten in Almelo, Vriezenveen en Wierden benoemde was in het geding. Berent werd eveneens in juli 1752 uit z’n ambt als verwalter-schout gezet wat de Vriezenveense boeren protestbeweging niet accepteerden. In een smeekschrift van Jan Brink en Hendrik ten Cate aan Ridderschap en steden van Overijssel d.d. 07-08-1752 werd onder andere gevraagd dit ontslag door de Heer van Almelo terug te nemen en de benoeming van procurator Harwig, die nieuw benoemd was in zijn plaats, ongedaan te maken. Het smeekschrift mocht niet baten. Berent bleef aan de kantlijn staan en door de grote boete heeft de familie ongetwijfeld grote schade gelden.
In 1752 werd Berent in verband met de kwestie ondervraagd en verklaarde hij als verwalter-schout aangesteld te zijn geweest door de Richter met een akte die ondertekend was door de Heer van Almelo en dus niet door de schout of de Vriezenveense gemeente was aangesteld. Berkhof verklaarde ook dat de Heer van Almelo in juli en augustus zijn ontslag als verwalter-schout had medegedeeld. De Heer van Almelo beweerde dat Berkhof op 31 juli 1752 zelf om zijn ontslag had verzocht en liet dit Berent Berkhof ook verklaren. De hele verklaring paste precies in het straatje van de Heer van Almelo. Het lijkt er sterk op dat Berent inzake zijn verklaringen sterk onder druk was gezet (bron AHA inv nr’s 3209 en 2969).

12-01-1763 ontvangen Egbert Berends Berkhof en Wolter Derks Schipper (gehuwd met Jenneken Berends Berkhof) van de schout Jan Dikkers 237,10 gulden, in verband met proceskosten inzake de sluis bij het Kooikershuis, die wijlen hun (schoon) vader als verwalter-schout had gemaakt en van gemeentewege had voorgeschoten (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).
Er is nog een waterput van Berent Jansen Berkhof, die verplaatst is naar de achtertuin van J. Eshuis, Oosteinde 42 met de inscriptie BJBGJ 1754 (mei 2012). BJB is de afkorting voor Berent Jansen Berkhof en GJ is de afkorting voor Geertje Jansen (put nog aanwezig mei 2012).
Notitie bij de geboorte van Berent Jansen: is in 1752 61 jaar volgens eigen getuigenverklaring (HAA inv. nr. 3209)
Notitie bij het overlijden van Berent Jansen: op een lijst van Vriezenveners die de boerhaverplicht (uit protest) niet hadden voldaan staat op een lijst,( die opgesteld is tussen 28 november en 1 december 1752), de vrouw van de gewezen verwalter scholtus Berent Berkhoff. In het belastingregister van de 1000e penning van 29-7-1758 wordt genoemd de weduwe Berent Barckhoff.
Notitie bij Geertje Jansen: Schoutambt Vriezenveen nr. 2677: (Rijksarch. Overijssel)
6-6-1768 testament van Geertje Jansen Post ten huize van schoonzoon Wolter Schipper.
Erfgenamen zijn: Jan, Jenneken (x Roelof Wolters), Fenneken(x Frederik Braemer), Hendrik, Egbert, Jenneken (x Wolter Schipper)
en de 4 kinderen van haar dochter Janna Berends Berkhof bij haar eerste man Jan Hendrix Brink verwekt (Janna vruchtgebruik).
legaat aan diaconie van 25 Car. gulden.
Zij had geen zegel (uitdrukkelijk vermeld).
27-3-1769 is dit testament ingetrokken en vernietigd.

264. Berend Gerritsen Broertjen, ged. Vriezenveen 2 april 1699, † ald. omstr. 1766,52 tr. 2e Aeltjen Hendriks, geb. omstr. 1700, † Vriezenveen, dr. van Hendrik Harms; tr. 1e
265. Geertjen Derks Smit, ged. Vriezenveen 25 nov. 1699, † ald. na 14 okt. 1766, tr. 2e Hendrik Harms, † Vriezenveen na 1747.53

Notitie bij Berend Gerritsen: linnenkoopman in maatschap met zijn broer Jan Broertjen. Zou volgens Herman Jansen gewoond hebben aan het Oosteinde nr.266 (huidige nummering). Bron: maagscheiding Geertje Derks Smit 1766 (archief gemeente Vriezenveen) en ook Ken uw dorp en heb het lief blz. 135,136. Volgens de maagscheidingsakte van Geertje was haar erf gelegen tussen dat van Lucas Harmsen Vik enerzijds en anderzijds Jan Boeschen en Jan Berends Berkhof. Ik heb Berent echter niet kunnen traceren in de boterpachtregisters. Waarschijnlijk deelde Berend de woning met zijn broer Jan Gerritsen Broertjen, die wel in de boterpachtkohieren wordt vermeld. In de hoofdgeldkohieren komen Jan en Berend wel beide voor, bijvoorbeeld in 1737. In alle kohieren en ook bij de volkstelling van 1748 staan ze naast elkaar genoemd.

In het archief van het museum van Vriezenveen zit een rekening gedateerd 15 januari 1737 te Stettin, het is een moeilijk lesbare Duitstalige opsomming van kosten, in totaal 37-10 (guldens of marken?). De naam jan Boeschen duikt in de rekening op. Van hem is bekand dat hij in 1737 in Stettin is overleden op een handelsreis. Op de achterzijde staat een verklaring van Beerent Garissen Broetien die te Vriezenveen op 5 augustus 1737 verklaart dat hem deze rekening is voidaan voor de somma van 78-17-0. De bedragen van de voor- en achterzijde van het document stemmen niet overeen (wellicht toch een Duitse munteenheid aan de voorzijde?). Het lijkt erop dat Jan Boeschen een maatschap dreef met Berend Gerritsen Broertjen ( bron: archief museum Vriezenveen, inv. nr. 1.4 diverse stukken 1726/1809).

In 1737 met de hoofdelijke aanslag wordt "berent brortien" aangeslagen voor 2 personen, en bedraagt de aanslag 1 gulden , dit is 50 cent p.p. (gemiddeld Oosteinde 46 cent p.p.).
" Jan Broertien" wordt voor 1 persoon aangeslagen en moet 90 cent betalen, een hoog bedrag. In 1753 is alleen de weduwe "ijan bruetien" te vinden ze wordt aangeslagen voor 3 peronen en moet 1,30 betalen ca. 43 cent p.p.(tegenover gemiddeld 39 cent). In 1760 is dan weer uitsluitend "berent broertijen" vermeld, hij wordt aangeslagen voor 4 personen en moet dan 1 gulden betalen, met deze aanslag van 25 cent p.p. ligt hij behoorlijk onder het dorpsgemiddelde (39 cent).
In het register van de 1.000e penning valt het geschat vermogen van de meer welgestelde Vriezenveners af te lezen.
Berent had in 1751 een geschat vermogen van 550 gulden. Best wel aardig, maar toch de helft minder dan zijn vader eertijds. Het vermogen lijkt tussen de twee broers (Berent en Jan) opgedeeld te zijn. In het register van 1758 komt Berend niet meer voor wat betekende dat Berend onder de 500 gulden was gekomen. Die werden in dat register niet vermeld.

De landerijen van de familie Broertjen, die dus in de boterpachtregisters nog op naam staan van Jan Gerritsen Broertjen, raken vanaf 1755 verdeeld tussen Jan Berents Berkhof en Jan Boeschen, die elk met een dochter van Jan Gerrits Broertjen getrouwd zijn. De familie Broertjen blijft in de persoon van Albert Broertjen nog wel op de oude lokatie wonen, maar wordt in de boterpachtregisters niet meer als eigenaar van landerijen vermeld.
Volgens Herman Jansen in Ken uw dorp en heb het lief zouden de landerijen in de familie zijn gekomen via de eerste vrouw van Berend te weten Aeltjen Hendriks. Op grond van de informatie uit het boterpachtregister blijkt het echter anders te liggen, de landerijen komen gewoon uit de eigen familie.

15-04-1741 Bernardus Coster voor zich zelf en voor zijn moeder de weduwe Garrijt Costers Barents soon citeren voor het schoutengericht van Vriezenveen Berent Gerrits Broertjen, vanwege schulden inzake de aankoop d.d. 29-01-1739 en 3-2-1739 geleverd linnen (5 stuks) ten bedrage van 333 gulden ad 15 stuivers, waarvan op 15 september 1739 door Berent Gerrits Broertjen is betaald 245 gulden. resteert nog een schuld van 88 gulden. Berent Gerrits Broertjen meldt dat het hier om een misverstand gaat inzake een eerdere quitantie, waarbij 105 gulden meer in rekening is gebracht als ontvangen en zegt toe het bedrag te willen en zullen betalen. (bron: archief Scha vrv inv.nr. 26 20081230d_052_20081230e_115). Echter op 24 juni 1741 eisen de schuldeisers verpanding van goederen aangezien de schuld dan nog steeds niet betaald is.11 november 1741 blijkt dat een bedrag van 124 guldens nog steeds niet betaald is (op 12 juni 1736 zou een bedrag van 35 guldens betaald zijn, die in aftrek is gebracht).

11-11-1741 Egbert Coster citeert Berent Gerrits Broertjen die op 10 maart 1736 bij hem gekocht heeft 4 stukken wit linnen voor een bedrag van 160 gulden en dat hierop in mindering is gebracht op 12 juni 1736 een bedrag van 35 guldens en 13 stuivers, resteert een schuld vaan 124 gulden en 7 stuivers en intrest over dit bedrag. ( (bron: archief Scha vrv inv.nr. 26 20081230d_052_20081230e_135).

Ook op 11-11-1741 citeert Othmar ten Cate, spreekt de broers Broertjen aan voor 19 stuks geleverde linnen ter waarde van 1500 caroli guldens, waarvan pas 815 was betaald. (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 135). Maar bij deze problemen bleeft het niet. Ook tussen de beide broers ontstonden grote problemen. Eveneens in 1741 klaagde Berend zijn broer Jan aan vanwege een schuld van 130 gulden die deze bij hem uit had staan. Twee jaar later waren deze schulden nog steeds niet voldoen en liet Berend de landerijen van zijn broer Jan veilen. Berend kocht deze landerijen zelf voor 300 gulden (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 262). Berend verbleef ook in de vreemde. Zo was hij in 1737 in Stettin met Gerrit Boesschen. Laatstgenoemde stierf in deze stad en Berend Broertjen betaalde de verpeelg- en begrafenis kosten raison van 78 gulden en 17 stuivers. deze rekening is bewaard gebleven (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 262).

Wat ik uit de gegevens van de hoofdelijke aanslag in combinatie met de andere gegevens concludeer is dat de handel niet lucratief is geweest voor Berend. Mogelijk dat hij zich later evenals zn zoon op de turfschipperij heeft toegelegd, een beroep dat toch ook maar een karig bestaan opleverde, terwijl er hard gewerkt moest worden.

Op 28-07-1747 maakt Henrick Harms, de kinderen van zijn schoonzoon, bij zijn [tweede vrouw] Geertje Derks verwekt, genaamd Berent, Derk en Albert tot universeel erfgenaam (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Volgens Herman Jansen, in ken uw dorp en heb het lief hield Geertje Derksen Smit in 1766 een boedelscheiding met haar 2 zoons Albert en Derk . Ik citeer: "De zoon Albert kreeg het huis en de landerijen in eigendom met de verplichting om zijn moeder en zijn broer, als deze niet trouwde, voor ’den tijt huns levens’ te onderhouden en ’kost, dranken kleederen en al hetgene sij verder van node mochte hebben’ te verschaffen. Verder zou derk, als hij dit verkoos, kunnen eisen dat Albert hem moest geven de stapel- en linnenkiste, de turfschuite en de beste koperen pot. Verder zou de weefkamer en het weefgetouw, zoals hij dat steeds had gebruikt, ter zijner beschikking moeten staan, verder moest aan derk worden toegetsaan uit het scharrebiervat of melkvat te mogen drinken. dat wil zeggen dat hij vrij scharrebier, dat zelf werd gebrouwen en melk mocht drinken."
Notitie bij Geertjen Derks: In 1766 wordt er boedelscheiding gehouden tussen de moeder Geertje en haar zoons Albert en Derk Broertje. Albert krijgt hierbij huis en landerijen, maar kreeg hierbij de verplichting zijn moeder en zijn broer (tot aan zijn trouwen) te onderhouden. Derk mocht, als hij dit wenste, aanspraak maken op de "stapel- en linnenkiste", maar belangrijker hij mocht ook de turfschuit opeisen en moest de weefkamer met weefgetouw, zoals Derk deze steeds gebruikt had, tot zijn beschikking staan. Verder kreeg Derk vrije consumptie van melk en zelf gebrouwen bier. (Bron Ken uw dorp en heb het lief blz. 136).

266. Hendrik Jansen Hofman, geb. Vriezenveen omstr. 1700, † ald. vr 1756,54 tr. Vriezenveen 4 april 172822
267. Berendje Jansen, geb. Vriezenveen omstr. 1700, † ald. na 18 maart 1767.

Notitie bij Hendrik Jansen: was afkomstig van het oude Hofmansgoed (Oosteinde 121-123 uitgaande van de huidige nummering) (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 85, 86). Vanaf ongeveer 1735 in de boterpachtregisters genoemd. Hij heeft het goed overgenomen van zijn vader Jan Berents Hofman, beter bekend als Hofjan.

Verkoopakte begin mei 1728 van Jan Berendsen Hofman en zijn vrouw Armke Egbersen een derde halfakker land met huis, schuur en schapenschot aan hun zoon Hendrik Jansen en zijn aanstaande vrouw Berentien Jansen (bron: inventaris archief verening Oud Vriezenveen).

In 1752 staat hij in het boterpachtregister vermeld als Hend. Jansen Hofman en bezit dan 3 1/2 akker land. In het boterpachtregister van 1755, opgemaakt in 1756 staat vermeld de weduwe Henr. Hofman.

Inzake het hoofdgeld wordt "hijnderyck yansen" in1753 aangeslagen voor 2 personen en moet hij 85 cent betalen, het gemiddelde lag op 39 cent p.p. In 1737 betaalde hij 1,40 voor 3 personen, dat is ca. 47 cent p.p., dat was overeenkomstig de gemiddelde aanslag voor het Oosteinde dat jaar.

In 1751 heeft Hendrik Hofman een geschat vermogen van 600 en aanvullend 50 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen werd beschouwd (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). In 1758 is het vermogen van de weduwe Hendrik Hofman geschat op 675 gulden (bron: 1000e penningkohier 1758; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2557).

11-08-1744 kopen Hendrik Jansen Hoffman en echtgenote voor de som van 127 car. guldens wat land van Egbert Jansen en Berentjen Rotgers (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).
Notitie bij Berendje: De ouders van Berendje zijn mede afgeleid op basis van de doop van dochter Grietje in 1728, die naar haar grootmoeder vernoemd zou moeten zijn. De enige Jan (afgeleid van het patroniem Jansen van Berentjen) en Grietje die in de doopregisters voorkwamen zijn in 1702 te vinden en wel Jan Berents en Grietje Berents. Hun huwelijk is te vinden in de trouwregisters van 1684.

In 1758 genoemd in het register van de 1.000 penning als de wed. Hind. Hoffman.
Transportakte: 18-03-1767 verkoop door Berendje Jansen, wed. van Henderik Jansen Hoff van 3 akkers veengrond gelegen in het Smits Roelofsland aan Lambertus Peuver voor 90 gulden (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).
Notitie bij het huwelijk van Hendrik Jansen en Berendje: in het archief van Huize Almelo is in het breukregister een uittreksel te vinden van het huwelijk van de ouders (Hendrijk Jansen en Berendje Jansen), gedateerd 4 april 1728 en een uittreksel uit het doopboek met de vermelding: "hebben een Cint laaten doopen der 26: decemb: 1728 waar van de Doomenie geen brieffien heeft ontfangen" en verder "Hend. Jansen sij vrouw heeft bekent te vroeg bijgeslapen te hebben dog geen afdragt (bedoeld wordt boete) gemaakt naderhant geaccordeert en boven de bet: boete noch ........(?)".

268. Berend Berends Hollander, geb. Vriezenveen 29 maart 1716, † ald. omstr. 1754, tr. Vriezenveen 19 mei 173722
269. Berendje Alberts Jonker, ged. Vriezenveen 14 aug. 1718, † ald. na 31 dec. 1792, tr. 2e (ondertr. Vriezenveen 9 okt.) 1756 Berend Berends Wippe, geb. Ulsen (Duitsland) omstr. 1720, † Vriezenveen vr 1779, zn. van Berend Hendriks.

Notitie bij Berend Berends: landbouwer en linnenkoopman. In 1752 ook nog vermeld als zijnde herbergier (AHA inv. nr.3242). Noemde zich ook Holland. Bewoonde het erf Oosteinde 325-327 (huidige nummering). Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz.141. Het goed stond ook bekend onder de bijnaam "Joonkbeernds" welke bijnaam af zou stammen van de Berend, getrouwd met Berendje Jonker. Dit erf staat in de boterpachtregisters uit die tijd geregistreerd als het gemeenschappelijke bezit van Berent Hollander en zijn zwager Lucas Jonker. In 1755 wordt de weduwe B. Hollander vermeld. Het gedeelde erf beslaat 4 1/2 akker. In 1744 staat de vader van Berendje Jonker, "Albert Vreriks Jonker" nog als eigenaar van het goed vermeld.
Volgens Herman Jansen bewoonden later de 2 zoons Jan en Hendrik Holland het erf, echter in de boterpachtregisters is dit niet terug te vinden. In 1764 staat nog wel Lucas Jonker in de boterpachtkohieren vermeld, mogelijk betaalde hij ook het deel aan boterpacht voor de gebroeders Holland. Dit gebeurde wel vaker op opgesplitste erfen.
In 1753 wordt Berend inzake de hoofdgeldbelasting aangeslagen voor 1 gulden voor 2 personen, dit is 0,50 per persoon, gemiddeld voor Vriezenveen was dit 0,39. In 1760 wordt "Berent Wippe" de 2e echtgenoot van Berendje Jonker aangeslagen voor 3 personen en moet 1,40 betalen, ongeveer 0,46 per persoon, tegenover een dorpsgemiddelde van 0,39.
Berend Holland had het erf overgenomen van zijn schoonvader Albert Jonker. Dat wil zeggen de grond, aangezien Albert in 1748 bij zijn zoon Albert inwoont, lijkt het vermoeden gerechtvaardigd dat Berent een nieuwe boerderij heeft neergezet, terwijl zijn zwager Lucas het vaderlijk erf zal hebben bewoond.
Dat Berend ook naast boer ook linnenkoopman was blijkt uit een schuldbekentenis van 11 mei 1745, waarin hij en zijn vrouw verklaren een schuld te hebben in verband met gekochte en geleverde linnens (Bron: Ken uw dorp en heb het lief. 141)

Op 14-05-1745 verklaren Berent Berentsen Hollander en zijn vrouw Berentjen Alberts Jonker in verband met gekochte en geleverde linnens van 261 car. guldens schuldig te zijn aan Jan Freriks Fronten en zijn broer Hendrik Freriks Fronten. Aan Lambert Costers te Almelo een som van 58 car. guldens 17 stuivers en 3 penningen. Aan Jan Derks 188 car. guldens en 2 stuivers. Aan Jan Albers Jonker de som van 50 car. guldens. Aan Gerrit Fronten 52 car. guldens. aan de kinderen van Berent Koers, met name Jannes Berens Koers en Jan Braamer de somma van 165 car. guldens. In totaal de som van 916 car. guldens 13 stuivers en 3 penningen te verrenten tegen 3 % rente onder hypotheek van huis en land aan het Oosteinde. Gelegen tussen het land van Jan Freriks Fronten en de wed. Garrijt Bramer(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).
Notitie bij Berendje Alberts: Berendje wordt nog genoemd in het hoofdgeldkohier van 1779 als de weduwe Wippe.
In het testament van zoon Gerrit in 1792 wordt diens moeder ook nog genoemd.

06-07-1793 transportakte: verkoop van een stuk land door Albert Holland en Berentje Albers Jonker, wed. van Wippen Barent aan Crols... en Lambert Dakes (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2680).
Notitie bij het overlijden van Berendje Alberts: nog genoemd in het testament van haar zoon Gerrit op 31 december 1792.
Notitie bij het huwelijk van Berend Berends en Berendje Alberts: genoemd in een breukregister van huwelijken waarbij een kind geboren werd binnen 9 maanden voor het huwelijk. het huwelijk vond plaats op 19 mei en het eerste kind werd al op 26 januari 1738 gedoopt. Een "moetje" dus dat in die tijd werd beboet door de Heer van Almelo.

270. Wolter Hermsen Schipper (dezelfde als 202 in generatie VIII), tr. omstr. 1742
271. Kunnigjen Egbers de Groot (dezelfde als 203 in generatie VIII).

272. Harmen Claassen Stroomer, ged. Vriezenveen 25 nov. 1705, † ald. vr 1760, tr.
273. Grietjen Hendriks Aman (ook van der A), geb. Vriezenveen omstr. 1705, † ald. na 1764.

Notitie bij Harmen Claassen: turfschipper (blijkt uit stukken van een rechtszaak uit 1743) AHA inv. nr.1731.
familienaam Stroomer afgeleid uit stukken betreffende een gerechtelijk vooronderzoek inzake een vechtpartij in de woning/herberg van de schout (bron: Archief Huize Almelo inv. nr. 2932 d.d.10-4-1731), waarbij Harmen Claassen Stroomer als getuige optreedt en aangeeft "omtrent 24 jaeren" oud te zijn.

Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering), bezat volgens het boterpachtregister van 1743 3 akkers land. In het boterpachtregister van 1763, (opgemaakt in 1764) wordt vermeld als eigenares de weduwe Harmen Claesen.

Heeft het erf waarschijnlijk omstreeks 1740 door koop -en dus niet door vererving- verworven. In 1736 staat als eigenaar van het goed Frerik Jansen Tuytertjen genoemd. Een familierelatie met hem is niet aan te tonen.

Op 25 juni 1737 betaalt Herman Claassen van het Vriesenveen de pacht van de Eijlersdeele ten bedrage van 20 guldens door overlegging van een assignatie (schuldverklaring) van de Heer van Almelo aan Jan Berkhof en Jan Willems [turfstekers] (bron: AHA inv.nr. 1060 foto 3002).

In het hoofdgeldkohier van 1737 wordt "Herm Klaassen" genoemd als bewoner aan het begin van het Oosteinde (de kant van Geesteren), hij wordt belast voor 2 personen en moet 80 cent betalen, met 40 cent zit hij wat onder het gemiddelde van dat jaar voor het Oosteinde, 46 cent).
Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 50 gulden en een extra 50 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). Hiermee zat de familie in de onderste sociale gelederen van het dorp.
In het hoofdgeldkohier van 1753 wordt "harmen klasen" aangeslagen voor 3 personen en moet hij 1,30 betalen. Daarmee zat de familie toen vreemd genoeg iets boven de gemiddelde aanslag per persoon nl. 0,43 tegenover gemiddeld 0,39 dat jaar voor Vriezenveen. Harmen Claassen staat in het register van de 1.000e penning uit 1751 vermeld met een geschat vermogen van 100 gulden en dat was niet veel. In 1760 wordt zoon "hendrijkes harms" inzake het hoofdgeld aangeslagen. Harmen Klaassen zal dan waarschijnlijk zijn overleden.

Op 23-12-1743 verklaren Harmen Claassen en Grietjen Hindriks enig bouwland, gelegen in het Jan Onweersland, liggend tussen de landerijen van Jan Onweer en Jan Jacobs, verkocht te hebben aan Jan Jacobs en zijn vrouw voor 118 car. guldens.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Mogelijk identiek aan Harmen Claassen die in 1751 wordt aangesteld in de bestuurlijke functie van setiene voor het Oosteinde (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 210).


Op 11-05-1756 verklaren Harmen Claassen en Grietjen Aaman 700 car. guldens schuldig te zijn aan Jan Jansen Does [ de naam Does komt in Vriezenveen ook voor als alias van de familienaam Hopster] te verrenten tegen 2 gulden en 10 stuivers per 100. Deze rente was lager dan gemiddeld voor die tijd. Jan Jansen Does was dan ook familie, hij was de zoon van Jan Berends Does en Jenneken Claassen [Stroomer]. Jenneken was de zuster van Harmen Stroomer, dus Jan Does was een oomzegger. Onderpand zijn 2 akkers land en huis en erf, dat gelegen was tussen de landerijen van Lucas Onweer (oostwaarts) en dat van Jan Berens Hoff (westwaarts) (bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Dit geld was nodig om de aankoop van 2 akkers land van het zogenaamde provinciale schoutengoed (van oudsher door de familie Hoff bewoond), te financieren, die van de provincie op 2 januari 1756 waren aangekocht (bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij Grietjen Hendriks: In het archief van Huize Almelo zit een afrekening d.d. 13-09-1727 voor 10 dagwerken geleverde turf door Geert Vrijlink, de wed. Nijboer en Amansvolk. De afrekening is ondertekend door Jan Nijbuer en Griete van der A: (bron( AHA 1037). Het bedrag dat men hier voor kreeg was 30 guldens en 19 stuivers (bron: AHA1028).

274. Gerrit Harmsen Smelt, geb. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. na 19 nov. 1766,55 tr. omstr. 1725
275. Metjen Freriks Tuttertjen, ged. Vriezenveen 13 aug. 1699, † ald. na 19 nov. 1766.56

Notitie bij Gerrit Harmsen: landbouwer, bewoont het erf gelegen aan het Oosteinde 144 (Zie Ken uw dorp en heb het lief blz. 93). Voor 1717 huurder van het erf dat oorspronkelijk klooster Sibculo toebehoorde. In 1717 als het goed eigendom is van de Provincie koopt Gerrit dit voor 1370 car. gulden. Het betreft 4 akkers land met hierop staand 2 huizen.

Op 06-03-1715 zou Gerrit Harmsen Smelt 300 gulden hebben geleend van Hendrik Jaspers Olde (bron: archief Overijssel Toegang 263, inv. nr. 837), dit bedrag betaalt hij volgens de stukken niet terug aan Hendrik Olde die hierdoor veel nadeel zou hebben geleden.


6-3-1715 Harmen Gerritsen en zijn huisvrouw Jenneken Jansen verkopen huis en erf gelegen aan de buitenkant van de weg, geleggen oostwaarts Gerrit Bartelink en westwaards Wicher Jansen gelegen en een stuk gaardenland gelegen in de landerijen van Jan Henrixen Bourman westwaards Jan Wichers(?) en oostwaards Jan Faeijer en nog een vierendeel akker woestenland gelegen in de Westerwoesten gelimiteert oostwaards Berend Grobben en westwaards Frerik Janssen en nog een vierendeel akker bovenwegsland gelimiteerd, oostwaards Hinrick Arentsen en westwaards Jan Schol en nog een bovenwegsakker heerkomende van sijn overledene moeder en onverscheiden met zijn drie gebroeders Jan en Lucas en Gerrit Gerritsen Smelt, verklaart verkocht te hebben aan haar zoon Gerrit Harmsen Smelt voor 300 car. gldns (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2673).

Op 12-06-1717 leent Gerrit Harmsen Smelt een enorm bedrag van 1370 gulden van Klaas Janssen Cruis en Geertje Luixen Schol. Onderpand zijn 2 huizen en 4 akkers land, waarvan het ene huis gelegen is aan de "buijter egge deser wech"en het ander huis aan de "boover egge desen wech". Het is gelegen naast de landerijen van Gerrit Bartelink. Dit ongetwijfeld ter financiering van zijn aankoop van landerijen met woningen van de provincie in 1717. (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

22-03-1719 Ik Hinrik Arends verwalter schultes van Vriezenveen en keurnoten Jan Egberts en Jan Lucas Fronten; verklaren dat verschenen is voor het schoutengericht Gerrit Harmsen Smelt die verklaart schuldig te zijn aan Claas Cruis en echtgenote Geertjen Luicas Schol een som van 458 gulden afkomstig van de Heerenlasten van de jaren 1715 en 1716 en.....(?) en verschoten geld tegen 4 % onder hypotheek van 4 akkers land, met hierop staande 2 huizen, gelegen oostwaards, Jan Egberts en Gerrit Bartelink en westwaards Roelof Willemsen (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

22-03-1719 Ik Hinrik Arends verwalter schultes van Vriezenveen en keurnoten Jan Egberts en Jan Lucas Fronten; verklaenr dat verschenen is voor het schoutengericht Gerrit Harmsen Smelt die verklaart verkocht te hebben een vierendeel akker woestenland in de Westerwoesten onverscheiden met Frerick Jansen Waanders, Jan Gerritsen Smelt en Gerrit Faaijer en nog een gaarden liggende in de landerijen van de kerkmeester Jan Hinrixen Bourman en Jan Alberts voor 125 gulden an de Ed. schultes Claas Cruis en echtgenote Geertjen Luicas Schol (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

In 1719 (15 november) wordt door het gericht van Ootmarsum de verpanding gevorderd van alle goederen van
Gerrit Harmsen Smelt ivm de kosten van een gerechtelijke procedure ad. 165-15-8 en voor de nakosten 29-6- en voor vertering en paardenhuur 2-15-. Tenslotte voor advies 19-2- is totaal 216-18-8. Het verpande erf van Gerrit Smelt staat beschreven als gelegen tussen het erf van Gerrit Bartelink, Jan Egberts en Berend Bootsman (oostwaards) en Roelof Willemsen westwaards. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23 en 36).

In 1720 vindt er een publieke verkoop plaats van goederen van Gerrit Harmsen Smelt om schulden aan de eiser Perizon te kunnen voldoen. Perizon contra Gerrit Harmsen Smelt verkoop goederen verkoop keijsers gulden van 21 stuivers het stuk; 18 vijm rogge voor 54 gulden aan schout Claas Cruijs; oud zwart paard 10 gulden aan schout Claas Cruijs; 3 koenen en een gust beest 31 gulden en 10 stuivers aan Claas Cruijs; een kist met een oude spinde verkocht voor 15 gulden aan Claas Cruijs; een motte met 2 biggen verkocht voor 12 gulden aan Claas Cruijs. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23).


In 1737 met het hoofdgeld wordt "gerriet herms" voor 2 personen aangeslagen en moet hij 1 gulden betalen, dat is 50 cent per persoon, tegenover gemiddeld 46 cent voor het Oosteinde dat jaar. In 1750 wordt "garryt harmesen" aangeslagen voor 3 personen en bedraagt de aanslag 1,50, ruim boven het gemiddelde van 39 cent per persoon. In 1760 als hij aangeduid wordt als "garrit smelt" is de aanslag voor 4 personen 2 gulden, dus 50 cent per persoon, tegenover gemiddeld 39 cent. De familie moet dus wel in goede doen geweest zijn. Hoewel hij in de kohieren van de 1.000e penning van 1734 en 1739 niet voorkomt, werd zijn vermogen in 1751 geschat op 1.000 gulden en een extra 150 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
Zijn erf wordt later overgenomen door zijn schoonzoon Hermannus Bramer.

Hermen Gerritsen [Smelt] en zijn echtgenote Jenneken Janssen (de ouders van Gerrit) verkopen op 06-03-1715:
- huis en landerijen (gelegen naast dat van Gerrit Bartelink) [aan het Oosteinde],
-en een gaarden een vierendeel akker woestenland gelegen in de Westerwoesten
-en een vierendeel akker bovenwegsland en nog een vierdepart bovenwegsakker afkomstig van zijn overleden moeder, gemeenschappelijk mede-eigendom van zijn broers Jan -, Lucas- en Gerrit Gerritsen Smelt
aan hun zoon Gerrit Harmsen Smelt voor de som van 300 car. guldens (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2673).

Op 22-03-1719 verklaart Gerrit Hermsen Smelt nog schuldig te zijn aan de schout Claas Cruis en Geertjen Lucas Schol 450 car. guldens. Op dezelfde dag verkoopt hij ook zijn aandeel in een vierendeel woestenland (4 akkers) aan de schout . Het land was gelegen op de Wester woesten en werd gemeenschappelijk bezeten met Frerik Jansen Waanders, Jan Gerritsen Smelt en Gerrit Faijer. Ook werd nog een gaarden verkocht die gelegen was in de landerijen van kerkmeester Jan Henriksen Bourman en Jan Alberts. De verkoopprijs was 125 gulden. (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674)

Op 14-02-1722 eist Harmen Geertsen Huls 6 guldenvan van Gerrit Harmsen Smelt vanwege een dagwerk aangetastte turf (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 23).

Op 25-09-1730 verklaren Gerrit Hermsen Smelt en Mettien Freriksen Tuttertien 800 gulden schuldig te zijn aan Jan Janssen Geertsen en zijn echtgenote Henrikien Gerritsen Graave, alsmede aan Aaltien Jansen, wed. van wijlen Berend Gerritsen Winter. Onderpand zijn 4 akkers land en huis en schuur daarop staand. Buiten het onderpand blijft de woning die door Jan Hinrixen Gijseler wordt bewoond (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

11-10-1760 akte van transport: verkoop op 08-05-1760 door de erven van wijlen Jan Freriks (broer van Metjen Freriks Tuttertjen) van 1 akker superplusland aan Gerrit Harms Smelt en zijn vrouw voor 130 car. guldens.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).
Notitie bij het overlijden van Gerrit Harmsen: is overleden bij het huwelijk van zijn zoon Hermen in 1774.

276. Jan Jansen Berkhof (dezelfde als 256), tr. Vriezenveen omstr. 1725
277. Hendrientjen (ook Hendrikje) Jansen Smelt (dezelfde als 257).

278. Jan Berends Tuijtertjen, ged. Vriezenveen omstr. 1710, † ald. vr 1760, tr. omstr. 1734
279. Hendrikjen Frerijks Tuttertjen, ged. Vriezenveen 19 dec. 1706, † ald. na 1768.

Notitie bij Jan Berends: in het boterpachtregister vanaf ca. 1735 genoemd met de naam "Tuijtertjen", heeft 2 akkers land en een halve akker woestenland aan het Oosteinde in de buurt van het Midden. In het hoofdgeldregister van 1737 wordt "Jan Berens" aangeslagen voor 4 personen en moet daarvoor 1,60 betalen, met 35 cent per persoon zit hij aardig onder het gemiddelde van het Oosteinde dat in dat jaar 46 cent is. In 1753 wordt "ijan tuetertjen" voor 2 personen aangeslagen en bedraagt het te betalen bedrag 85 cent, is ca. 43 cent p.p. tegenover voor Vriezenveen 39 cent gemiddeld. In 1760 wordt in het Hoofdgeldregister de weduwe Jan Berent genoemd en is Jan Tuttertjen dus overleden, zij wordt dan aangeslagen voor 3 personen en moet 1,30 betalen = ca. 43 cent per persoon en daarmee iets boven het Vriezenveense gemiddelde van 39 cent in 1760. In 1733 wordt op dit goed als eigenaar Hermen Egberts genoemd. Of Berent het erf door koop of vererfing heeft gekregen is onduidelijk. In 1748 bij de volkstelling heeft dit echtpaar een meid in dienst, genaamd Maria Claesen.

De vader van Jan moet wel Berent Jansen Tuitertien zijn die geheel op het uiterste puntje van het Westeinde woonde (o.a. in de boterpachtregsiters van 1690 genoemd).


Jan Berens Tutertjen wordt in 1751 aangesteld in de bestuurlijke functie van setiene voor het Oosteinde (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 210).
Notitie bij Hendrikjen Frerijks: akte van transport: 10-10-1760 verkoop door de erven van wijlen Jan Freriks (broer van Hendrikjen Tuttertjen) van een akker superplusland voor 124 car. guldens aan Hendrikjen Freriks, wed. van Jan Berentsen.
(bron archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).

akte van transport: verkoop door Henderikjen Frederix Tuitertien, weduwe van wijlen Jan Berents, (geassisteerd met haar zoon Berent Jansen) van een halve akker bovenwegsland, beginnend aande Buteren of Woestenweg, gezamenlijk in eigendom met Jan Jansen, voor het bedrag van 116 gulden aan Roelof Hendriks (bron archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

280. Berend Gerritsen Broertjen (dezelfde als 264), tr. 1e
281. Geertjen Derks Smit (dezelfde als 265).

Notitie bij Berend Gerritsen: linnenkoopman in maatschap met zijn broer Jan Broertjen. Zou volgens Herman Jansen gewoond hebben aan het Oosteinde nr.266 (huidige nummering). Bron: maagscheiding Geertje Derks Smit 1766 (archief gemeente Vriezenveen) en ook Ken uw dorp en heb het lief blz. 135,136. Volgens de maagscheidingsakte van Geertje was haar erf gelegen tussen dat van Lucas Harmsen Vik enerzijds en anderzijds Jan Boeschen en Jan Berends Berkhof. Ik heb Berent echter niet kunnen traceren in de boterpachtregisters. Waarschijnlijk deelde Berend de woning met zijn broer Jan Gerritsen Broertjen, die wel in de boterpachtkohieren wordt vermeld. In de hoofdgeldkohieren komen Jan en Berend wel beide voor, bijvoorbeeld in 1737. In alle kohieren en ook bij de volkstelling van 1748 staan ze naast elkaar genoemd.

In het archief van het museum van Vriezenveen zit een rekening gedateerd 15 januari 1737 te Stettin, het is een moeilijk lesbare Duitstalige opsomming van kosten, in totaal 37-10 (guldens of marken?). De naam jan Boeschen duikt in de rekening op. Van hem is bekand dat hij in 1737 in Stettin is overleden op een handelsreis. Op de achterzijde staat een verklaring van Beerent Garissen Broetien die te Vriezenveen op 5 augustus 1737 verklaart dat hem deze rekening is voidaan voor de somma van 78-17-0. De bedragen van de voor- en achterzijde van het document stemmen niet overeen (wellicht toch een Duitse munteenheid aan de voorzijde?). Het lijkt erop dat Jan Boeschen een maatschap dreef met Berend Gerritsen Broertjen ( bron: archief museum Vriezenveen, inv. nr. 1.4 diverse stukken 1726/1809).

In 1737 met de hoofdelijke aanslag wordt "berent brortien" aangeslagen voor 2 personen, en bedraagt de aanslag 1 gulden , dit is 50 cent p.p. (gemiddeld Oosteinde 46 cent p.p.).
" Jan Broertien" wordt voor 1 persoon aangeslagen en moet 90 cent betalen, een hoog bedrag. In 1753 is alleen de weduwe "ijan bruetien" te vinden ze wordt aangeslagen voor 3 peronen en moet 1,30 betalen ca. 43 cent p.p.(tegenover gemiddeld 39 cent). In 1760 is dan weer uitsluitend "berent broertijen" vermeld, hij wordt aangeslagen voor 4 personen en moet dan 1 gulden betalen, met deze aanslag van 25 cent p.p. ligt hij behoorlijk onder het dorpsgemiddelde (39 cent).
In het register van de 1.000e penning valt het geschat vermogen van de meer welgestelde Vriezenveners af te lezen.
Berent had in 1751 een geschat vermogen van 550 gulden. Best wel aardig, maar toch de helft minder dan zijn vader eertijds. Het vermogen lijkt tussen de twee broers (Berent en Jan) opgedeeld te zijn. In het register van 1758 komt Berend niet meer voor wat betekende dat Berend onder de 500 gulden was gekomen. Die werden in dat register niet vermeld.

De landerijen van de familie Broertjen, die dus in de boterpachtregisters nog op naam staan van Jan Gerritsen Broertjen, raken vanaf 1755 verdeeld tussen Jan Berents Berkhof en Jan Boeschen, die elk met een dochter van Jan Gerrits Broertjen getrouwd zijn. De familie Broertjen blijft in de persoon van Albert Broertjen nog wel op de oude lokatie wonen, maar wordt in de boterpachtregisters niet meer als eigenaar van landerijen vermeld.
Volgens Herman Jansen in Ken uw dorp en heb het lief zouden de landerijen in de familie zijn gekomen via de eerste vrouw van Berend te weten Aeltjen Hendriks. Op grond van de informatie uit het boterpachtregister blijkt het echter anders te liggen, de landerijen komen gewoon uit de eigen familie.

15-04-1741 Bernardus Coster voor zich zelf en voor zijn moeder de weduwe Garrijt Costers Barents soon citeren voor het schoutengericht van Vriezenveen Berent Gerrits Broertjen, vanwege schulden inzake de aankoop d.d. 29-01-1739 en 3-2-1739 geleverd linnen (5 stuks) ten bedrage van 333 gulden ad 15 stuivers, waarvan op 15 september 1739 door Berent Gerrits Broertjen is betaald 245 gulden. resteert nog een schuld van 88 gulden. Berent Gerrits Broertjen meldt dat het hier om een misverstand gaat inzake een eerdere quitantie, waarbij 105 gulden meer in rekening is gebracht als ontvangen en zegt toe het bedrag te willen en zullen betalen. (bron: archief Scha vrv inv.nr. 26 20081230d_052_20081230e_115). Echter op 24 juni 1741 eisen de schuldeisers verpanding van goederen aangezien de schuld dan nog steeds niet betaald is.11 november 1741 blijkt dat een bedrag van 124 guldens nog steeds niet betaald is (op 12 juni 1736 zou een bedrag van 35 guldens betaald zijn, die in aftrek is gebracht).

11-11-1741 Egbert Coster citeert Berent Gerrits Broertjen die op 10 maart 1736 bij hem gekocht heeft 4 stukken wit linnen voor een bedrag van 160 gulden en dat hierop in mindering is gebracht op 12 juni 1736 een bedrag van 35 guldens en 13 stuivers, resteert een schuld vaan 124 gulden en 7 stuivers en intrest over dit bedrag. ( (bron: archief Scha vrv inv.nr. 26 20081230d_052_20081230e_135).

Ook op 11-11-1741 citeert Othmar ten Cate, spreekt de broers Broertjen aan voor 19 stuks geleverde linnen ter waarde van 1500 caroli guldens, waarvan pas 815 was betaald. (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 135). Maar bij deze problemen bleeft het niet. Ook tussen de beide broers ontstonden grote problemen. Eveneens in 1741 klaagde Berend zijn broer Jan aan vanwege een schuld van 130 gulden die deze bij hem uit had staan. Twee jaar later waren deze schulden nog steeds niet voldoen en liet Berend de landerijen van zijn broer Jan veilen. Berend kocht deze landerijen zelf voor 300 gulden (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 262). Berend verbleef ook in de vreemde. Zo was hij in 1737 in Stettin met Gerrit Boesschen. Laatstgenoemde stierf in deze stad en Berend Broertjen betaalde de verpeelg- en begrafenis kosten raison van 78 gulden en 17 stuivers. deze rekening is bewaard gebleven (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 262).

Wat ik uit de gegevens van de hoofdelijke aanslag in combinatie met de andere gegevens concludeer is dat de handel niet lucratief is geweest voor Berend. Mogelijk dat hij zich later evenals zn zoon op de turfschipperij heeft toegelegd, een beroep dat toch ook maar een karig bestaan opleverde, terwijl er hard gewerkt moest worden.

Op 28-07-1747 maakt Henrick Harms, de kinderen van zijn schoonzoon, bij zijn [tweede vrouw] Geertje Derks verwekt, genaamd Berent, Derk en Albert tot universeel erfgenaam (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Volgens Herman Jansen, in ken uw dorp en heb het lief hield Geertje Derksen Smit in 1766 een boedelscheiding met haar 2 zoons Albert en Derk . Ik citeer: "De zoon Albert kreeg het huis en de landerijen in eigendom met de verplichting om zijn moeder en zijn broer, als deze niet trouwde, voor ’den tijt huns levens’ te onderhouden en ’kost, dranken kleederen en al hetgene sij verder van node mochte hebben’ te verschaffen. Verder zou derk, als hij dit verkoos, kunnen eisen dat Albert hem moest geven de stapel- en linnenkiste, de turfschuite en de beste koperen pot. Verder zou de weefkamer en het weefgetouw, zoals hij dat steeds had gebruikt, ter zijner beschikking moeten staan, verder moest aan derk worden toegetsaan uit het scharrebiervat of melkvat te mogen drinken. dat wil zeggen dat hij vrij scharrebier, dat zelf werd gebrouwen en melk mocht drinken."

282. Hendrik Jansen Hofman (dezelfde als 266), tr. Vriezenveen 4 april 172822
283. Berendje Jansen (dezelfde als 267).

Notitie bij Hendrik Jansen: was afkomstig van het oude Hofmansgoed (Oosteinde 121-123 uitgaande van de huidige nummering) (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 85, 86). Vanaf ongeveer 1735 in de boterpachtregisters genoemd. Hij heeft het goed overgenomen van zijn vader Jan Berents Hofman, beter bekend als Hofjan.

Verkoopakte begin mei 1728 van Jan Berendsen Hofman en zijn vrouw Armke Egbersen een derde halfakker land met huis, schuur en schapenschot aan hun zoon Hendrik Jansen en zijn aanstaande vrouw Berentien Jansen (bron: inventaris archief verening Oud Vriezenveen).

In 1752 staat hij in het boterpachtregister vermeld als Hend. Jansen Hofman en bezit dan 3 1/2 akker land. In het boterpachtregister van 1755, opgemaakt in 1756 staat vermeld de weduwe Henr. Hofman.

Inzake het hoofdgeld wordt "hijnderyck yansen" in1753 aangeslagen voor 2 personen en moet hij 85 cent betalen, het gemiddelde lag op 39 cent p.p. In 1737 betaalde hij 1,40 voor 3 personen, dat is ca. 47 cent p.p., dat was overeenkomstig de gemiddelde aanslag voor het Oosteinde dat jaar.

In 1751 heeft Hendrik Hofman een geschat vermogen van 600 en aanvullend 50 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen werd beschouwd (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). In 1758 is het vermogen van de weduwe Hendrik Hofman geschat op 675 gulden (bron: 1000e penningkohier 1758; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2557).

11-08-1744 kopen Hendrik Jansen Hoffman en echtgenote voor de som van 127 car. guldens wat land van Egbert Jansen en Berentjen Rotgers (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).
Notitie bij het huwelijk van Hendrik Jansen en Berendje: in het archief van Huize Almelo is in het breukregister een uittreksel te vinden van het huwelijk van de ouders (Hendrijk Jansen en Berendje Jansen), gedateerd 4 april 1728 en een uittreksel uit het doopboek met de vermelding: "hebben een Cint laaten doopen der 26: decemb: 1728 waar van de Doomenie geen brieffien heeft ontfangen" en verder "Hend. Jansen sij vrouw heeft bekent te vroeg bijgeslapen te hebben dog geen afdragt (bedoeld wordt boete) gemaakt naderhant geaccordeert en boven de bet: boete noch ........(?)".

284. Berend Berends Hollander (dezelfde als 268), tr. Vriezenveen 19 mei 173722
285. Berendje Alberts Jonker (dezelfde als 269).

Notitie bij Berend Berends: landbouwer en linnenkoopman. In 1752 ook nog vermeld als zijnde herbergier (AHA inv. nr.3242). Noemde zich ook Holland. Bewoonde het erf Oosteinde 325-327 (huidige nummering). Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz.141. Het goed stond ook bekend onder de bijnaam "Joonkbeernds" welke bijnaam af zou stammen van de Berend, getrouwd met Berendje Jonker. Dit erf staat in de boterpachtregisters uit die tijd geregistreerd als het gemeenschappelijke bezit van Berent Hollander en zijn zwager Lucas Jonker. In 1755 wordt de weduwe B. Hollander vermeld. Het gedeelde erf beslaat 4 1/2 akker. In 1744 staat de vader van Berendje Jonker, "Albert Vreriks Jonker" nog als eigenaar van het goed vermeld.
Volgens Herman Jansen bewoonden later de 2 zoons Jan en Hendrik Holland het erf, echter in de boterpachtregisters is dit niet terug te vinden. In 1764 staat nog wel Lucas Jonker in de boterpachtkohieren vermeld, mogelijk betaalde hij ook het deel aan boterpacht voor de gebroeders Holland. Dit gebeurde wel vaker op opgesplitste erfen.
In 1753 wordt Berend inzake de hoofdgeldbelasting aangeslagen voor 1 gulden voor 2 personen, dit is 0,50 per persoon, gemiddeld voor Vriezenveen was dit 0,39. In 1760 wordt "Berent Wippe" de 2e echtgenoot van Berendje Jonker aangeslagen voor 3 personen en moet 1,40 betalen, ongeveer 0,46 per persoon, tegenover een dorpsgemiddelde van 0,39.
Berend Holland had het erf overgenomen van zijn schoonvader Albert Jonker. Dat wil zeggen de grond, aangezien Albert in 1748 bij zijn zoon Albert inwoont, lijkt het vermoeden gerechtvaardigd dat Berent een nieuwe boerderij heeft neergezet, terwijl zijn zwager Lucas het vaderlijk erf zal hebben bewoond.
Dat Berend ook naast boer ook linnenkoopman was blijkt uit een schuldbekentenis van 11 mei 1745, waarin hij en zijn vrouw verklaren een schuld te hebben in verband met gekochte en geleverde linnens (Bron: Ken uw dorp en heb het lief. 141)

Op 14-05-1745 verklaren Berent Berentsen Hollander en zijn vrouw Berentjen Alberts Jonker in verband met gekochte en geleverde linnens van 261 car. guldens schuldig te zijn aan Jan Freriks Fronten en zijn broer Hendrik Freriks Fronten. Aan Lambert Costers te Almelo een som van 58 car. guldens 17 stuivers en 3 penningen. Aan Jan Derks 188 car. guldens en 2 stuivers. Aan Jan Albers Jonker de som van 50 car. guldens. Aan Gerrit Fronten 52 car. guldens. aan de kinderen van Berent Koers, met name Jannes Berens Koers en Jan Braamer de somma van 165 car. guldens. In totaal de som van 916 car. guldens 13 stuivers en 3 penningen te verrenten tegen 3 % rente onder hypotheek van huis en land aan het Oosteinde. Gelegen tussen het land van Jan Freriks Fronten en de wed. Garrijt Bramer(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).
Notitie bij het huwelijk van Berend Berends en Berendje Alberts: genoemd in een breukregister van huwelijken waarbij een kind geboren werd binnen 9 maanden voor het huwelijk. het huwelijk vond plaats op 19 mei en het eerste kind werd al op 26 januari 1738 gedoopt. Een "moetje" dus dat in die tijd werd beboet door de Heer van Almelo.

286. Wolter Hermsen Schipper (dezelfde als 202 in generatie VIII), tr. omstr. 1742
287. Kunnigjen Egbers de Groot (dezelfde als 203 in generatie VIII).

288. Lucas Jansen Onweer, ged. Vriezenveen 26 maart 1699, † ald. na 20 maart 1781,57 tr. Vriezenveen omstr. 1724
289. Fennigje Jaspers Berkhoff, geb. Vriezenveen omstr. 1688, † ald. vr 1748.

Notitie bij Lucas Jansen: landbouwer en turfschipper, Oosteinde 345 huidige nummering.
doopnaam Lucas zeer moeilijk leesbaar.

-2-10-1723 Nicolaas Harwigh doet panding aan de mobiele goederen en het koren op de zolder van Lucas Jansen Onweer om hierop te verhalen 21 gulden vanwege de 50e penning vanwege gemaakt akkoord vanwege de landerijen door wijlen zijn broer Frerick Jansen Onweer gekocht van Jan Jansen Onweer, welke landerijen nu weer eigendom zijn van Lucas Jansen Onweer door wijlen zijn broer aan hem verkocht met inbegrip van hierop rustende schulden (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 24).

Wordt in 1736 in de boterpachtregisters genoemd, bezat toen een tweeakkerstuk. Daar zn broer Jan Jansen Onweer al voor 1736 in de boterpachtkohieren wordt genoemd, -nl. in elk geval vanaf 1721 en wel met een vierakkerstuk- en deze vanaf 1736 net zoals zn broer bezitter is geworden van een tweeakkerstuk, kan geconcludeerd worden dat het land is opgesplitst. Volgens Herman Jansen in het boek Ken uw dorp en heb het lief, blz. 147. is het Onweerserf, dat oorspronkelijk eigendom was van het klooster Sibculo, -en in 1649 of daarvoor was overgegaan naar de provincie Overijssel- op 9 februari 1717 van de gedeputeerden van de provincie verkocht aan Jan Jansen Onweer die de helft van het vierakkerstuk nog in hetzelfde jaar doorverkoopt aan zijn broer Lucas voor 750 car. guldens. Dit zou betekenen dat de gegevens van de boterpachtregisters niet up-to-date zijn. In elk geval tot en met 1733 wordt nl. alleen Jan Jansen Onweer in de boterpachtregisters als de bezitter van het vierakkerstuk genoemd. Het oorspronkelijke vierakkerstuk was belast met 16 pond boter voor het Huis Almelo en met de "geregtigheid van haver ende een schepel rogge aan de Pastoor" plus een schepel jufferenhaver te betalen aan de Kerkvoogdij te Almelo ten bate van de aldaar ingestelde tweede predikantsplaats. (citaat uit het boek Ken uw dorp en heb het lief, blz. 147).
Bij de belastingen der personele quotisatie van 1750 wordt zijn jaarinkomen onder de 200 gulden geschat. Van het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Lucas 1 paard had en 20 bijenkorven, daarmee was Lucas de grootste imker van Vriezenveen in deze tijd. In 1762 is het aantal bijenkorven zelfs uitgegroeid tot 33! (Bron archief Huize Almelo, belastingregisters reliqua).


Lucas wordt nog genoemd in het boterpachtregister van 1763, hij had zn landerijen toen inmiddels uitgebreid en was bezitter geworden van een vierakkerstuk.

Met de volkstelling van 1748 wordt de weduwnaar Luicas Onweer genoemd en zijn 2 kinderen Janna en Jasper (beiden ouder dan 10 jaar).

Nog genoemd in de kohieren van het hoofdgeld in 1760, aangeslagen voor 1 gulden en 14 stuivers voor 3 personen, dat is ongeveer 57 cent p.p. wat aardig boven het Vriezenveense gemiddelde van 39 cent lag. In 1753 lag de aanslag nog op 1,30 voor 3 personen wat ca. 43 cent p.p. is en daarmee iets boven het gemiddelde van 39 cent p.p..

Op 20-4-1754 wordt Lucas samen met zijn broer Willem benoemd tot momber over Hendrik Jansen Onweer, de zoon van hun broer Jan Jansen Onweer. Jan Frederik Fronten die eerder momber was, geeft het momberschap op omdat de nalatenschap van Jan Jansen Onweer teveel werk vergde, de "daaruyt voortgevloeyde administratie en sijne effecten" zijn hem teveel. (Archief Huize Almelo inv. nr. 2958).

Lucas Onweer wordt genoemd als getuige in een proces dat handelt om de mishandeling van Lucas Jonker door Harmen Klaassen (processtuk 8-3-1747 Archief Huize Almelo inv.nr. 2932). Lucas zegt dan omtrent 48 jaar oud te zijn.

Op 6-12-1755 wordt de overdrachtsakte opgemaakt ("cessie van transport") van de verkoop van een stuk hooiland door Lukas Jansen Onweer voor de som van 250 car. guldens. Het stuk land is gelegen in de landerijen van Lucas Lucassen beginnen bij de Wetering tot aan de Aa en genaamd de Agtermaat en was eerder door Lucas Jansen Onweer gekocht van wijlen Lukas Jansen en wordt verkocht aan Geertjen Fronten, wed. van Hendrik Feijer (bron: archief schoutamt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij het overlijden van Lucas Jansen: genoemd als getuige in een kwestie inzake de kerkmeesters (20-3-1781), verklaart dan ca. 83 jaar oud te zijn.

290. Derk Jansen Faijer (dezelfde als 258), tr. 2e omstr. 1713
291. Jennigje Geerts (dezelfde als 259).

292. Derk Jansen Faijer (dezelfde als 258), tr. 2e omstr. 1713
293. Jennigje Geerts (dezelfde als 259).

294. Jan Gerrits ten Cate, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen vr 28 maart 1772,58 tr. Vriezenveen omstr. 1719
295. Aeltjen Jansen Scholl, geb. omstr. 1695, † Vriezenveen na 28 febr. 1756.59

Notitie bij Jan Gerrits: landbouwer, maar waarschijnlijk ook koopman. Ook zijn schoonvader en zoon handelden en vaak was het zakendoen in Vriezenveen een familieaangelegenheid.
In 1734 en 1739 is hij n van de taxateurs van de 1.000e penning. Dat wil zeggen hij stelde mede de rekening op en moest deze goedkeuren. In 1734 blijkt Jan (voor zaken?) in Holland te zijn. Daarom kan hij de eindrekening niet ondertekenen (bron: Statenarchief van Overijssel, inv. nr. 2553).

Jan moet dus een invloedrijk man geweest zijn. Ook was hij in 1739 n van de kerkmeesters van Vriezenveen.
Bewoonde het ouderlijk erf aan het Westeinde (in de buurt van nummer 540 huidige nummering), heeft hier 3 akkers land. Wordt in de boterpachtkohieren vanaf ca. 1735 genoemd. In 1719 en 1729 woonde hier ook een zekere Hendrik Gerritsen ten Cate. Dat is de broer van Jan die reeeds jong overleed. (zie notities en testament bij broer Hendrik Gerrits ten Cate).

Op 6-2-1723 daagt Nicolaas Harwig Jan Gerrits ten Cate voor het gericht vanwege een schuld van 24 gulden en 4 stuivers die aan hem uitgeleend waren, maar niet teruggegeven (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23).

In 1748 bij de volkstelling worden naast de kinderen Jenneken en Frederica ook nog een knecht genoemd. Deze heet Gradus Gerritsen.
Zijn vermogen wordt in het kohier van de 1.000e penning van 1734 en 1739 geschat op 1200 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2550 en 2553).
Ook in 1751 werd het geschat op 1200 gulden en een extra 200 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
In het kohier van 1758 wordt hij genoemd met een vermogen van 1325 gulden.

In 1753 wordt Jan ten Cate inzake het hoofdgeld voor 5 personen aangeslagen en moet hij 2,15 betalen. Dat is 43 cent per persoon en daarmee was deze aanslag wat hoger dan gemiddeld (39 cent).
Jan wordt nog in het hoofdgeldkohier van 1760 genoemd, maar ook in het boterpachtregister van 1763. In het hoofdgeldkohier van 1760 wordt Jan aangeslagen voor 1 persoon, zijn vrouw zal zijn overleden; hij moet 1,02 betalen, een erg hoog bedrag aangezien het gemiddelde dat jaar 39 cent per persoon was.

met zijn vrouw genoemd in testament van dochter Grietje ( en echtgenoot Roelof Wichers)13-04-1753 (Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 28-02-1756 verklaren Jan ten Caate en Aaltjen Schol op 25-01-1742 een halve akker hooiland verkocht (erfkoop) te hebben aan Hendrik ten Caate (Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

akte van transport d.d. 07-10-1758 inzake aankoop van 3 akkers land en huis d.d. 29-09-1757 uit de boedel van Gerrijt Berens ten Caate door Jan Gerrijts ten Caate van Andries ten Cate, koopman te Almelo voor een som van 1200 car. guldens.(bron: archief schoutambt Vriezenven, inv. nr. 2675).

Schoonzoon Gerrit ten Cate (gehuwd met Frederika ten Cate dochter van Jan Gerrits ten Cate en Aeltjen Scholl, was o.a. in 1749 in Sint Petersburg, toen hij 10 roebel leende van Jannes Derks Faijer). Bron: D.G. Harmsen: Vriezenveners in Rusland.

akte van transport d.d. 28-03-1772 verkoop door de erven van Jan ten Cate voor 190 gulden van enig bouwland, gelegen in het zogenaamde Croemenland, aan Gerrit Lucas en Derk Arents Smit.
en d.d.09-04-1772 verkoop van een stuk grasland in het zogenaamde Croemenland voor 100 gulden aan Abraham Mokkelcate en zijn vrouw.
De genoemde erfgenamen zijn:
-Roeloff Wiegers en zijn huisvrouw Grietjen ten Cate
-Harmannus Boesschen en zijn huisvrouw Janna ten Cate
-Jannes Derksen Faijer als vader en wettig voogd van zijn kinderen, verwekt bij wijlen zijn huisvrouw Henderikjen ten Cate
-Hendrik ten Cate "de rato laverende voor Gerhardus Rhee" als voogden van Bernardus ten cate, zoon van wijlen Gerrit ten Cate verwekt bij wijlen zijn vrouw Frederica ten Cate.
Notitie bij Aeltjen Jansen: genoemd in het testament van rond 1719 van zuster Grietje Jansen Schol en Berend Brouwer (stadgericht Almelo, folio 234-238, inv. nr. 2618).

Genoemd in testament dochter Grietje ( en echtgenoot Roelof Wichers)13-04-1753 (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

296. Jan Lucas Coster, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen omstr. 1745, tr.
297. Hermtjen Hendricks Schuurman, geb. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. 1753.

Notitie bij Jan Lucas: landbouwer, bewoonde Oosteinde 369 (huidige nummering). Zie blz. 152 Ken uw dorp en heb het lief. In elk geval overleden voor de volkstelling van 1748. Vanaf 1713 in de boterpachtregisters genoemd als opvolger van Lucas Berents. Wordt nog genoemd in het boterpachtregister van 1743, opgemaakt in 1744. Heeft 4 akkers land in bezit, moet hiervoor jaarlijks 16 pond boter afdragen aan de Heer van Almelo. Zoon Berent neemt het erf van zijn vader over (zijn vermogen wordt in 1758 geschat op 1300 gulden). Zoon Gerrit koopt elders aan het Oosteinde een boerderij met land.
In 1748 bij de volkstelling wordt genoemd de wed. Jan L. Coster en 2 kinderen boven de 10 jaar, Berent Jansen Coster en Henderik Jansen Coster, verder heeft het gezin een dienstbode, Henderikjen Gerritsen Smelt.
Inzake het hoofdgeld wordt Jan in 1737 aangeslagen voor 4 personen en moet hij 1,80 betalen. Dat is 45 cent p.p. en daarmee ongeveer gemiddeld voor de aanslagen van het Oosteinde (nl. 46 cent).
In het register van de 1.000e penning uit 1734 en 1739 komt Jan Lucas voor met een vermogen van 500 gulden (Statenarchief inv. nrs. 2550 en 2553).
In 1751 wordt het vermogen van de wed. Jan Lucas Coster gesteld op 1.400 gulden.

Op 16-07-1717 verklaart Lucas Berentsen mede namens wijlen zijn echtgenote Berentje Berentsen op 11-02-1711 overgedragen te hebben aan [zoon] Jan Luixen en Harmtjen Hendrixen, 4 akkers land en huis en erf, gelegen tussen het land van Harmen Berendsen en Jan Berendsen voor 900 golt guldens, voorts 2 akkers turfland op de superplus, verder het aandeel in de spotkamp en de oever, die gemeenschappelijk met Jan Berendsen en Willem Henrixen wordt bezeten. Verder nog stukken land op de superplus en enkele andere gespecificeerde grondstukken. In de hele akte staat niet vermeld dat het hier een familierelatie betreft. (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).(2007-1221a-foto 10269).

24-02-1725 Adolph Henrik Harwig en Berent Raphuis als volmachtigers van de minderjarige Janna Raphuis overleden bij derselver minderjarigheid contra haar mombaren Evert Harmsen Coster en Hendrik Arends, Janna Raphuis heeft al een aantal keren om rekening van haar mombaren verzocht. heer van Almelo heeft dit verzoek gehonoreerd en de erven van Henrik Arendsen om rekening verzocht.
27-10-1725 de erfgenamen van wijlen kerkmeester Hendrik Arends [Schuurman] met name: Jan Prinsen, Arend Hendriks, Janna Hendriks, Gerrit Berkhoff en Jan Lucas Koster, Egbert Jansen Roest, Jan Hinrixen en Berendje Hinrixen. contra Janna Raphuis (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 24 foto 110 en 204).

15-7-1739 kopen Egbert Lamberts en Jannes Herms Schoemaker 1 akker land van de erfgenamen van de overleden Jan Egbers, met name]: Jan Prinsen (gehuwd met Metjen Hendricks Schuurman), Gerrijt Barkhoff (gehuwd met Grietjen Henr. Schuurman), Jan Luijkas Coster (gehuwd met Harmpje Hendriks Schuurman), Jan Henr. Schuurman (gehuwd met Henrikjen Bramer)en Arent Henr. Schuurman (huwelijk onbekend). Het land is gelegen tussen het land van Jan Cruijs, aan de oostzijde en aan de westzijde het land van Henr. Roelofs Huijsman. Het kost 375 caroli guldens. Het land is bezwaard met een verpondinge van 10 stuijver en een schattinge van twee stuijver en boterpacht aan den Huijse Almelo. De acte wordt met naam ondertekend door Jan Prinsen , garrijt barckhof en ijan luckas als verkopers van het land. (NB namen van aangehuwden zijn door Erik Berkhof bijgevoegd aan de hand van eigen en informatie van de website Vriezenveners.nl)
Notitie bij Hermtjen Hendricks: nog genoemd bij de volkstelling van 1748. In het hoofdgeldkohier van 1752 wordt zoon Berent Koster als gezinshoofd vermeld.
Haar vermogen werd in 1751 geschat op 1.100 gulden en een extra 300 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).

298. Jan Fredrijks, ged. Vriezenveen 7 mei 1702, † ald. na 1770,60 tr.
299. Janna Hendrijks Winter, ged. Vriezenveen 18 maart 1703, † ald. na 1751.61

Notitie bij Jan: koopman (?). Heeft een erf gelegen in de buurt van het Westeinde nummer 200. Heeft 5 1/2 akkers land en wordt nog in het boterpachtregister van 1764 genoemd. Vanaf 1735 genoemd. Bewoont het erf van een zekere Frerik Gerrits.

In het register van de 1.000e penning uit 1734 en 1739 wordt het vermogen van dit echtpaar op 1200 gulden geschat. In 1751 is dit vermogen zelfs gegroeid tot 3100 gulden.

In 1753 wordt Jan inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en bedraagt de aanslag 1,45. (het gemiddelde p.p. was dat jaar 39 cent, dus daar lag deze familie iets boven. In 1760 bedroeg de aanslag 2,20 voor 3 personen en daarmee was dit een hoog bedrag (gemiddelde van 1760 p.p. was 39 cent). Bij de volkstelling van 1748 heeft de familie een knecht Jannes Jansen. De volgende kinderen boven 10 jaar wonen dan nog in huis: Frederica en Hinderikjen.
In het personele quotisatiekohier van 1750 komt de familie als n van de rijkere families naar voren en wordt Jan Fredrijks ingeschaald als hebbend een inkomen tussen 200 en 400 gulden. In 1753 had hij volgens het belastingregister op het paardengeld 2 paarden.

Op 07-03-1744 kopen Jan Freriks en zijn huisvrouw Janna Henriks Winter voor 530 car. guldens 1/3 deel van het zogenaamde Jonkers Grefenland (bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

18-10-1749 Compareert voor het schoutengericht Jan Freriks, Gerrit Freriks en Berent Berents, mede-erfgenamen van wijlen Egbert Freriks, verklarende dat wijlen Frerik Jansen Tutertjen momber is geweest van voormelde Egbert Freriks en in die hoedanigheid voor zijn pupil het beheer heeft gehad over 100 gulden, die door Wicher Roelofs van Frerik Jansen Tutertjen zijn opgehaald (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 20081230e_096).
15-11-1749 Compareert voor het schoutengericht Jan Freriks, Gerrit Freriks en Berent Berents welke verklaren elk voor een zesde deel erfgenaam te zijn van Egbert Freriks en Berent Berents bovendien nog een extra aandeel van een zesde heeft, als rechthebbende van Werner Werners. (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 20081230e_100).

300. Engbert Jansen Smit (Olyslager), geb. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. na 1751,62 tr. Vriezenveen omstr. 1723
301. Frerikjen Freriks Jonker, geb. Vriezenveen omstr. 1685, † ald. na 1740, tr. 1e Vriezenveen omstr. 1709 Berend Jansen Olijslager, geb. omstr. 1685, † Vriezenveen vr 1720, zn. van Jan Lubbers en Gebbigjen Berends.

Notitie bij Engbert Jansen: smid en olieslager van beroep ook als linnenkoopman actief. Als zodanig opereerde hij in 1722 samen met Jan Hendriks Boer, was actief in Amsterdam en Oost-Friesland (HAA inv. nr. 2959, foto 298). Trouwt op het erf Westeinde 96 (huidige nummering) in, dat afkomstig was van de eerste echtgenoot van Frerickjen Jonker. (Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz.183). Was zelf afkomstig van het Oosteinde 151 of daaromtrent (huidige nummering).
Volgens informatie uit het archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23 legde Jan Cruis beslag op de penningen die Jan Bourman tegoed had van Engbert Jansen Smit in verband met door Jan Cruis aan Jan Bourman geleverde, maar door laatsgenoemde niet betaalde tuinzaden (hofsadinge). Het lijkt erop dat Jan Cruis (vermoedelijk Berkhof), Jan Bourman en Engbert Jansen Smit wellicht samen handelden en over en weer schulden aan elkaar hadden.

Engbert Smit wordt in het kohier van de 1.000e penning van 1751 genoemd met een vermogen van 1300 gulden. In 1758 wordt zoon Berent Engb. Smit vermeld met een geschat vermogen van 2702 gulden. Het vermogen in de familie is dus in korte tijd behoorlijk gegroeid.

In het hoofdgeldkohier van 1737 wordt hij aangeslagen voor 2 personen en moet 1 gulden betalen, daarmee ligt hij iets boven het gemiddelde van het Oosteinde (46 cent p.p.). Met de volkstelling van 1748 wordt de "wed. Egbert Smit" genoemd.
De familie schijnt voldoende contanten te hebben gehad.
Op 19-9-1731 lenen de Edele Egbert Olyslager en zijn vrouw Frerikien de som van 1.500 gulden aan Jan Vrylinck en Jenneken Giervelt te Wierden dit met als onderpand het erfe Vrylinck en verder alle aangekochte landerijen die Jan Vrylinck tegenwoordig bezit (Bron: RA Overijssel; Gericht Kedingen deel 3).

In 1733 zijn Willem Bramer en zijn vrouw betrokken bij een ruzie met Engbert Jansen Smit en zijn vrouw Frerikjen Jonker. De ruzie speelde zich af ’s-avonds 9 10 uur na de begravenis van het kind van Berent Raphuijs en komende uit de kroeg van Willem Onweer, waar de begravenis had plaatsgevonden, kwamen Willem en zijn vrouw langs het huis van Engbert Jansen Smit alwaar de ruzie ontstond en Engbert tegen Willem had gezegd "Willem wat doet stu mij an dat ik so een questie of moeite moet hebben...". Willem trok de muts van het hoofd van de vrouw van Engbert Jansen Smit en sloeg haar dusdanig dat ze moord en brand schreeuwde waarop buurtbewoners vervolgens allemaal op af waren gekomen. De omwonenden troffen in het huis Willem Bramer aan en de meid van Engbert Jansen Smit die zich ook met de vechtpartij bemoeide evenals Hendrik Jansen Quant en zijn vrouw (Geesje Jonker) die slaags waren met Engbert Jansen Smit. Grietje ten Cate zou Willem Bramer uit het huis van Engbert Smit hebben getrokken (bron: breukregisters AHA inv. nr. 3241).

Op 27 oktober 1736 wordt Engbert Jansen Smit in het breukregister van de schout genoemd vanwege een ruzie met Jan Cluppels, waarbij rake klappen waren gevallen. Het gebeuren had plaats in het huis (de kroeg?) van Willem Onweer. (bron: AHA inv. nr. 3242).

Ook op 30 mei 1737 wordt Engbert Jansen Smit in het breukregister van de schout genoemd vanwege een ruzie met Nicolaas harwig, alias de Hanenweert, waarbij rake klappen waren gevallen. Het gebeuren had plaats in het huis van Berent Jansen Raphuijs. (bron: AHA inv. nr. 3242).

Op 5 augustus 1737 wordt Jan Bom geciteerd voor het gericht van Huize Almelo te verschijnen. Hij had voor en tijdens de preek, op zondag dus, turf vervoerd op een wagen, deze was als bootvracht aangeleverd door Engbert Janssen Smit, Jan Lucas Hols en Jannes Prinsen, die ook geciteerd werden vanwege hun werkzaamheden op de heilige zondag (bron: AHA inv. nr. 2937).

8-5-1745 compareert voor het schoutengericht Engbert Jansen Smit met de verklaring dat hij in 1744 in het huis van de weduwe Niklaas Harwig door Berent Freriks tot bloedens toe geslagen is, en verschillende wonden heeft opgelopen, waardoor hij voor dood op de grond lag, waarbij de Heer van Almelo zich genoodzaakt zag een chirurgijn te roepen. Engbert vraagt het gericht voor pijn en verzuim 12 gulden te verhalen op genoemde Berent Freriks. Daarnaast verzoekt hij schadeloosstelling van Berent Freriks voor gerichts en chirurgijnkosten. (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 26 foto 262).

Op 17-3-1757 wordt in de archieven van Wierden genoemd Berend Smit Olyslager te Vriezenveen dit ivm met een eerdere lening van zijn vader Engebert Smit Olyslager (d.d. 19-6-1730) aan Gerrit Smit en Henrikjen Abrahams, die dan het hypothecaire onderpand (een dagwerk hooiland gelegen in de Haar marke onder Wierden) in eigendom verkrijgt. Kennelijk heeft de lener de schuld niet volledig afgelost.
(Bron: RA Overijssel; Gericht Kedingen deel 8).

Nakomelingen van Engbert hebben de dubbele achternaam Olyslager Smit.
Notitie bij Frerikjen Freriks: Frerikjen wordt als Frederikje Frederiks Jonker genoemd in de trouwakte van zoon Jan Olyslager op 26-2-1740 te Amsterdam.

302. Gerrit Jansen Smelt, geb. Vriezenveen omstr. 1700, † ald. vr 12 jan. 1727, tr. Vriezenveen 1725
303. Jennigje Jansen Berkhoff, geb. Vriezenveen omstr. 1695, † ald. vr 1761, tr. 2e Vriezenveen omstr. 1727 Gerrit Jansen Boesschen, geb. Vriezenveen? omstr. 1695, † Stettin, Polen 11 mei 1737, zn. van Jan Hendriks Timmer. tr. 3e Vriezenveen omstr. 1737 Jannes Alberts Jonker, geb. Vriezenveen 3 juni 1714, † ald. na 1761, zn. van Albert Freriks (zie 412) en Jenneken Lucassen Smit (zie 413).

Notitie bij Gerrit Jansen: oudergegevens van Gerrit Jansen Smelt overgenomen van Andr Idzinga; Vriezenveners.nl
Notitie bij Jennigje Jansen: Jennigje Jansen is een verhaal apart. In de eerste plaats is de vaderlink niet hard te maken. Evengoed zou ze een dochter kunnen zijn van Jan Berents Berkhoff (geb. ca. 1669) gehuwd met Fenneken Harms. Daarnaast kom ik op grond van mijn onderzoekingen tot de conclusie dat ze inhuwde op het erf van haar man Gerrit Jansen Boeschen. Gerrit Jansen Boeschen bewoonde nl. het erf in de boterpachtregisters dat eerder door zijn vader Jan Hendriksen Boesschen werd bewoond (bijvoorbeeld 1733). Het erf was gelegen aan het Oosteinde nr. 246/248 huidige nummering en besloeg 4 akkers. Ze trouwde dus niet in op het erf van de familie Smelt, zoals Herman Jansen concludeert in het boek Ken uw dorp en heb het lief, blz. 128.
Er ziin doopgegevens te vinden van Geertje (12-1-1727). In het doopboek staat "de moeder Jennegjen Jansen Berkhof, weduwe van wijlen Gerrith Jansen Smelt dewelcke omtrent een halve dag voor s kinds geboorte overleden is". Geertje wordt in 1748 bij de volkstelling nog genoemd.
In 1738/1739 is er een rechtzaak tussen Jan H. Timmer (toevoeging van mijzelf, ook Boesschen genoemd) en Jannes Alberts Jonker, echtgenoot van Jenneken Berkhof, die eerder gehuwd was met Gerrit Jansen Timmer. Jan H. Timmer had eerder enkele koeweiden aan Gerrit Jansen Timmer verkocht en een ruzie over het gebruik van deze weiden was het gevolg (Archief Huize Almelo nr. 3080). Let wel, ze wordt alleen weduwe van Gerrit Timmer genoemd, hoewel haar eerdere huwelijk in deze kwestie overigens ook niet relevant was.
Jannes Jonker vermaakt in 1761 het erf aan zijn neef Berent Berentsen Hollander (geb. 1743, gehuwd met Janna Wolters Schipper). Het huwelijk met Gerrit Boesschen en Jannes Jonker was kinderloos gebleven (Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 128).

304. Jan Hendrik Webbe, geb. Almelo omstr. 1720, † ald. na 1780, tr. 2e Almelo 1 april 1763 Margrieta Berends Nijland, ged. Enter 16 okt. 1729,63 † Almelo 3 juli 1806, wed. van Lambert Jansen Grobben; tr. 1e Almelo 29 aug. 1742
305. Hendriene Eevers Eulderink, geb. Hengelo omstr. 1720, † Almelo vr 12 maart 1763.

Notitie bij Jan Hendrik: Jan Hendrik is zelf waarschijnlijk rond 1780 naar Borne verhuisd. Zijn zoons Abraham en Johannes laten hier diverse kinderen dopen in de tachtiger jaren van de 18e eeuw.

Mogelijk woonde hij al eerder in Borne, want met de volkstelling van 1748 is hij in Almelo niet traceerbaar, terwijl hij toch tussen 1745 en 1770 al zijn kinderen in Almelo NH liet dopen.

In het hoofdgeldkohier van 1764, 1765 en 1767 staat Jan Hendrik Webben te boek als onvermogend om het hoofdgeld te betalen (bron: Statenarchief inv. nrs. 2689, 2692 en 2695).
Notitie bij de geboorte van Jan Hendrik: huwelijk vader Abraham vond in 1719 plaats, dus de geboorte van Jan Hendrik zal waarschijnlijk daarna hebben gelegen
Notitie bij Hendriene Eevers: ook wel Aelderink of Uldrink
Notitie bij het huwelijk van Jan Hendrik en Hendriene Eevers: Bij zijn eerste huwelijk wordt hij genoemd Jan Hendrik Jansen zoon van Abraham Jansen, bij zijn 2e huwelijk in 1763 wordt hij wel met de naam Webben aangeduid.

306. Derk Alberts van het Hinveld, geb. omstr. 1720, † Almelo vr 1777,64 tr. (ondertr. Almelo 3 febr.) 174865
307. Maria Stevens van Meijer (ook Kievit of Kiefhuis), ged. Tubbergen 7 dec. 1721,65 † Almelo (?).

Notitie bij Derk Alberts: 1748 Gericht Almelo volkstelling: Gezin van Derk Hinnevelt. Gezin bestaat uit Derk, zijn vrouw Marie, en een kind onder de 10, Aele.
Het echtpaar laat de kinderen NH- dopen. Derk Alberts zal dus protestants geweest zijn, terwijl Maria van katholieke origine was.

308. Gerrit Alberts van den Krommendijk (na huwelijk van het Schuttenhuis), geb. omstr. 1710, † Almelo na 1749, tr. 1e Almelo 19 maart 1730 Grietjen Gerrits Smit, geb. Ibbenbren, † Almelo vr 11 mei 1738, wed. van Jan Jansen van het Schuttenhuis; tr. 3e Almelo 13 maart 1740 Jenneken Gerrits uyt den Wanscher, geb. omstr. 1715, † Almelo na 1747; tr. 2e Almelo 11 mei 1738
309. Janna Hendriksen Brouwer, geb. Almelo omstr. 1710, † ald. na 1749.

Notitie bij Gerrit Alberts: ook Schutten genoemd. Bij het eerste huwelijk heet hij van den Krommendijck (dit zal een streeknaam zijn), huwt waarschijnlijk in op het Schuttenhuiserf te Almelo. Want zijn eerste vrouw Grietjen Smit was weduwe van Jan van het Schuttenhuis. Waarschijnlijk is Grietjen Smit eerst op dit erf ingehuwd en daarna deed haar tweede man Gerrit Alberts van den Krommendijck hetzelfde, daarbij de erfnaam als familienaam overnemend.

Hoewel bij het huwelijk van 1740 niet staat vermeld dat Gerrit weduwnaar is, ga ik er toch van uit dat hij identiek is aan de Gerrit die eerder huwde met Janna Brouwer en Grietje Smit. Want in het volkstellingregister van 1748 van Almelo staat het volgende gezin vermeld:
Gerrit Schutten en Jenne zijn vrouw samen met de kinderen onder de 10 jaar Jan en Gerrit en Willemine. Verder inwonend de knecht Arend de Wierde en de meid Janna en nog inwonend is Albert d’broer [broer van de oude moer Aeltje Alberts van het Landhuis? ]. Toch is het niet helemaal logisch. Als Gerrit identiek is aan Geerlig zou je verwachten dat hij boven Jan vermeld zou staan omdat hij ouder is. Dat is niet het geval. De hele familieconstructie blijft twijfelachtig. Er is echter bij de volkstelling van 1748 verder geen kind dat Geerling of Geerlig heet, behalve dan als zoon van Hendrik Meulenbelt.

Geerlich (en dus niet Gerrit) was eerder (1739) gedoopt als de zoon van Janna Brouwer. Verder staat vermeld was nog inwonend de "Aele oude moer" (Aaltje Alberts van het Landhuis). Zij was nog de moeder van Jan Jansen van het Schuttenhuis (een eerdere echtgenoot van Grietjen Smit).

Opvallend zijn sowieso de vele huwelijken van Gerrit en Grietje Smit, waardoor je snel de draad kunt verliezen.
Notitie bij Janna Hendriksen: Janna heet Brouwer bij de doop van zoon Geerdelick op 14-6-1739.

Er is echter geen trouwakte te vinden van Janna Brouwer, wel van Janna Hendriksen op 11-5-1738. Het betrof een huwelijk met Gerrit Aelberts van het Schuttenhuis, weduwnaar van Grietje Smit in de stad Almelo met Janna Hendriksen ND van Hendrik Roelofsen Mieghoop. Ik ga ervan uit op grond van deze informatie dat Janna Hendriksen identiek is aan Janna Brouwer. De vader Hendrik Roelofs ben ik niet onder de naam Brouwer tegengekomen.
Notitie bij de geboorte van Janna Hendriksen: de doopboeken van Almelo beginnen pas in 1734, waardoor genealogisch onderzoek bemoeilijkt wordt.
Notitie bij het huwelijk van Gerrit Alberts en Janna Hendriksen: Gerrit Aelberts van het Schuttenhuis weduwnaar van Grietje Smit, in Stad Almelo en Janna Hendriksen jd, nagelaten dochter, in de Heerlijkheid van Hendrik Roelefsen Mieghoop

310. Lucas Jansen (Schot), geb. omstr. 1710, † Vriezenveen na 1776,66 tr.
311. Fenneken Herms Schothorst, geb. Vriezenveen omstr. 1696, † ald. na 1752.

Notitie bij Lucas: bewoont een woning aan het uiterste puntje van het Oosteinde richting Geesteren. Neemt de naam Schot over van zijn vrouw die Schothorst heet. Volgens Herman Jansen heette hij eigenlijk Boltwedde, hij woonde aan de Geesterenseweg 8 (huidige nummering). Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 174. Het waren kleine huisjes die over de Schipsloot heen gelegen waren.
In 1748 komt het gezin voor met 4 kinderen boven de 10 jaar, waarvan er opmerkelijk genoeg 2 Aeltjen heten en de andere twee Jan en Harmina. Dit duidt er mogelijk op dat beide grootmoeders Aeltjen moeten hebben geheten.

In de boterpachtregisters wordt dit gezin niet genoemd, dus zal Lucas waarschijnlijk geen boer zijn geweest. Gezien zijn woning aan het puntje van het Oosteinde is hij mogelijk turfschipper geweest.

In 1737 komt Lucas Jansen voor in het hoofdgeldkohier als " luijkas jansen" hij wordt voor 1 persoon aangeslagen en moet 30 cent betalen, hij ligt daarmee flink onder het gemiddelde voor het Oosteinde van 46 cent p.p..
In 1753 betaalt de familie voor 2 personen 30 cent. Het moet een familie zijn geweest die ergens onder aan de sociale ladder stond. In 1760 scoort het gezin wat beter met het hoofdgeld, dan voor 2 personen 75 cent, tegenover gemiddeld 39 cent p.p.
In het kohier van de hoornebeesten uit 1767 en 1768 staat Lucas vermeld als "Schoet Lukas" ofwel Lukas Schot. In 1776 heet hij in dit kohier weer gewoon Lucas Jansen.

In het vuurstedengeldregister van 1782 staat Schot Geerlink als hoofdbewoner van dit erf genoemd. Dit is de schoonzoon van Lucas. In de gemeentejaarrekening van 1772, 1773 en 1774 staat hij trouwens ook al vermeld voor de kerspelbelasting. In 1770 staat in het kerspelbelastingregister de naam van Lukes Jans vermeld.
Notitie bij Fenneken Herms: genoemd in een overzicht van Vriezenveners die weigerden de boerhaver te betalen in 1752 (AHA inv. nr.2778).
Alle kinderen van Hermen Schothorst staan vermeld in het Rekenboek van de Diaconie als personen die ondersteuning kregen. Schot Venne, Schot Griete, Schot Janna en Schot Wolter worden bijvoorbeeld alle 4 genoemd in het jaar 1740. De familie was dus zeer armlastig en behoorde tot de onderklasse van Vriezenveen.

312. Jan Berents, geb. omstr. 1700, † Vriezenveen vr 1741, tr.
313. Jenneken Jansen Maet (?), geb. omstr. 1700, † Vriezenveen na 1753.

Notitie bij Jan: Woonde op het Westeinde in de buurt van nummer 500 (huidige nummering).
Volgens het archief Jonker/Jansen is een zekere Jan Berends Olde die op het Schotsland woonde de vader van Klaas Jansen, ik ben deze naam niet tegengekomen. Wel is het zo dat Klaas Jansen zijn huis en erf op het Oude Scholland heeft (lijkt er wel op!) en is het zo dat hij vermoedelijk het "Scholthuis" zal hebben bewoond (bron: verpondingskohier van 1723 in combinatie met het hoofdgeldkohier van dat jaar). De belastingaanslag is vrijwel nihil. Het moet een arme familie zijn geweest.

In de belastingregisters komen we rond 1748 de weduwe Jan Berents tegen, echter met de volkstelling van 1748 staat ze niet vermeld. Wel staat Jenneken Jansen Maet vermeld op exact dezelfde plek als de wed. Jan Berents die feitelijk Jenneken Jansen heet. Ik kan niet anders dan concluderen dat Jenneken Jansen Maet identiek moet zijn aan aan de wed. Jan Berents.

In het hoofdgeldkohier van 1751 wordt de wed. Jan Berens voor 1 persoon met een bedrag van 2 stuivers belast. Dat was erg weinig. In 1752 is de aanslag zelfs nihil en worden 0 personen vermeld (mogelijk is Jenneken Jansen dan al overleden?). In 1758 staat Klaas Jansen met 3 personen vermeld en moet 14 stuivers worden betaald.
Notitie bij Jenneken Jansen: In de belastingregisters komt rond 1748 de weduwe Jan Berents gewoon tegen, echter met de volkstelling van 1748 staat ze niet als zodanig vermeld. Wel komt voor op de lokatie van het Oude Scholhuis (Westeinde 500 of daaromtrent),(daar waar Jan Berents iedere keer wordt vermeld in de belastingkohieren) de familie Maet. n van hen heet evenals de weduwe van Jan Berents, Jenneken Jansen. Ik vermoed dan ook dat ze identiek zijn. Wel bezorgt de met de volkstelling van 1748 bij haar inwonende Janna Derksen (kind boven 10 jaar) enige hoofdbrekens. Ik weet niet hoe ik haar in het geheel moet plaatsen.
Voor het laatst wordt de weduwe Jan Berents vermeld in de belastingkohieren van 1753. In 1758 staat zoon Klaas Jansen ("Jan Berents Klaas") in de belastingkohieren vermeld. De belastingkohieren tussen 1753 en 1758 zijn spoorloos.

314. Lukas Jansen Schoemaker, geb. omstr. 1695, † Vriezenveen na 6 sept. 1755, tr. omstr. 172267
315. Jenneken Berends, geb. omstr. 1695, † Vriezenveen na 1748.

Notitie bij Lukas Jansen: leefde nog volgens de huwelijksakte van zijn dochter Janna in 1755.
In 1734 staat Lucas Schoemaker niet vermeld in het register van de 1000e penning. Dat betekent dat zijn vermogen toen onder de 500 gulden moet hebben gelegen. In 1751 is de lijst uitgebreid tot de lagere vermogens en staat ook Lucas Schoemaker op de lijst met een vermogen van 400 gulden.

Lukas heeft een erf op het Westeinde (ongeveer nummer 320 huidige nummering) en heeft in 1735 2 akkers in eigendom die tot het "Albert Berents of Kraentien Leks Lant" behoren dat versplit is over verschillende eigenaren. In het kerspelbelastingkohier van 1758 staat als hoofdbewoner zoon Berent Lucassen op dit adres.

In het verpondings en contributieregister van 1723 staat op de locatie, waar Jan Lucassen [Schoemaker] volgens het hoofdgeldkohier van 1734 vermeld staat, ene Berent Snijder vermeld. Gezien het patroniem van de echtgenote (Jenneken Berends) zou hij de schoonvader van Lucas Jansen Schoemaker kunnen zijn (zie notities hierover bij echtgenote Jenneken).
In het vuurstedengeldregister van 1734 komt Lucas Jansen ("Luijkes jansen) reeds voor.

In 1748 tijdens de volkstelling heeft Lucas twee kinderen (Zwenne en Berent). In het boterpachtregister van ca. 1735 wordt Lucas genoemd als de eigenaar van ongeveer een halve akker land op Kraentje Leck of Albert Berendsland. Dit zogenaamde Albert Berendsland wordt gedeeld met Albert Berends (Grobben) en Berend Engbers Schoemaker.

Er zijn in de boterpachtregisters 2 Schoemakers te vinden die Jan heten rond 1720. Dat zijn Jan Hendriks Schoemaker, wonend aan het Westeinde bij het Midden en Jan Roelofs Schoemaker die ook wel Tout heet (bron boterpachtregisters; hierin staat letterlijk "Schoemaeker off Tout") die zijn erf verderop aan het Westeinde had. Ik ging er aanvankelijk van uit dat deze laatste de vader was. Onlangs stuitte ik bij toeval op de naam Luicas Schoemaker in het boterpachtregister van 1726. Dit moest wel de Lucas Schoemaker zijn die ik zocht. Hij stond bij het erf van Jan Frerix vermeld dat gelegen was op het Westeinde ter hoogte van nummer 260. Er was sprake van versplitsing van het erf en doorgaans is dit het geval bij boedelscheidingen. Dus lijkt hiermee redelijk vast te staan dat Jan Frerix de vader moet zijn van Lucas Jansen Schoemaker. Ook de naam Swennigjen van een dochtertje van Lucas kan nu verklaard worden. Zij zal vernoemd zijn naar een zuster van Jan Frerix die waarschijnlijk ongetrouwd overleed. Ook de naam Schoemaker was in deze familie een bekende naam. Een broer van vader Jan Frerix, Berent Frerix, noemde zich ook Schoemaker. Het heeft er alle schijn van dat Lucas schoenmaker van beroep zal zijn geweest en dit vak geleerd zal hebben van zijn oom Berent Frerix (zie ook notities bij de vader Jan Frerix).

Lucas Jansen Schoemaker is samen met Berent Henrixen Schuurman voogd van de weduwe van Frerik Pauwels van der Aa, genaamd Eesse Jansen Graave als deze samen met haar broer Jan Janssen Grave haar testament maakt. Ik vermoed dat het hier om een buurrelatie gaat en niet om familiebanden.
(16-03-1729 bron: archief schoutambt Vriezenveen; inv.nr. 2674).

23 juli 1731 is er een ruzie tussen Gerrit Jansen Vleege, Derk Timmer en Lucas Jansen Schoemaker ten huize van de kroeg van Jan ten Cate (ook wel de weert genoemd) (bron: AHA inv. nr. 3241).
Notitie bij Jenneken: Vermoedelijk is Jenneken Berends de dochter van: Berent Hendriks Hopster. Hij woonde eerder in het huis, dat later door zijn (vermeende) dochter Jenneken en haar echtgenoot Lucas Jansen Schoemaker wordt bewoond.

316. Derk Berends Schipper (dezelfde als 192 in generatie VIII), tr. Vriezenveen omstr. 1730
317. Lutje Derks Fayer (dezelfde als 193 in generatie VIII).

318. Jannes Prinsen, geb. Vriezenveen omstr. 1705, † ald. na 1769, tr. Vriezenveen omstr. 1732
319. Hendrikje Jansen Smit, ged. Vriezenveen 31 juli 1700, † ald. na 1771, tr. 1e omstr. 1721 Jan Wichers, ged. Vriezenveen 24 dec. 1699, † ald. omstr. 1731.

Notitie bij Jannes: mogelijk evenals zijn zoons koopman.
Jannes trouwt omstreeks 1732 in op het erf van de weduwe Hendrikje Jansen Smit. Dit erf gelegen aan het Westeinde 158 (huidige nummering) was afkomstig van de eerste echtgenoot Jan Wichers. Het erf omvatte 4 akkers, waarvan 2 akkers waren gelegen op het zogenaamde "Tuyt Harms Lant" . In 1764 wordt hij nog in het boterpachtregister genoemd.

In het register van de 1.000e penning uit 1734 en 1739 staat Jannes met een behoorlijk vermogen van 1500 gulden vermeld. In 1751 is dit geslonken tot 900 gulden en in het register van de 1.000e penning uit 1758 wordt het vermogen van dit echtpaar op 1138 gulden geschat (bron: Statenarchief).

Op 5 augustus 1737 wordt Jan Bom geciteerd voor het gericht van Huize Almelo te verschijnen. Hij had voor en tijdens de preek, op zondag dus, turf vervoerd op een wagen, deze was als bootvracht aangeleverd door Engbert Janssen Smit, Jan Lucas Hols en Jannes Prinsen, die ook geciteerd werden vanwege hun werkzaamheden op de heilige zondag (bron: AHA inv. nr. 2937).

In 1748 komt het gezin voor met 4 kinderen: Wieger Jansen uit het eerste huwelijk van Hendrikje en verder Jan, Jan Hendrik en Jenneken, alleen de laatste is jonger dan 10 jaar.
2 zoons van Jannes te weten Jan (gedoopt 3-5-1733) en Jan Hendrik (gedoopt 9-9-1736) waren Petersburger kooplieden (firma Jansen en gebroeders Prinsen). Bron: Vriezenveense Rusluie in het rijk der tsaren van J.Hosmar.

22-05-1756 wordt Jannes Prinsen genoemd in een akte van transport samen met zijn broer Berent Prinsen. Het gaat hierbij om 2 wanden bouwland, die eerder (op 20 febr. 1743) voor 80 car. guldens door Jenneken Arens, thans wed. van Roelof Smelt, waren verkocht aan wijlen Jan Prinsen [hun vader]. (bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

02-05-1764 akte van transport: Hendrik van Olde en Frederika ten Cate verklaren verkocht te hebben aan Jannes Prinsen een akker buiterland voor 230 car. guldens (bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).
Notitie bij Hendrikje Jansen: akte van transport: 01-07-1768 verkoop aan Jaccomina Harwig van een want bouwland (gemeenschappelijk met Wolter Leenders in eigendom hebbend), gelegen in het Olde Scholsland, door Henderikjen Jansen Smit, wed. van Jannes Prinsen, geassisteerd met haar schoonzonen: Henrik Roelofs Schuurman [gehuwd met Janna Jansen] en Jan Schipper [gehuwd met Jenneken Prinsen] voor het bedrag van 67 car. guldens.
-idem akte van transport: 01-07-1768 verkoop aan Wolter Leenders van een gaarden, gemeenschappelijk met Berent Prinsen, [zwager van Hendrikje Jansen Smit] in eigendom hebbend, voor 86 car. guldens (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).
-idem akte van tansport: 22-04-1769 nu geassisteerd met haar zoon Wieger Jansen en schoonzoon Henderik Roelofsen Schuurman een halve grasgaarden, gelegen in het zogenaamde Krikken Berentsland, gemeenschappelijk eigendom met de weduwe van Jan Derksen voor het bedrag van, aan Derk Jansen.
Notitie bij de geboorte van Hendrikje Jansen: bij de doop staat vermeld: Henrikjen dochter van "Jan Smit en zijne Huisvr."

Andr Idzinga koppelt Hendrikje Jansen Smit aan Jan Jansen Smit en Jennigjen Martens, ook een optie.

In het zoutgeldregister van 1702 staan vermeld Jan Smitt (pauper) evenals Marten Hendrix (ook pauper), de vader van Jennigje Martens. Dat is gelijk de reden dat ik denk dat de pauper Jan Smit identiek is aan Jan Smit gehuwd met Jennigje Martens.

Gezien de rijke familie waar Hendrikje Jansen Smit mee trouwt denk ik dat ze dan ook de dochter is van Jan Engberts Smit.
Overigens leeft er in deze tijd ook nog een Jan Wolters Smit (zoutgeldkohier 1702), hij is 3 gulden aan zoutgeld verschuldigd, dat is een heel groot bedrag. Als erfgenaam in 1708 wordt Hendrikje Jansen Smit echter niet vermeld, dus Jan Wolters Smit kan wat mij betreft als vaderoptie worden weggestreept.
Notitie bij het overlijden van Hendrikje Jansen: leeft nog op 8 maart 1771, als zoon Jan Hendrik huis en haard verkoopt aan zuster Jenneken en echtgenoot Jan Prinsen.

320. Teunis Jaspers, geb. omstr. 1670, † Vriezenveen vr 11 mei 1725,68 tr. 20 juni 1696
321. Geertjen Harmsen, geb. omstr. 1670, † Vriezenveen.

Notitie bij Teunis: evenals zijn vader staat Teunis Jasper (Tonnis Jaspers) in het zoutgeldkohier van 1702 als pauper te boek.
Notitie bij het huwelijk van Teunis en Geertjen: bij het huwelijk heet Tonijs Jaspers de zoon te zijn van Jasper Tonissen en Geertjen Hermsen de nagelaten dochter van Hermen Hendriks.

322. Gerrit Courtsen opt Hepel, geb. Wierden omstr. 1670, † ald. vr 1704, tr. Wierden 3 sept. 1693
323. Fenneken Jansen op de Wonde, geb. Almelo omstr. 1665, † Wierden?, tr. 2e Wierden 13 april 1704 Sijmon Hansses, geb. Wierden omstr. 1650, †?, zn. van Hans Simons en wedr. van Grietje Egberts in Hommes.

Notitie bij Gerrit Courtsen: mogelijk is de naam op’t Hepel eigenlijk op’t Hexel, een buurtschap tussen Vriezenveen en Wierden.
Notitie bij het huwelijk van Gerrit Courtsen en Fenneken Jansen: Ook in Almelo is een registratie van het huwelijk. Op 6-8-1693 vindt de vooraankondiging van het huwelijk plaats, terwijl beiden 30-8-1693 met attestatie naar Wierden vertrekken.

324. Lucas Berendsen Camp, geb. Almelo omstr. 1660, † Vriezenveen na 1742, tr. Vriezenveen 22 mei 1687
325. Gebbighjen Hermsen, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † Vriezenveen (?).

Notitie bij Lucas Berendsen: komt niet in de boterpachtregsiters van Huize Almelo voor. In het zoutgeldregister van 1694 staat hij als pauper vermeld onder de naam Lucas Camp. Ook in 1702 (zoutgeldregister) is dat nog steeds het geval.
Notitie bij het overlijden van Lucas Berendsen: Volgens het Rekenboek van de Diaconie van de Gereformeerde Kerk te Vriezenveen, ontving d’oude Camp Lucas op 20 augustus 1742 van de Diaconie 1 gulden en 2 stuivers.
Notitie bij het huwelijk van Lucas Berendsen en Gebbighjen: bij het huwelijk heet Lucas de zoon te zijn van Berent Arentsen en afkomstig uit het Gericht Almelo en Gebbighjen Harms is de nagelaten dochter van Hermen Hendriks op’t Vriesenveen.

328. Werner Hermsen, geb. Wierden omstr. 1645, † Vriezenveen na 1705, tr. Vriezenveen 11 juli 1681
329. Anneken Lamberts Knoop, geb. Vriezenveen 1648, † ald. na 1688.

Notitie bij Werner: herbergier. Vermoedelijk woonachtig op het Marrinerf aan het Oosteinde 116/120 (huidige nummering)

Claes Raphuijs brengt samen met Warner Herms in 1685 de heren Jan Berents Brouwer en Frerick Gerritsen Olde pachters van de bieren voor het hooggericht, zij eisen inzage in de boeken van uitgeslagen en vertapte bieren. Kennelijk was er een conflict. Waarschijnlijk was Warner evenals zijn zoon al herbergier en had het dispuut met de omzet in de kroeg te maken. (HAA inv. nr. 3097).
In en 1694 en 1702 is Warner Harms volgens het zoutgeldkohier een pauper en hoeft hij geen belasting te betalen (Statenarchief inv. nr. 2394).


Wordt in een strafdossier uit 1697 vermeld, naast Geertien Smith, ofwel de weduwe Smit Engbert, tante van de paardendief Egbert Jans, die een paard had gestolen in mei 1696 van Hendrik Berents Kruis en doorgeleverd naar Friesland. Daarnaast worden 2 ooms van de paardendief vermeld, te weten Roelof Jansen en Jan Jansen Broer. Het paard wordt op verzoek van de vrouw van Hendrik Berents Kruis uit Friesland teruggehaald door de Vriezenveners Jan Otten Berent en Werner Herms (bron: AHA inv. nr. 2937 foto 2008_0103c594).
Notitie bij Anneken Lamberts: hoewel Anneken bij haar huwelijk (zowel bij de ondertrouwregistratie te Vriezenveen als in Wierden de nagelaten dochter heet te zijn van Lambert Knoop te Vriezenveen, vermoed ik dat deze Lambert afkomstig is van Almelo waar de naam Knoop er veel voorkomt. De naam Knoop is geen Vriezenveense naam, voor zover ik het kan nagaan.
In Almelo komt de naam Lambert Knoop inderdaad in het juiste tijdsgewricht voor. In 1633 wordt hij genoemd als nagelaten zoon van Gerrit Knoop en Jenneken Berends (zie notities bij stiefgrootvader Swenne Witvoet, in 1633 weduwe van Gerrit Knoop.
Notitie bij de geboorte van Anneken Lamberts: Anna Knoops treedt in mei 1688 op als getuige in een gerechtelijk onderzoek, ze verklaart dan ongeveer 40 jaar oud te zijn (bron: Archief Huize Almelo inv. nr. 2932).
Notitie bij het huwelijk van Werner en Anneken Lamberts: het betreft het eerste geregistreerde huwelijk in Vriezenveen. Bijzonder is dat bij beide huwelijksregistraties (in Vriezenveen en Wierden) de vader van Werner niet vermeld staat. Slechts de aanduiding J.M. van Wierden staat vermeld.

330. Egbert Hendriks Spijcker, geb. omstr. 1645, † Vriezenveen omstr. 1702, tr.
331. N.N. Berends Krikke, † Vriezenveen vr 1687.

Notitie bij Egbert Hendriks: kastelein en winkelier?. Egbert Spijker is op 23-07-1686 n van de 8 slijters die op Huize Almelo hun maten en gewichten moeten laten controleren omdat een aantal slijters op Vriezenveen met ongeijkte gewichten zou werken. De andere 7 slijters waren Derk Spijker, Jan Gerritsen, Henrik Jansen Heineman, Berend Alberts, Grietje Claassen en Jan Wijchers. (HAA inv. nr. 3097). Bewoonde een erf aan het Oosteinde gelegen westelijk van het Marrinerf dat op het Oosteinde 119-121 is gelegen.

Woonde rond 1706 op het Oosteinde (in de buurt van de huidige Hofmansweg, zo ter hoogte van Oosteinde nummer 110 huidige nummering). In het belastingregister op het geslacht (bron: archief Kruijs,NIMH Den Haag) staan Lambert Waanders en Egbert Spijker naast elkaar vermeld op de locatie, waar in het boterpachtregister de landerijen van Berent Brouwer staan vermeld. Uit een latere schuldverklaring uit 1718 blijkt dat Lambert Waanders en Maria Spijker nog huishuur verschuldigd waren aan Berent Brouwer. Waarschijnlijk stammen deze schulden uit de periode van voor 1717. In dat jaar lenen ze 425 guldens, om hun nieuwe woning en landerijen te kunnen kopen. Dus rond 1717 moet het gezin een stukje oostelijker zijn verhuisd. Het jonge echtpaar zal gezien de gegevens van het belastingregister op het geslacht in het huis van de vader van Maria Spijker inwonend zijn geweest. In de huwelijksregistratie uit 1706 blijkt dat hij dan reeds overleden is. Echter in het belastingregister op het geslacht van 1707 staat de naam van Egbert Spijker evenwel nog steeds vermeld. Egbert zou op grond van deze informatie rond 1706 zijn overleden.
Echter op 14-02-1702 verschijnen Henrik Arents Buischer en zijn zuster Swenne Arents voor het schoutengericht en verklaren aan de E.L. Costers en Maria ten Caete een som van 636-17-11, -zijnde de gecedeerde (betaalde) penningen van wijlen Egb. Hinr. Spijker en waarvan op 6 febr. 16 versettingen hadden gepaseert en welke zijn geannuleert en nog van Berent Herms 79-14-0 en zijdelijck wegens verstrekte penningen een somma van 50-11-8.- welke comparanten beloven te verrenten, tegen 4 % per jaar, per kwartaal uit te keren. (bron: archief schoutambt Vr. veen inv. nr. 2673 foto 035). In 1702 is dus al sprake van een overleden Egbert Spijker.

Een zekere Egbert Hendriks Spijker wordt genoemd bij de trouwakte van zoon Hendrik Egberts Spijker op 8-8-1696 met Hendrikje Freriks.

In 1683 wordt Egbert Spijker vermeld in het vuurstedengeldregister.

In de administratie van rentmeester Boom zit een stuk uit 1687, waaruit blijkt dat rentmeester Boom aan de Heer van Almelo 10 gulden afdroeg vanwege een breuk van Egbert Spijckers vrouw en zulks op verzoek van Hendrik Spijkers vrouw op betreffende afrekening van Hendrik Spijker (aan de Heer van Almelo) gesteld (bron: AHA inv. nr. 985 foto 1510). Dit is een aardige aanduiding dat we hier met een verwantschap tussen beide personen te maken hebben.

Egbert Hendriks Spijker verkoopt in 1686-1687 2500 nagels aan de Heer van Almelo ten behoeve van de woning van de kooiker Egbert Berents Kooiker. De rekening hiervan is bewaard gebleven en ondertekend door Egbert Spijker met het kenmerk ES (bron: AHA inv. nr. 985 foto 1515). Van vrouws zijde was er een smitse en de spijkers zullen wellicht door schoonvader Berent Warners aan Egbert geleverd zijn. Kennelijk was hij doorverkoper van de nagels en mogelijk had hij evenals zijn dochter Maria later reeds een winkel bij zijn caf.

In het zoutgeldkohier van 1694 wordt genoemd de weduwe Spijcker, zij wordt aangeslagen voor 10 stuivers. Of het hier om Egbert gaat is zeer de vraag. Vermoedelijk gaat het hier om Aele Spijkers, de wedwue van Derk Spijker.
In de boterpachtkohieren is Egbert Spijcker niet te traceren. In het zoutgeldkohier van 1702 wordt Egbert niet vermeld, wel vermeld staat Aele Spijker. Zij bewoonde een pand, dat in de belastingkohieren ook bekend staat als het Spijkerhuis.

In het familiearchief van de familie Teunis zit een (helaas) onvolledige kopie van een akte uit 1687 van Maria Derx. In de akte wordt Egbert Spijker genoemd in verband met een erfdeling van zijn vader Berendt Warners. Egbert wordt heel verwarrend een kind van Berend Warners genoemd, terwijl hij de akte ondertekent met EHS (Egbert Hendriks Spijker). Wellicht was Egbert een stiefzoon of schoonzoon! Daarnaast worden broers en zusters genoemd die de familienaam Spijker niet dragen, zij heetten allen Berends. Genoemd worden Jan Berends, Werner Berends, Hendrik Berends.Verder worden nog genoemd Engele en Jenneken Berends. Mogelijk ook zijn deze twee dochters de dochters van zoon Jan Berends (de tweede ? echtgenoot van Maria) en dus de kinderen van Maria, wier erfrechten ze probeert veilig te stellen voor wat betreft de zijde van de overleden vader Jan Berents. Conclusie op grond van deze akte: de schoonvader van Egbert moet dus Berendt Warners heten. Er wordt nog een vierde, in 1687 al overleden zoon van Berendt Warners in de akte genoemd, te weten Jan Berends. De vrouw van Berent Werners heeft de akte opgesteld, het lijkt een boedelscheiding. Zij heet Marrije Dercks (ook Marreken genoemd) en als weduwe hertrouwt zij op 25 februari 1687 met Lucas Frericks Fronten (bron: trouwboek Hervormde Kerk Vriezenveen).
Doordat de akte niet volledig is zijn de conclusies met enig voorbehoud getrokken.

In 1687 is er een ruzie tussen Egbert Spijker en Hermen Smelt waarbij ze elkaar uitscholden voor "hoer en Eerdieff" (bron AHA inv. nr. 3245 foto 229). De boete van 10 gulden wordt via de vrouw van Egbert Spijker via de vrouw van Hendrik Spijker (de Hendrik Spijker met een hoge functie bij Huize Almelo) aan de Heer van Almelo gegeven (bron AHA inv. nr. 985 foto 1510). Wellicht was Hendrik Spijker een broer van Egbert Spijker.
Notitie bij het overlijden van Egbert Hendriks: In de huwelijksregistratie uit 1706 blijkt dat hij dan reeds overleden is. Echter in het belastingregister op het geslacht van 1707 staat de naam van Egbert Spijker nog steeds vermeld. Egbert zal dus rond 1706 zijn overleden.

14-02-1702 Henrik Arents Buischer en zijn zuster Swenne Arents aan de E.L. Costers en Maria ten Caete een som van 636-17-11, zijnde de gecedeerde penningen van wijlen Egb. Hinr. Spijker en waarvan op 6 febr. 16 versettingen hadden gepaseert en welke zijn geannuleert en nog van Berent Herms 79-14-0 en zijdelijck wegens verstrekte penningen een somma van 50-11-8.welke comparanten beloven te verrenten, tegen 4 % per jaar, per kwartaal uit te keren. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2673).

332. Hermen Klijster, geb. omstr. 1665, † Vriezenveen omstr. 1717, tr.
333. Geesje Jansen, † Vriezenveen (?) na 1726.

Notitie bij Hermen: zal zijn erf gehad hebben aan het Westeinde iets westelijk van Richtersland (bron: restanten verponding (Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2500), daar waar zijn vrouw Geese Klijster vermeld staat. [mogelijk identiek aan de pauper Hermen Lamberts vermeld in het zoutgeldkohier van 1694 en idem in 1702].
Notitie bij Geesje: de erven Schol eisen op 11 januari 1721 verpanding van de goederen van Gese Klijster vanwege een schuld van 33-10-4, vanwege geleverde winkelwaren (Bron: Sch. Ambt Vriezenveen inv. nr. 23).
In een overzicht van achterstallige belastingbetalingen opgemaakt in 1719 en omvattend jaren vanaf 1714 wordt Geese Klijster vanaf het jaar 1717 vermeld. Het lijkt erop dat echtgenoot Hermen Klijster toen reeds overleden was aangezien hij niet wordt genoemd.
Gese Klijster woonde aan het Westeinde in de buurt van Richtersland.

3-3-1724 testament Lambert Harms en Hendrikje Alberts enigszins ziek van lichaam maar gezond van geest, langslevende testament, moeder van testator Geesien Jansen komt haar legitieme portie toe, testatrice legateert aan Jan Alberts haar broers kinderen en haar zuster Geesien Alberts haar kinderen haar klederen, zowel wollen als linnen, uitgezonderd zal Henrikjen Harms daaruit hebben een blauw laken leiffien en de zwart gebloemde kroplappen en zal haar man krijgen van haar klederen, een zwarte rok en een zwarte schort. Verder is het een langstlevende testament. Langstelevende dient uit te keren aan Gods armen 10 gulden. Beiden ondertekenen met een kruisje (bron: 2674 Sch.a.v. 2007_1221b-069).


07-01-1726 testament Otto Gerritsen Pil en Aaltje Harmsen, testament op langstlevende, Aaltje testeert aan haar moeder Geesje Jansen die dan dus nog leeft haar legitieme erfdeel (Bron: Sch. Ambt Vriezenveen inv. nr. 2674).

334. Berent Frerix Schoemaker, geb. Vriezenveen omstr. 1650, † ald. omstr. 1718,69 tr. 1e Eefse Janssen, geb. omstr. 1660, † Vriezenveen vr 8 aug. 1685; tr. 2e Vriezenveen 23 aug. 1685
335. Hendrikjen Fredriks Fronten, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald..

Notitie bij Berent Frerix: bewoonde een erf in de buurt van zijn broers ter hoogte van Westeinde 260 (bron: boterpachtregisters).
Voor het eerst in het boterpachtregister van 1682 vermeld. het erf is een afsplitsing van het ouderlijk erf. In 1718 komt Berent Frerix naam voor het laatst in de boterpachtregisters voor. Mogelijk is hij dan reeds overleden. De boterpacht wordt dan namelijk voldaan door de vrouw van Gerrit Hermsen (de helft) en Eefse (de andere helft). Gerrit Hermsen wordt in een ongedateerd boterpachtregister (opgeborgen in toegang 214 inv. nr. 1684 jaar 1668) geschatte datering 1720, ook met de naam Klijster aangeduid. In dat ongedateerde register wordt de helft van de boterpacht voldaan door Gerrit Hermsen Klijster en de andere helft door Engbert Jansen Kleijne. Gerrit Hermsen Klijster was gehuwd met Eefse Berends. Zij zal identiek zijn aan de Eefse genoemd in het boterpachtregister. Aangezien Gerrit Hermsen Klijster het kleine akkertje rond 1719 verwerft (later als eigenaar ervan vermeld aan het Oosteinde) en het patroniem van zijn vrouw Berents is, lijkt de kans redelijk groot dat het hier om de schoonzoon van Berent Frerix Schoemaker gaat. Engbert Jansen Kleijne was gehuwd met Hendrikjen Jansen. Verwantschap tussen hen en Berent Frerix Schoemaker is zo op het eerste gezicht niet aan te tonen. Mogelijk was Engbert Jansen Kleijne eerder gehuwd geweest met een dochter van Berent Frerix die dan rond 1719 overleden moet zijn aangezien het eerste kind van het echtpaar Kleijne-Jansen al in 1712 wordt gedoopt (zie website Andr Idzinga; Vriezenveners.nl; http://www.vriezenveners.nl/genealogie/getperson.php?personID=I21438&tree=vv)
Het erf was iets meer dan een akker groot. Waarschijnlijk zal Berent, zoals z’n naam al doet vermoeden, schoenmaker zijn geweest van beroep. Aangezien ook Lucas Jansen Schoemaker, de zoon van zijn broer Jan Frerix, zich later Schoemaker noemt lijkt het erop dat deze zijn vak heeft geleerd bij zijn oom Berent.

21-02-1700 Berent Freriks en Henrikjen Freriks zijn schuldig aan de mombaren vanwege zijn kind Frerik Berents moederlijke goed met name Jasper Freriks en Jan Alberts Smit 543 gulden en 10 st. en dan nog vanwege gedane kosten voor het verrenten van de som tegen jaarlijks 4% onder hypotheek van eigen huis en erf aan de Kerkweg gelegen inde landerijen van Jan Frerijxs, oostert Henrik Claassen westert Jan Freriks, verder een vierendeel woestenland, oostert Brinckhuisland westert Berent Herms cs alsnog 1/4 bovenwegsland oostert de wed. jan Fronten westert, wed. Cort Pouwels (bron: archief schoutambt Vr. veen inv. nr. 2673 foto 004).

De naam van de echtgenote van Berent staat bij geen enkele doop van de kinderen vermeld, wel bij het huwelijk.

336. Koert Gerritsen Wonde, geb. Wierden omstr. 1690, † ald. vr 9 sept. 1742, tr. Wierden 10 febr. 1715
337. Aele Jansen, ged. Wierden 10 aug. 1693, † ald..

Notitie bij het huwelijk van Koert Gerritsen en Aele: transcriptie van Gerard Jansen te Hoofddorp:
TrB Wierden:19-01-1715;10-02-1715;Coert Garritsen N:S: van Garrit Woltersen, met Aelle Jansen j..Dogter van Jan Arens beijde ahier.

338. Jan Hermsen Bom, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen omstr. 1740,70 tr.
339. Geertje Lubberts, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen na 1748.71

Notitie bij Jan Hermsen: genoemd in het verpondingsregister van 1723 en het boterpachtregister van ca. 1735. Heeft een klein stukje land (1/4 akker) op het oude Jan Doddeland. Hij zal het pand Westeinde nummer 85 hebben bewoond, waar later zijn dochters Geertje en Swenneken met hun echtgenoten woonden (bron: belastingregisters en volkstelling 1748). Of hij al slager was, evenals zijn kleinzoon Jan Bom, die dit erf weer in haar geheel bewoonde is onduidelijk. Gezien z’n geringe landbezit zal hij geen landbouwer zijn geweest.
Wordt genoemd in een gerechterlijk vooronderzoek inzake een incident (steekpartij tussen Pieter Harwig en Fredrik Jansen Dodde) op 17-8-1735, dat plaats vond in het huis van Jan Harmsen Bom, het gerechtelijk onderzoek vind pas plaats in 1739 (inv. nr. 2932 Huisarchief Almelo).

Op 5 augustus 1737 wordt Jan Bom geciteerd voor het gericht van Huize Almelo te verschijnen. Hij had voor en tijdens de preek, op zondag dus, turf vervoerd op een wagen, deze was als bootvracht aangeleverd door Engbert Janssen Smit, Jan Lucas Hols en Jannes Prinsen, die ook geciteerd werden vanwege hun werkzaamheden op de heilige zondag (bron: AHA inv. nr. 2937).
Notitie bij Geertje: 1748 als de weduwe Jan Bom inwonend bij haar dochter Geertje Jansen Bom en Jan Coerts.

340. Hendrik Gerrits ten Cate, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen vr 25 juni 1716,72 tr.
341. Aaltje Jansen, geb. Vriezenveen (?) omstr. 1690, † Vriezenveen vr 1716.

Notitie bij Hendrik Gerrits: Hendrik bewoont vanaf ca. 1713 (tenminste dan staat hij als hoofdbewoner vermeld in de boterpachtregisters) een erf aan het Westeinde (in de buurt van nr. 540 huidige nummering) het erf is aanvankelijk 4 akkers breed en was voor hem bewoond door zijn vader; In het register van de 1000e penning van 1715 (Statenarchief inv.nr. 2547 staat Hendrik Gerrits vermeld met een eigen vermogen van 1.000 gulden;

Op 25-06-1716 maakt een zieke Hendrik Gerrits ten Cate zijn testament, kennelijk is zijn vrouw dan ook al overleden, want zij wordt niet genoemd in het testament. Tot zijn erfgenaam benoemt hij zijn kind Gerrit Hinricksen ten Caathe en mocht deze zonder erfgenamen overlijden, dan vermaakt hij zijn land en have aan zijn broers met name:
-Gerrit Gerritsen ten Caathe
-Jan Gerritsen ten Caathe
-Frerik Gerritsen ten Caathe en verder zijn halve broer
-Berendt Gerritsen ten Caathe
-Gods armen 75 gulden
(bron: archief schoutambt Vriezenveen; inv.nr. 2674).

Op 04-01-1718 lenen de voogden (Berent ten Cate en Arend Bartels) van de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Gerrits ten Cate 600 car. guldens tegen 4 procent aan Lucas Harmsen Hospis en zijn vrouw Henrikjen Engberts (bron: archief schoutambt Vriezenveen; inv.nr. 2674).

Volgens het verpondings en contributieregister van 1723 bewoont Jan Gerrits ten Cate in dat jaar reeds het erf. Hij zal dit erf van de broers van Hendrik hebben gekocht .

342. Jan Bartelsz Dodde, geb. Vriezenveen omstr. 1680, † ald. na 1748, tr.
343. Jennighjen Frericks ten Cate, geb. Vriezenveen omstr. 1680, † ald. vr 1748.

Notitie bij Jan Bartelsz: Bij de volkstelling van 1748 is hij inwonend bij zijn zoon Frerik Jansen Dodde. De familie woont op het Westeinde, dichtbij het Midden in het huis dat later bekend staat als het Mottenhuis (nr. 114-118 huidige nummering). Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 186. Ook woont een zekere Trijntje Jansen bij de twee in. Dat is een dochter van Jan Bartelsz. Dodde. Het erf beslaat 2 akkers (o.a. in het boterpachtregister van 1724). Jan Bartels Dodde wordt in de boterpachtregisters in elk geval vanaf 1713 genoemd.
Zowel in het hoofdgeldkohier van 1752, als van 1760 wordt "Frederyk Doede" genoemd als gezinshoofd van 2 personen. In 1752 worden zij aangeslagen voor 85 cent, maar in 1760 is het gezin duidelijk in mindere doen en bedraagt de aanslag nog slechts 50 cent, daarmee was de Doddefamilie toch behoorlijk op de maatschappelijke ladder gedaald, zo lijkt het. Jan Bartelsz zal in 1752 zijn overleden, want Trijntje Dodde wordt als gezinshoofd nog genoemd in het dienstbodengeldregister van 1790. Ook broer Frerik zal toen niet meer hebben geleefd anders zou hij als man zijnde wel als gezinshoofd zijn vermeld. In elk geval 2 zonen van Jan Dodde beproeven hun geluk in Amsterdam, te weten Jan en Gerrit. Ze huwen daar en zijn woonachtig in de Jordaan.

Op 26-11-1712 spreekt dokter Liens (lees advocaat) Jan Bartels Dodde aan voor de niet betaalde som van 4 gulden en 9 stuivers vanwege verrichte werkzaamheden (bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 22). In 1713 speelt de zaak nog steeds.
Notitie bij Jennighjen Frericks: haar laatste dochter Trijntje werd in 1722 gedoopt. Tijdens de volkstelling van 1748 leefde ze niet meer.

344. Roelof Hendriks Schuurman, geb. Vriezenveen omstr. 1625, † ald. vr 1683, tr. Vriezenveen omstr. 1657
345. N.N. Berends, geb. omstr. 1645, † Vriezenveen na 1704.

Notitie bij Roelof Hendriks: bewoonde een erf aan het Westeinde in de buurt van nummer 380. Overleden voor 1683. In dat jaar wordt in het boterpachtregister zijn vrouw al vermeld als de weduwe Roelof Hend. Schuurman. Zijn naam wordt in het boterpachtregister bij dit erf echter al genoemd in 1657 als de hoofdbewoner van het erf van Roelof Hendriks. Berent Willems nog staat vermeld, waarschijnlijk zijn schoonvader. Vermeld staat dan bij de naam van Berent Willems, "hier komt bij 2 akkers van Roelof Hendriks. Eerder stond de naam van Roelof Hendriks vermeld bij een erf een stuk westelijker op het Westeinde, ik schat ruwweg in de buurt van nummer 500. Ik denk dat hij rond 1657 in het huis van zijn schoonfamilie trok.

In 1682 werd de naam van Roelof voor het eerst genoemd in het boterpachtregister voor wat betreft de locatie Westeinde 380. Hij betaalt dan de helft van de boterpacht voor Berent Willems (voor 2 van de 4 akkers). Ik vermoed dat Berent de schoonvader van Roelof is. In 1683 staat als opvolger van Berent Willems vermeld "nu Roelof Berents". Dit zal waarschijnlijk een zoon van Berent Willems zijn en dus een (vermoedelijke) zwager van Roelof. Het erf van Berent Willems raakte dus versplit tussen deze 2 personen.

In 1681 staat in het boterpachtregister dat de boterpacht van het erf van Roelof Jansen (in de buurt van de Peddemorsboerderij aan het Westeinde) voor 2 pond boter wordt voldaan door Tuijterties vrouw en Roelof [Hendriks] Schuurman. In 1682 wordt de naam van Roelof Henrix voor dit erf voor 2 pond boter (1/2 akker) vermeld nu samen met de naam Jan Arentsen die ook 2 pond boter betaald van de in totaal 29 1/2 pont boterpacht die op het erf van Roelof Jansen rustte. Ook in 1683 wordt de naam "Roelof Henrixen Schuerman" met betrekking tot dit erf genoemd, dit maal samen met de naam Berent Jansen Tuitertien. Of er een familierelatie bestaat tussen dit erf en Roelof Schuurman is onduidelijk, maar behoort zeker tot de mogelijkheden.

Het is niet met zekerheid te zeggen, maar ik vermoed dat Hendrik Geertz, alias Schuren Hendrik, de vader is van Roelof Schuurman. Deze veronderstelling is afgeleid van het patroniem Hendriks en de alias Schuren. En de lokatie aan het Westeinde waar Roelof Hendriks Schuurman zijn erf had naast dat van Hendrik Geerts (alias Schuur Hendrik) is een mogelijke indicatie dat we hier met verwanten te maken hebben. Zie ook notities bij vader Hendrick Geerts Schuurman.

Anderzijds is er in het archief van Huize Almelo een schuldverklaring te vinden van een zekere Berent Jansen en zijn huisvrouw Anne van Elst aan Roloff Schuirman en zijn vrouw Eeriese (?) op’t Vriesenveene. Het eerstgenoemde echtpaar verklaarde 100 goldgulden schuldig te zijn aan het Vriezenveense echtpaar. Roloff zijn een grootvader kunnen zijn van deze Roelof Schuurman. In de boterpachtkohieren komt in deze periode overigens geen Roelof Schuurman voor. Wel staat er in het boterpachtregister van 1632 een Roelof Hendriks, die zijn erf heeft aan het Westeinde in de buurt van Hendrik Schuurman (bron: AHA inv. nr. 3115).


Of Hendrik, Judith, Gerrit en Jan allen met zekerheid kinderen zijn van Roelof Hendriks Schuurman is niet met 100% zekerheid te zeggen.
Voor Judith en Jan is dit wel vrijwel zeker Jan vanwege de overname van zijn vaders erf en Judith vanwege de trouwregistratie waarbij ze de nagelaten dochter heet te zijn van Roelof Hendriks Schuurman. Hendrik en Gerrit heten beiden de nagelaten zonen van Roelof Hendriks te zijn, zonder de Schuurmantoevoeging. En het probleem is, er waren meerdere Roelof Hendriksen in deze periode. In het boterpachtregister van 1688 komen er 3 voor aan het Westeinde (inclusief de weduwe van Roelof Hendriks, de echtgenote van Roelof Hendriks Schuurman) en er was ook nog een Hendrik Roelofs Huisman aan het Oosteinde. In het boterpachtregister van 1705 (opgemaakt in 1706) worden nog steeds Hendrik Huisman vermeld en een Hendrik Roelofs ergens aan het eind van het Westeinde. Kennelijk (hoewel je voorzichtig moet zijn met dergelijke conclusies) leefden deze personen toen nog en voldoen dus in elk geval niet aan de definiering bij de huwelijksregistratie "nagelaten zoon/dochter van". Wat betreft de derde Hendrik Roelofs is het op z’n minst opmerkelijk te noemen dat dit erf in 1705 bewoont werd door Jasper Fredriks, gehuwd met Judith Roelofs Schuurman. Maar aangezien zij met familienaam de nagelaten dochter heet te zijn van Roelof Hendriks Schuurman, moet dat wel op toeval berusten.....tenzij er twee Roelof Hendriksen Schuurman waren, maar daar heb ik verder geen aanvullende aanwijzingen voor.
Als we naar het zoutgeldkohier van 1694 kijken, dat in tegenstelling tot de boterpachtregisters alle gezinshoofden zou moeten bevatten van die tijd, blijkt dat er merkwaardigerwijs slechts 1 Roelof Hendriks voorkomt en in 1702 is er berhaupt slechts 1 persoon met de voornaam Roelof en dat is Roelof Smelt en deze had als patroniem Jansen! Wel komen er in 1702 diverse personen met het patroniem Roelofs voor, waaronder Jan (2x), Hendrik (1x) en Gerrit (1x). Allen behoorden tot de wat beter gesitueerden aangezien ze werden aangeslagen voor de zoutgeldbelasting. In het vuurstedenregister van 1683 komt alleen Roelof [Hendriks] Huisman voor. Ook hier zou je verwachten dat alle hoofden van huishoudingen in Vriezenveen genoemd zijn.
(copyright Erik Berkhof, Onweersberkhof.com)
Notitie bij N.N.: wordt in het boterpachtregister van 1704 over 1703 genoemd als de wed. Roelof Hendrix Schuurman. Heeft 2 akkers land. patroniem is afgeleid van vorige bewoner van het erf Berent Willems. Dit is wel hypothetisch overigens.

346. Derk Egberts Scholten, geb. Vriezenveen omstr. 1650, † ald. na 5 maart 1699, tr.
347. Trine N.N., † Vriezenveen.

Notitie bij Derk Egberts: (leeft nl. nog bij het huwelijk van zijn dochter Trientjen Derx met Wolter Henrix Krol op 5-3-1699). Wordt dan met de familienaam Scholten aangeduid.

Het is moeilijk een harde link te vinden naar de boterpachtkohieren. Maar al zoekende kwam er toch wel n en ander boven water.
Weliswaar staat er van 1679 tot 1701 een Derk Egberts in de boterpachtkohieren genoemd, echter nooit met de aanduiding Scholten of Schulten. Deze Derk heeft een erf dicht bij de N.H.kerk aan het Westeinde. Het erf is verworven uit het erf van vader Egbert Derksen. In 1701 wordt deze Derk Egberts voor het laatst genoemd. Opvolger van het erf is dan zijn schoonzoon Arent Hendriks, die met zijn dochter Jenneken Dirx is getrouwd.
Notitie bij Trine: vermeld in het boterpachtregister van 1723 als de wed. Trine.

348. Arent Hendriks Nip, geb. omstr. 1685, † Vriezenveen na 1723, tr. 2e omstr. 1725 Berendjen Hendriks, geb. omstr. 1700, † Vriezenveen na 1729, dr. van Hendrik Coops (Koobs) (zie 446) en Geesjen Janszen (zie 447); tr. 1e Vriezenveen (?) omstr. 1708
349. Jenneken Coops, geb. omstr. 1683, † Vriezenveen vr 5 febr. 1727.73

Notitie bij Arent Hendriks: Arent Nip had zijn woning aan het Oosteinde 246-248 (huidige nummering). Hij moet in armoede hebben geleefd. In het verpondings en contributieregister van 1723 wordt hij aangeslagen voor een schamele 2 stuivers en 16 penningen en dat was erg weinig. De woning van dit gezin heeft waarschijnlijk gestaan op de ouderlijke gronden, die echtgenote Jenneken Coops waarschijnlijk in het huwelijk had ingebracht. Haar vader Coop Berends woonde namelijk op ongeveer dezelfde locatie. Alle mannelijke kinderen van Arent hadden problemen belastingen op te brengen en worden doorgaans niet in de belastingregisters vermeld. Echte armoedzaaiers dus. Op 5 mei 1739 schenkt de gemeente van Vriezenveen, in het kader van de armenzorg en met instemming van de kerkmeesters, die de lokale armenzorg in hun beheer hadden, een koe ter waarde van 4 gulden aan de zoon van Arent Nip.

Op 05-02-1727 benoemt Aaltie Gerritsen, de moeder van de dan reeds overleden Jenneken Coops de kinderen van haar ’om bijzondere redenen" tot enig en universeel erfgenaam. Ze worden met name genoemd, het zijn Coops, Hinrik en Klaas Hinrixen. Kennelijk is Klasina/Clasijntje jeugdig overleden.
Dochter Grietje, gehuwd met Willem Jansen Post worden 200 gulden kwijtgescholden die ten laste van dit echtpaar staat (100 gulden van voor de meting (?) en 100 gulden aan krediet ten laste van Willem Post).
De reden dat de kinderen van Jenneken tot universeel erfgenaam zijn benoemd is als volgt in het testament verwoord:
"uijt consideratie om dat de overledene dogter Jenne en haar man Arent Hinrixen 10 iaaren gedient heeft en al haar werck gedaan heeft sonder een pennink daer voor te genieten. Alsoo ook de soone Koobes die mede 16 iaaren heeft gedient ook sonder een duijt loon daarvoor te trekken".
(Archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2674).

350. Hermen ter Schothorst, ged. Delden (?) 5 febr. 1654, † Vriezenveen na 1723, tr. 1e vr 1691 Hinderkjen vant Meulenbelt, † Almelo vr 3 mei 1691; tr. 2e (ondertr. Almelo 3 mei) 1691 Fennigjen Hendriks, † Almelo vr 6 okt. 1694;74 tr. 3e Almelo 4 okt. 1694
351. Geertjen Jansen, geb. Vriezenveen omstr. 1670, † ald. vr 1748.

Notitie bij Hermen: woont volgens de huwelijksaantekeningen op de Schelfhorst te Almelo. Later bewoont hij volgens Herman Jansen (Ken uw dorp en heb het lief, blz. 174) het erf Geesterenseweg 8 (huidige nummering). Kennelijk is hij na zijn 3e huwelijk in 1694 met de Vriezenveense Geertje Jansen in Vriezenveen gaan wonen.
In 1702 staat hij in het zoutgeldregister als pauper te boek.


Het erf Schothorst is trouwens gelegen in het buurtschap Bornerbroek en komt als zodanig al bij de verponding van het jaar 1475. In het verpondingsregister van 1601 staat vermeld dat het erf toebehoorde aan het erf Arckinck. Tenminste er staat vermeld "gehoerich in Arckinck". Het erf had in 1601 een behoorlijke omvang "groeth 8 1/2 mudde boulandes, gifft jaerlix 7 mudde roggen, 2 dach hoilandes, 3 mudde boeckweiten, den thenden in den convente Winssen. 1 1/2 dach hoylandes". Bron: verpondingsregister 1601 , transcriptie uitgegeven 1985 door "Oudheidkamer Twente".

In Almelo woonde overigens in de 2e helft van de 17e eeuw ook een familie Schothorst. In 1679 staan in het belastingregister van Almelo op het gemaal en de beesten vermeld Schothorst en "die soene Egbert", elk met een eigen aanslag. In het register van 1681 staat Egbert dan onder de naam Spijker vermeld. (bron: AHA inv. nr. 2691).

Alle kinderen van Hermen Schothorst staan vermeld in het Rekenboek van de Diaconie als personen die ondersteuning kregen. Schot Venne, Schot Griete, Schot Janna en Schot Wolter worden bijvoorbeeld alle 4 genoemd in het jaar 1740. De familie was dus zeer armlastig en behoorde tot de onderklasse van Vriezenveen.
Notitie bij de geboorte van Hermen: mogelijk identiek aan Hermen gedoopt in 1654 te Delden (05-02-1654; den 5 febr: Joan ter Schotthorst sijn kindt aengegeven sal genoemt worden Hermen).
Notitie bij het overlijden van Hermen: nog genoemd in het verpondings en contributieregister van 1723 onder de naam "Schothorst", zonder vermelding van een voornaam (archief Huize Almelo inv. nr. 2739). In het hoofdgeldkohier komt op dezelfde locatie de naam Man Broer voor, waarbij Man waarschijnlijk staat voor de afkorting van Hermannus.
Notitie bij Geertjen: genoemd de weduwe Broers in het vuurstedengeldkohier van 1741.
Notitie bij het huwelijk van Hermen en Geertjen: ondertrouwregistratie luidt te Vriezenveen als volgt: Hermen ter Schothorst op de Schelfhorst weduwnaar van wijlen Fennigjen Hendriks des Gerigs Almelo met Geertjen Janssen N.D. van wijlen Jan Janssen van’t Friesenveen.

Op de website van Afina Broekman staat een transcriptie van de Almelose huwelijksinschrijving die als volgt luidt:
"09 Sep 1694; 04 Oct 1694; op att.; Harmen; ter Schiphorst; weduwnaar Fenneke Hendriks van de Schelfhorst, uit de Heerlijkheid; ; ; Geertje Janssen; ; van ’t Vriezenveen; Jan Berentsen;"
Opmerkelijk is dat Geertje Janssen in Almelo de dochter van Jan Berentsen heet te zijn, terwijl ze in Vriezenveen de nagelaten dochter van Jan Janssen heet te zijn. IK ga ervan uit dat de Vriezenveense huwelijksaantekeningen betreffende de vader van Geertje Janssen kloppen, daar kwam ze immers vandaan.

352. Berend Berendsen Hollander, geb. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. omstr. 1735,75 tr. omstr. 1715
353. Berendje Gerrits, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen omstr. 1742.

Notitie bij Berend Berendsen: Bewoonde het erf Oosteinde 281-283, bekend als het "Hollnderspil". (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 121).
Wanneer hij exact voor het eerst voorkomt als eigenaar van het goed is onduidelijk aangezien zijn vader ook Berent Berentsen Hollander genaamd was en deze al vanaf 1690 vermeld wordt.

Het is een groot erf voor zijn tijd, dat bestaat uit 6 akkers (1729).
In het register van ca. 1735 staat als eigendom van de wed. Berent Hollander vermeld, 4 akker met broekland en 3/4 akker woestenland, dat wil zeggen veengrond. Daarvoor is Berent jaarlijks aan de Heer van Almelo 27 pond boter verschuldigd.
In het boterpachtregister van 1736 staat de weduwe Berent Berentsen Hollander vermeld, het erf was toen 6 1/2 akker groot. In het boterpachtregister van 1743 staan de kinderen van "de Hollander" als eigenaar van het goed genoemd, ook de moeder Berendje Gerrits zal dan zijn overleden. Het erf wordt overgenomen door een schoonzoon, Jannes Berentsen (ook wel Koertsen genoemd), hij was gehuwd met Janna Berentsen Holland. Ook de broer van Janna Jan blijft op het ouderlijk erf wonen, gezien de volkstellinggegevens van 1748. De schoonzoon Jannes staat in het boterpachtregister van 1752 als eigenaar van het goed vermeld en met een aanzienlijk vermogen dat in 1751 geschat op 1.400 gulden en een extra 200 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde. De overige kinderen van Berent Holland worden gezamenlijk een vermogen van 250 gulden toegedacht. (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). Ook in de kohieren van de 1.000e penning uit 1734 en 1739 werd Berents vermogen al geschat op 1500 gulden (Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2550 en 2553).

Opmerkelijk is dat Berent Hollander nog in het hoofdgeldkohier genoemd wordt van 1737. Hij moet dan, gezien de informatie uit de boterpachtregisters, toch al overleden zijn in ca. 1735. De familie wordt aangeslagen voor 3 personen en moet 1,50 betalen, dus 0,50 per persoon. Dat ligt iets boven het gemiddelde van 0,46 cent in dat jaar.
Notitie bij Berendje: Zij wordt als de weduwe van Berent Hollander in het boterpachtregister van 1736, opgemaakt in 1737 nog genoemd. In het boterpachtregister van 1743 staan de kinderen van "de Hollander" als de eigenaar vermeld. Ook het hoofdgeldkohier uit 1742 spreekt over de kinderen Holland. Omstreeks 1743 zal dan vervolgens zoon Berend het erf hebben verworven, hij staat dat jaar in het hoofdgeldkohier als de hoofdbewoner vermeld.

354. Wolter Gerrits Koster, geb. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. omstr. 1768,76 tr.
355. Fenneken Roelofs (van Olde), ged. Vriezenveen 21 april 1700, † ald. na 1772.77

Notitie bij Wolter Gerrits: tapper.Zijn schoonvader baatte eerder een caf uit op ditzelfde erf. Wolter Gerrits komt diverse keren voor in de gemeenterekeningen in verband met drankrekeningen oa 1754 (Bron: Statenarchief inv. nr. 4871).

Bewoonde een erf, helemaal aan het begin van het Westeinde (aan de kant van Wierden). Was ingehuwd in het huis van zijn vrouw, wier erf hij overneemt. In 1737 wordt Wolter voor het eerst als hoofdbewoner genoemd in de belastingregisters (hoofdgeldkohier). In 1736 stond de weduwe Alle (de moeder van zijn echtgenote) nog als hoofdbewoonster vermeld.

Ook schoonzoon Jan Roelofs die later dit erf bewoont is tapper van beroep (bron: volkstelling 1795).

In 1760 wordt Wolter in het hoofdgeldkohier aangeslagen voor 5 personen en moet betalen 1,80 dat is 0,35 per persoon en dat lag daarmee iets onder de gemiddelde aanslag van 0,39 per persoon voor Vriezenveen. Wordt in de belastingkohieren doorgaans met de naam Gerrits aangeduid. In het hoofdgeldkohier van 1744 staat hij evenwel met de naam Coster aangeduid. Bij de volkstelling van 1748 heeft het gezin 3 kinderen boven de 10 jaar nl. Kunnegien, Gerrit en Henrikje en 2 kinderen onder de 10 jaar nl. Albert en Aeltjen.

Volgens het register op de 1.000e penning uit 1751 werd het vermogen van Wolter op 300 gulden geschat.
Notitie bij het overlijden van Wolter Gerrits: In 1768 nog vermeld in het kerspellastenregister van de gemeente, in 1769 staat er de wed. Wol. Coster vermeld (AHA 2768).In het register van 1771 staat Jan Roelofsen als hoofdbewoner vermeld. In het belastingregister op het geslacht van 1768 staat reeds vermeld: de wed. Wolter Gerrit Coster. In 1772 staat in dit register Jan Roelofs als hoofdbewoner.
Notitie bij Fenneken: Volgens Andr Idzinga (Vriezenveners.nl) zou ze Olijslager heten, ik hou het voorlopig op een dochter van Roelof Jansen de Olde. Deze heeft in elk geval een dochter Fenneken laten dopen en de vernoeming van n van de kinderen naar de grootmoeder Aeltjen is dan ook verklaard.

Transportakte: 04-01-1772 verkoop door Fenneken Roelofs wed. van Wolter Gerrits Koster van haar landerijen, gedeeltelijk gezamenlijk eigendom met Jan Broens, gelegen tussen het erf van Wolter van Uitert (oostwaarts) en Frerik Scholten (westwaarts). Het geheel wordt voor 350 gulden verkocht aan Roelof Jansen en Jan Tijhof.
Idem 06-04-1772 verkoop door Fenneken Roelofs (geassisiteerd met haar zoon Albert Wolters Koster) van land voor 190 gulden aan Jan Broens
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677)
Notitie bij de geboorte van Fenneken: gedoopt als Fenneken dv Roelof Janzen en Aeltjen Otten.

356. Jan Jansen Euben (alias Scheeper Jan), geb. 1686, † Vriezenveen omstr. 1750, tr. omstr. 1708
357. Grietjen Jansen, geb. omstr. 1685, † Vriezenveen na 1759.

Notitie bij Jan Jansen: kerkmeester, hiertoe gekozen in mei 1730 (AHA inv. nr. 2737). Ook in 1733 als kerkmeester vermeld (AHA inv. nr. 3078).Ook Aben, Auben of Euben of Scheeper Jan (hoofdgeld 1723) genoemd. Heeft een erf ergens in het midden van het Oosteinde (in de buurt van nummer 249 zie Ken uw dorp en heb het lief blz.115). Wordt in het hoofdgeldkohier van 1737 als Jan Aben aangeslagen voor 4 personen en moet 1,80 betalen, dat is 0,45 per persoon, een meer dan gemiddelde aanslag.
In het boterpachtregister van ca. 1735 genoemd, heeft dan drie akkers land, maar een deel van de boterpacht (de helft) moet hij afstaan aan de tweede predikant van Almelo ds. Metelencamp. Voor Jan Euben woonde Willem Kleisen op dit erf.
In het boterpachtregister van 1755 nog genoemd. Echter in het hoofgeldkohier van 1750 wordt de wed. Jan Aben genoemd en dus moet Jan toen reeds overleden zijn.
Schrijft zijn eigen naam als Aeben (bron: gemeentejaarrekening 1736). Is dat jaar betrokken geweest bij de belastingheffing van de verponding, hij brengt daarvoor bij de gemeente Vriezenveen in rekening 7 dagen werk, is 3 gulden en 10 stuivers.
In het zoutgeldkohier van 1702 komt Aeben Jan voor als pauper. Dit zal de vader van Jan Jansen Ueben zijn.
Notitie bij de geboorte van Jan Jansen: is in 1733 getuige bij een rechtzaak en verklaart dan 47 jaar oud te zijn (AHA inv. nr. 3078).
Notitie bij het overlijden van Jan Jansen: in het dienstbodengeldregister van 1750 staat vermeld de wed. Jan Aben.
Notitie bij Grietjen: Op 1 april 1759 maakt de wed. Jan Jansen Euben, Grietje Jansen haar testament. Erfgenamen zijn haar drie kinderen Berent Jansen, Albert Jansen en Hindrikjen Jansen en het kind van wijlen haar dochter Jenneken Jansen bij haar man Roelof Otten verwekt, Hermine genaamd. De volgende legaten worden verder beschreven:
-100 car. guldens aan de dochter van haar zoon Albert Jansen, Grietjen genaamd.
-50 car. guldens aan de dochter van wijlen haar dochter Jenneken Jansen, Harmine genaamd en eveneens moet door de erven 50 gulden voor haar worden gereserveerd mocht ze komen te trouwen, mocht ze ongetrouwd overlijden, dan vervalt de 50 gulden aan Grietjen de dochter van haar zoon Albert.
(archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).

Op 26 juli 1759 laat Grietjen Jansen het eerder opgemaakte testament vernietigen.

358. Wolter Hans van Utert, ged. Wierden 21 mei 1699, † Vriezenveen na 1779, tr. Vriezenveen 2 maart 172178 Jenneken Berents Cuyper, geb. Vriezenveen omstr. 1695, † ald. na 1769,32 dr. van Berent Gerritsen Kuijper en Aaltje Jansen Scholten; had biol. kinderen
359. Hendrikje Berends Coes, ged. Vriezenveen 17 maart 1703, † (?) na 1736.

Notitie bij Wolter Hans: landbouwer en varkenskoopman. Wolter van Uytert of Wolter van Utert, wat zoveel wil zeggen dat de familie waarschijnlijk oorspronkelijk afkomstig was van Utrecht. Hij had 2 akkers land aan het Westeinde nummer 342 (huidige nummering). Hij wordt nog genoemd in het boterpachtregister van 1763. Zie notities bij zijn onechte dochter Stientje.
In 1726 legt Hendrik Hemmer beslag op de goederen van Wolter vanwege 54 gezamenlijk gekochte varkens op de Deldense markt, waarvan Wolter echter zijn aandeel nog niet had betaald. (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 217).

Wolter wordt vanaf ca. 1735 in de boterpachtkohieren vermeld, hij huwde in op het erf van zijn vrouw Jenneken Berents Cuyper, had 3 onechte kinderen bij de dochter van de oom van zijn vrouw, die naast Wolters huis woonde.

Uit een brief van secretaris Boom uit 1726, blijkt dat Wolter ruzie had gehad met Hendrik Berentsen Hopster, laatstgenoemde had hem geslagen en in de lip gebeten, dat koste laatstgenoemde een boete van 1 1/2 oude schilden. Wolter komt in hetzelfde schrijven voor als degene die zijn vrouw deerlijk had mishandeld en daarbij ook nog eens meineed had gepleegd. Ook met de oom van zijn vrouw Berent Otten Coes heeft hij het op 28 augustus 1725 aan de stok, waarbij Wolter Berent bont en blauw slaat en Berent had daarbij gebloed als een rund. (inv.nr. 1191~76 AHA en inv. nr. 3128 ).

Op 3 januari 1731 meldt Klijsters vrouw (waardin) dat op de avond van 1 januari er een vechtpartij was geweest tussen Arent Waanders en Wolter van Uijtert. Getuigen hierbij waren Krols Klaas (= Klaas Hendriks Bramer) en Quants Mller (bron: AHA inv. nr. 3241). Het is duidelijk deze Wolter was geen lievertje.

Op 25 januari1733 gaat Hendrik Gijseler (vader van Metje Hendriks die Wolter had bezwangerd) met Wolter op de vuist en noemt hem een vrouwenbedrieger. het leverde Hendrik Gijseler een groot gat in z’n hoofd op doordat Wolter hem met een stoel had geslagen. (bron breukregisters: AHA inv. nr. 3241).

Wolter had ook schulden. Op 16-1-1733 onderneemt advocaat Heine, gevolmachtigde van Hendrik van Lochum uit Deventer juridische stappen om een bedrag van 62 gulden terug te krijgen, die Wolter hem schuldig is. Ook zwager Jan Broertjen is bij deze zaak betrokken (inv. nr.2965, 3241 AHA).

Op 31 juli krijgt Wolter van Utert het aan de stok met de peilmeesters van de gebrande wateren die op zondag na de predikatie zijn woning bezochten. Het ging om een kan jenever die Wolter uiteindelijk kapot gooide. de peilmeesters ging Wolter geweldadig te lijf. Hiervan werd door de peilmeesters aan de schout Barteling verslag gedaan (bron: AHA inv. nr. 3241).

In 1753 wordt Wolter in het hoofdgeldkohier aangeslagen voor 4 personen en moet hij 1,25 betalen, 31 cent p.p. In 1760 betaalt hij voor 4 personen 1 gulden en daarmee ligt hij aardig beneden de gemiddelde aanslag per Vriezenvener. Zn koophandelschap zal dus niet zo succesvol zijn geweest, gezien ook het beslag dat zn compagnon op zijn goederen laat leggen. Maar ook de vele ruzies en vechtpartijen waarvoor Wolter voortdurend beboet wordt en niet te vergeten z’n sexuele escapades zullen zijn vermogen aardig hebben doen slinken.

Op 28-09-1748 verklaren Wolter van Uijtert en Jenneken Berents verklaren 475 gulden schuldig te zijn aan Jan de Graaf en Jan Braamhaar. Huis en 2 akkers land dienen als onderpand, uitgezonderd het land dat al aan wijlen Gerrit Otten, Otto Jansen en Jannes Tijhoff is verkocht (archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

schuldverklaring op 23-10-1769 van Wolter van Utert en Jenneken Berentsen Kuijper 720 gulden aan hun dochter Maria van Utert (archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

17 febr. 1770 en 3 maart 1770 verschenen voor het schoutengericht van Vriezenveen: Ed. Gerrit Koster Egbzn. Schuldeiser eist anpanding van de goederen van Wolter van Utert, schuld obligatie van 127 gld, 4 stuivers en 8 penningen d.d. 4 mei 1764 (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr 29 foto 89).
Notitie bij de geboorte van Wolter Hans: 3e en laatste onechte kind van Hendrikje Coes. Bij zijn doop staat vermeld "De moeder Hendrijkjen Berends, dogter van Berend Otten, welke dit haer kind, sijnde derselve derde , .................."
Notitie bij het overlijden van Wolter Hans: nog vermeld in het kohier van de kerspellasten van 1779, in het kohier van 1780 staat de naam van H. van Uijtert vermeld, zijn zoon. Wolter leeft nog bij de ondertrouw van zijn zoon Hans op 15 juli 1779.
Notitie bij Hendrikje Berends: zie notities dochter Stientje. Hendrikje had 3 onechte kinderen bij haar aangetrouwde neef Wolter Hans van Uytert. Diverse processtukken zijn in het archief van Huize Almelo te vinden.

Aangezien Hendrikje vanwege haar onzedig gedrag op 21-2-1736 uit de provincie Overijssel verbannen werd is onduidelijk waar ze is overleden (bron: Archief Huize Almelo).

360. Engbert Jansen, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen na 1755, tr. omstr. 1711
361. Hendrikje Jansen, geb. Vriezenveen omstr. 1685, † ald. na 1748.

Notitie bij Engbert: Engbert bewoont een erf in de buurt van het Oosteinde 85 (huidige nummering), het goed omvat 5 1/2 akker land.

Hij had het erf overgenomen van [zijn vader?] Jan Egberts Kleijne en wordt vanaf 1713 genoemd in de boterpachtregisters. Het goed was toen 4 akkers groot.

In 1737 wordt Engbert in het hoofdgeldkohier aangeslagen voor 3 personen en bedraagt de aanslag 1,50, een bedrag dat boven het gemiddelde van het Oosteinde lag dat jaar.(46 cent p.p.).
Inzake het register van de 1.000e penning uit 1715 wordt het vermogen van Engbert gesteld op 600 gulden (Statenarchief inv. nr.2547). Kennelijk boerde Engbert goed want in het register van de 1.000e penning uit 1734 en 1739 wordt het vermogen van Engbert gesteld op 1.800 gulden, een voor Vriezenveense begrippen aanzienlijk bedrag (inv. nr. 2550, 2553 Statenarchief). In 1750 was dit 1200 gulden en daarboven nog een toeslag van 100 gulden ivm welstand op grond van personeel (inv. nr. 2556 Statenarchief).
Engbert wordt nog genoemd in het hoofdgeldkohier van 1753 als hij aangeslagen wordt voor 3 personen en 1,30 moet betalen, wat ongeveer gemiddeld is.
Met de volkstelling van 1748 worden naast het echtpaar Jansen-Jansen nog 2 inwonende kinderen genoemd boven de 10 jaar nl. Berent, die het erf later bewoont, en Jenneken.

Engbert wordt nog in het boterpachtregister van 1755 genoemd.

Engbert Jansen wordt in het boterpachtregister (oa van 1719) genoemd bij het erf van olde Jan Claassen van welk goed hij de boterpacht van een halve akker land betaalt. Het lijkt erop dat het land van Jan Claassen Olde een onverdeelde ouderlijke boedel van diens ouders betrof. Hierdoor worden meerdere personen in het boterpachtregister vemeld bij het erf van Olde Jan Claassen, terwijl ze geen kinderen van hem zijn, maar kinderen of aantrouw van kinderen van broers/zusters van Jan Claassen Olde. Zo wordt ook de dochter van Geert Hendriks Bullegien in verband met zijn erf vermeld. Zij is de dochter van zuster (van Jan Claassen Olde) Aaltjen Claassen.
Notitie bij Hendrikje: Volgens de genealogische info uit het archief van de familie Kruijs zou Hendrikje Jansen de dochter zijn van Egbert Jansen Kleijne [en dus niet haar man Engbert Jansen].

Ik heb Hendrikje aan haar ouders gekoppeld op grond van onderstaande acte: daarin wordt Engbert Jansen vermeld als schoonzoon van Jan Claesen de Jonge. Het handelt daarbij om een schuldkwestie van Jan Claassen de Jonge en zijn tweede vrouw Fennigje Bramer tegenover de twee kinderen uit het eerste huwelijk.

10-11-1705 Jan Claesen de Jonge en Fennejen Hendrijxs Bramer verklaren schuldig te zijn ten eerste: aan de voogden (Gerrit Jansen en Gerrit Luix) van de twee voorkinderen 610 gulden en dan ten tweede aan Aeltjen Geerts het dochtertje van Geert Hendrijxs [Bullegien]als voogd van haar moederlijke goed 440 gold g en 70 kar. guldens vanwege verlopen intrest. kantlijn: 06-03-1724 compareren Gerrit Jansen en Gerrit Lucas, als mombers van de twee voorkinderen; namen debiteuren? vermeld Jan Lucas, Henrik Bramer, en T...Kosters, Arendt Wanders, wijders Engbert Jansen als schoonzoon.

Hoewel er meer Engbert Jansens zijn rond 1720 (in de doopboeken zijn er 3 te traceren), die de schoonzoon zouden kunnen zijn van Jan Claesen de Jonge, is er maar n vermeld met een echtgenote die het patroniem Jansen heeft en dat is Hendrikje Jansen. Zij zou dan een voorkind uit het eerste huwelijk van Jan Claesen de Jonge moeten zijn. Engbert Jansen huwde daarmee zijn (halve) nicht, aangezien zijn moeder een halfzuster was van de moeder van Hendrikje. Ik heb het idee dat de naam van Hendrikjes volle zuster of broer Berentje of Berent moet zijn geweest. Vanwege de vele kinderen die met deze naam ten doop worden gehouden 2 x Berend en 2 x Berentjen).
Notitie bij de geboorte van Hendrikje: gedoopt als Henrikjen dv Jan Gerrits en Henrikjen Janszen.

362. Gerrit Lucassen Costers, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen na 1748, tr. omstr. 1703
363. Jenneken Pauwels, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen na 1748.

Notitie bij Gerrit Lucassen: Bewoonde een erf in de buurt van Oosteinde 214 (huidige nummering). Het erf was 5 akkers groot, en was voordien eigendom van schoonvader Pauwel Frericks. Gerrit wordt al in 1703 in de boterpachtregisters genoemd.

Tijdens de volkstelling van 1748 leven beide echtelieden nog. Inwonend is dochter Fenneken (boven de 10 jaar) en verder wonen in dochter Berentjen met haar echtgenoot Jan Engberts. Deze wordt in 1752 in het hoofdgeldregister als het gezinshoofd aangemerkt en wordt dan aangeslagen voor 5 personen en dat kost hem 2 gulden, dat is 40 cent p.p. en daarmee overeenkomstig de gemiddelde Vriezenveense aanslag.
In 1737 werd Gerrit inzake het hoofdgeld nog aangeslagen voor 4 personen en dat koste hem 1,80, dus 45 cent p.p. (gemiddeld dat jaar voor het Oosteinde 46 cent).

In het kohier van de 1.000e penning van 1734 en 1739 staat Gerrit Lucassen te boek met een geschat vermogen van 500 gulden
In het kohier van de 1.000e penning van 1751 staat Jan Engberts met een flink geschat vermogen van 1100 gulden te boek.

Meestal als Gerrit Luicas aangeduid, echter in het boterpachtregister van ca. 1735 als Gerrit Luikes Coster.

Na hem bewoonde schoonzoon Jan Engberts het erf (gehuwd met Berendje Coster)
Notitie bij Jenneken: compareert op 6 juni 1722 voor het schoutengericht de huisvrouw van Gerrit Luiciegs, Jennigjen Pauwels voor haar moeder Geertjen Henrixen contra Berend Brouwer ivm uitstaande obligatie van 150 gulden geregistreerd voor het gericht op 25 maart 1712 Scha vrv inv.nr. 23 20081230b-440

364. Jan Fredriks, geb. omstr. 1685, † Vriezenveen omstr. 1768,79 tr. 2e Vriezenveen omstr. 1735 Aeltjen Luicas, † Vriezenveen na 1748; tr. 1e Vriezenveen omstr. 1720
365. Hendrikjen Jaspers Berkhoff, geb. Vriezenveen omstr. 1684, † ald. vr 1748.

Notitie bij Jan: Huwt in op het erf van zijn eerste vrouw Hendrikjen Berkhof, Oosteinde nr. 368 (huidige nummering) het erf stond later bekend onder de bijnaam "de Wolters". In 1721 wordt "Jan Frericks" de schoonzoon van Jasper Berckhoff vermeld als degene die het goed bewoond (getrouwd met Hendrikje Berkhoff) in de boterpachtregisters, het erf is 4 akkers groot.
Jan Fredriks wordt nog in het boterpachtregister van 1763 genoemd. Hij wordt ook genoemd in het testament van zijn zoon Jan in 1752.

In 1737 wordt Jan Fredriks inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet dan 1,20 betalen, met 60 cent p.p. een meer dan gemiddeld bedrag. In 1753 bedraagt de aanslag voor 3 personen 1,30, met 43 cent p.p. nog steeds een bovengemiddeld bedrag (dit lag op 39 cent). In 1760 bedraagt de aanslag voor 2 personen 1,80 een erg hoge aanslag als je rekening houdt met een gemiddelde van 39 cent p.p. De familie moet dus welvarend zijn geweest voor plaatselijke begrippen.

In het kohier van de 1.000e penning van 1734 en 1739 wordt Jan Fredriks vermogen geschat op 500 gulden. In 1751 is dit gegroeid tot 1100 gulden en in 1758 1150 gulden. Daarmee behoorde Jan tot de meer welgestelden van het dorp.

In 1768 nog genoemd in de balestingkohieren van gehoornde beesten en gezaaide landen; in 1769 staat zoon Fredrik Jansen vermeld als hoofdbewoner.

Genoemd in het testament van zijn zoon Jan op 22-05-1752.
Notitie bij Hendrikjen Jaspers: Bewoont het ouderlijk huis, Oosteinde nr. 368. In 1721 wordt Jan Frericks de schoonzoon van Jasper Berckhoff vermeld als degene die het goed bewoond (getrouwd met Hendrikje Berkhoff). Zie ook blz. 153 Ken uw dorp en heb het lief.

366. Jan Jansen Jonkman, ged. Vriezenveen 24 april 1701, † ald. na 1760, tr. Vriezenveen omstr. 1729
367. Jenneken Jansen Smelt, geb. omstr. 1700, † Vriezenveen na 25 jan. 1760.

Notitie bij Jan Jansen: landbouwer. Bewoont boerderij Oosteinde 191, huidige nummering. Bron: Ken uw dorp etc. blz.101. Huwde in op het erf van zijn vrouw. Volgens een lijst van boerhaverplichtigen (1752) was Jan Jonkman een provincie meier, dat wil zeggen dat hij een oud kloostergoed moet hebben bewoond (AHA inv. nr.2778). Had het erf overgenomen van zijn schoonvader Jan Gerrits Smelt.

In het boterpachtregister van 1736 wordt het erf geregistreerd met een omvang van 5 1/2 akker. Was n van de gootste schapenboeren van Vriezenveen, had in 1762 volgens het belastingregister op de reliqua 34 schapen. In dat jaar had in Vriezenveen niemand een kudde van grotere omvang.
Tijdens de volkstelling van 1748 heeft dit echt echtpaar dan ook een scheper (schaapherder) in dienst . Zijn naam is Jannes Gerritsen. Inwonend is verder de wed. Jan Gerrits Smelt en dit is gelijk een indicatie dat het erf oorspronkelijk van de familie Smelt was. Verder zijn nog inwonend 2 kinderen boven 10 jaar, te weten Jan en Janna Jonkman.

In 1737 bedraagt de aanslag inzake het hoofdgeld voor 3 personen 1,60. Dat was een fors bedrag en hoger dan gemiddeld, dat lag voor het Oosteinde dat jaar op 46 cent p.p..
In 1753 is het gezin hoofdgeld verschuldigd voor 5 personen en moet 2 gulden betalen, met 40 cent p.p. is dit net iets meer dan gemiddeld. In 1760 wordt Jan Jonkman aangeslagen voor 4 personen en moet 50 cent p.p. betalen, een meer dan gemiddelde aanslag (deze was nl. 39 cent p.p.). Aangezien Jan een zoon heeft die Jan heet, welke later het vaderlijk erf bewoond is onduidelijk wanneer de overgang plaats vindt.

In het kohier van de 1.000e penning van 1751 wordt Jan Jonkmans vermogen geschat op 450 gulden, waarvan 150 gulden voor meewerkend personeel, dat als een stukje vermogen werd gezien. In de kohieren van de 1.000e penning van 1734 en 1739 komt Jan Jonkman niet voor. Deze registers geven alleen de vermogens boven de 500 gulden weer.
Genoemd in het testament van zijn dochter Janna op 22-05-1752.

Op 2 januari 1756 koopt Jan Jonkman een deel (2 oostelijke akkers) van het provinciale schoutengoed. Akte van transport 20-05-1756 (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).
Notitie bij Jenneken Jansen: Genoemd in het testament van haar dochter Janna op 22-05-1752 en van zoon Jan op 25-01-1760.

368. Pieter (Peter) Claas, ged. Oosterwolde (Frl.) 21 juli 1700, † Oosterwolde (Frl.)(?) omstr. 1767, tr.
369. Martjen Pieters, geb. Oosterwolde (Frl.)(?) omstr. 1695, † Oosterwolde (Frl.) na 1767.

Notitie bij Pieter (Peter): aanvankelijk molenaar (1723-1727), later winkelier,
Quotisatiekohieren 1749
Pieter Claas, Ooststellingwerf
Plaats: Oosterwolde
Omschrijving: coopman
Gezin volw: 3
Aanslag: 19-11-0
Verhoging:
Vermogen:
Bron: Ooststellingwerf, fol. 36

Bij de dopen van Hiltje en Pieter staat vermeld dat Pieter Claeses opzichter van de molen te Oosterwolde is.

Genoemd in de rele belastingkohieren van Oostellingwerf tot en met 1766. In 1767 wordt de wed. Peter Claas genoemd als huurder op belastingnummer 23. Het pand ("huis en enig land") werd in 1766 nog verhuurd aan Peter Claas. Het huurbedrag bedraagt in deze tijd 24 gulden. Het belastingbedrag (5e penning, afgeleid van de huurwaarde) bedroeg dienovereenkomstig 4 gulden 7 stuivers en 4 penningen. Eigenaar van het pand waren de erven Jan Holtrup. Peter huurde het pand vanaf 1759 (bron: rele belastingkohieren van Oostellingwerf). Tot en met 1758 had Peter een pand (belastingnummer 19) gehuurd van Hendrik Jans c.s. voor 10 gulden op jaarbasis. Kennelijk gingen de zaken in deze tijd goed, zodat hij zich een pand met een meer dan dubbele huur kon veroorloven.
Het oudste belastingkohier van de rele middelen (in het archief van de provincie Friesland) stamt uit 1722. In dat jaar staat Hendrik Jans als eigenaar en bewoner vermeld. Het daaropvolgende kohier stamt helaas pas uit 1736. In dat jaar staat Peter Claas reeds als huurder vermeld.

Op 13-4-1742 staat koopman Peter Claas te Oosterwolde genoemd (recesboeken Oostellingwerf) als schuldeiser voor geleverde winkelwaren aan Grietje Geerts bij het opmaken van de boedelscheiding van laatstgenoemde persoon. Het betrof een klein bedrag van 1 gulden en 10 stuivers.
Ook inzake een inventarisatie van schulden op 22-02-1746 van wijlen Berent Luitjes en Wibbe Eijntes wordt de koopman Peter Claas een aantal keren genoemd. Hij had op 24-12-1737 geleverd mosterd en rijst voor de begrafenis van Berent Luitjes 2 gulden en 10 stuivers en dezelfde dag geleverd aan rijst en jenever voor de begrafenis van het weeskind Grietje Berents van 1 gulden en 7 stuivers. Ook in 1738 leverde de koopman Berent Claas winkelwaren aan voernoemd gezin en wel voor een bedrag van 2 gulden, 11 stuivers en 10 penningen.
Ook in de administratie van rekenschap van de erven van wijlen Jelke Fokkes staat op 24-09-1742 een betaling van 15 stuivers aan winkelwaren vermeld aan Peter Claas.

Op 08-02-1745 verklaren Peter Claas en Martjen Peters 125 car. guldens schuldig te zijn aan Roelof en Rinske Rintjes te Zuider Drachten vanwege geleverde winkelwaren. Beiden ondertekenen de acte met een kruisje, toch wel opmerkelijk gezien het beroep van winkelier.
Notitie bij de geboorte van Pieter (Peter): moedersnaam bij doop niet geneomd.
Notitie bij Martjen: Op 3 maart 1767 verklaart de weduwe van Peter Clasen, Maartjen Peters, 225 gulden schuldig te zijn aan Johannes Schuirer, excecuteur van Oostellingwerf, inzake geleverde winkelwaren. De schuldverklaring wordt ondertekend met een kruisje in aanwezigheid van haar schoondochter (vermoedelijk Trientje Jelkes) (bron: hypotheekboeken Oostellingwerf).
Notitie bij het huwelijk van Pieter (Peter) en Martjen: Op15-11-1717 gaat te Heerenveen een echtpaar in ondertrouw dat dezelfde namen draagt, de betreffende Pieter Claes is afkomstig van Oldeberkoop. Mogelijk betreft het hier dit echtpaar.

370. Jelke Jans, geb. omstr. 1700, † Rottevalle (Frl.) (?) na 1749, tr. Rottevalle (Frl.) 19 jan. 1727
371. Hiltie Hendriks, geb. omstr. 1705, † Rottevale (Frl.)? na 1743.

Notitie bij Jelke: Diverse nakomelingen van dit echtpaar nemen de naam van Eijck aan. Het betreft nakomelingen van de kinderen Jan Jelkes en Trientje Jelkes. Diverse malen werd de naam doorgegeven langs de vrouwelijke lijn. Het echtpaar was kennelijk niet erg kerks of weelicht was de vader doopsgezind. Dit valt wellicht af te leiden uit de doopregistratie van dochter Jitske, waar de vader niet aanwezig was. Dochter Trientje werd pas op 40-jarige leeftijd in Oosterwolde gedoopt, daarbij staat vermeld dat ze op Sint Pieter in 1734 te Rottevalle was geboren. Gezien deze informatie is het niet onwaarschijnlijk dat er meer kinderen uit het huwelijk zijn geboren.


16-6-1731 kopen Jelke Jans en zn vrouw huis en landerijen in Rottevalle onder de Noorder Dragten, door Coopers zelf bewoond en toebehorende voor 5/12 deel, de buijtenvoogden van Dragten (ten behoeve van de armen) behoort ook 5/12 deel en het restant 2/12 deel behoort Jan Jelkes. Het aangekochte land loopt tot aan de heide van de Compagnie (= nu Drachtster Compagnie) Jelke Jans betaalt aan Geert Hendricks voor de koop 200 Car. Gulden en een schuijt turff, ter waarde van 4 Car. Gulden.
In het rele kohier van 1729 van Smallingerland komen we Jelke Jans al tegen als meier van dit erf dat aan huur voor
43 gulden en 8 stuivers werd ingeschat ten behoeve van de belasting op de 5e penning ten laste van de verschillende eigenaars te weten:
-de armen van Noorder Drachten voor de helft eigenaar van 5/6 part.
- Jelle Jans voor 1/4 deel van 5/6 part.
- Jan Jelkes voor het resterende 1/6 deel.

In hetzelfde kohier van 1743 zien we dat de verhoudingen aardig zijn gewijzigd, eigenaars zijn dan:
-de armen van Noorder Drachten 5/12 deel
-Jelke Jans 5/12 deel
-Jan Jelkes 2/12 deel

In het kohier van 1748 is de naam van Jelke Jans verdwenen en zien we in zijn plaats de naam: Rinsse Wiebrens, wel staat Jelke Jans nog wel als meier (=huurder) vermeld.
Onduidelijk is of er een familierelatie bestaat tussen Rinse Wiebrens en Jelke Jans. Rinse Wiebrens moet voor 28-09-1727 gehuwd zijn met Wietske Sweitses, want op die dag wordt hun zoon Saake gedoopt in Drachten. Opmerkelijk is wel dat ook Rinse Wiebrens een dochter Trijntje heeft (doop 25-03-1736 te Rottevalle, moeders naam niet vermeld), maar aan de andere kant is Trijntje ook een heel veel voorkomende naam.
In het kohier van 1749 staat als meier vermeld de zoon van Rinse, Sweijtze Rinses (huwt 01-09-1748 Trijntje Sikkes, beiden afkomstig van Rottevalle).
Als eigenaars worden in 1749 vermeld:
-de armen van Noorder Drachten voor 5/12 deel
-Rinse Wiebrens c.s. voor 5/12 deel
-de erven Jan Jelkes voor 2/12 deel.

In 1775 staat Johannes Warners als meier vermeld; hij was afkomstig van Oostermeer en gehuwd met Altje Rinses van Rottevalle (26-11-1741 te Rottevalle)
Veelvuldig komen Jelke Jans en Hiltie Hendriks voor in de hypotheekboeken van de gemeente Smallingerland.


15-5-1730: inhoud door mij niet genoteerd

19-12-1731: Jelcke Jans en Hiltie Hendriks, echtelieden in de Rottevalle onder Noorder Dragten verklaren schuldig te zijn aan Geert Hendriks, wonend in de Rottevalle onder Oostermeer. 200 Caroli gulden dienende ter aankoop van de "gerechte helfte" van 5/12 deel van een "huijsinge en Schuere cum annexis in de Rottevalle onder de Noorder Dragten bij de Ehelieden Coopers bewoond".

29-08-1734: "Jelcke Jans Huijsman, woonagtigs inde Rottevalle onder de Noorder Dragten....... en Huijsvrouw Hiltie Hendriks. Schuldbekentenis aan Hendrik Wobbes meede inde Rottevalle onder Opeinde, van 200 Caroli guldens.

5-1-1737: Jelke Jans en Hiltie Hendriks schuldbekentenis aan Geert Hendriks en Hincke Alberts (echtelieden) de somma van 250 Caroli guldens. (blz. 142?)

6-6-1739: schuldbekentenis van Jelke Jans en Hilie Hendriks 500 caroli guldens aan Harcke Ritsers, huisman in Opeinde.
(blz. 543?)

12-6-1743: schuldbekentenis van Jelke Jans en Hiltie Hendriks aan Binne Wilts en Taepke.....
150 caroli guldens, echtelieden wonend te Noorder Dragten.

18-7-1743: schuldbekentenis van Jelke Jans en Hiltie Hendriks aan Feijke Eelses huisman en vrijgezel te Oostermeer, 100 Caroli guldens, alle goederen worden hierbij als onderpand gegeven.

29-4-1747: genoemd Jan Jelkes in Rottevalle onder Opeinde. Dat is waarschijnlijk de zoon van Jelke Jans.

In het quotisatiekohier van 1749 komt Jelke Jans voor in Rottevalle.

Quotisatiekohieren 1749
Jelke Jans, Achtkarspelen
Plaats: Rottevalle
Omschrijving:
Gezin volw: 4 en kind:
Aanslag: 15-15-0
Verhoging:
Vermogen:
Bron: Achtkarspelen, fol. 67
Notitie bij het huwelijk van Jelke en Hiltie: beiden zijn afkomstig van Rottevalle.

372. Dirk Dirks, geb.? omstr. 1700, † Beetgum (Frl.)? na 1735, tr.
373. Rikstje (?) N.N., † Beetgum (Frl.)? na 1735.

Notitie bij Dirk: volgens de doopregistraties van zijn kinderen timmerman van beroep in de kerkbuurt te Beetgum.
Notitie bij Rikstje (?): voornaam ontleend aan 2 namen van kleindochters Rigtje en Rikstje.
Notitie bij het huwelijk van Dirk en Rikstje (?): geen huwelijk traceerbaar

376. Lucas Harmsen Hospes, geb. Vriezenveen 1686, † ald. vr 1726, tr.
377. Henrikjen Engberts Klooster, geb. Vriezenveen omstr. 1686, † ald. na 1748.

Notitie bij Lucas Harmsen: Andr Idzinga heeft Lucas Harmsen Hospes en Lucas Harmsen Fik als dezelfde persoon beschouwd (zie Vriezenveners.nl). Dit is onjuist, het waren twee verschillende personen die weliswaar beiden op het Oosteinde woonden, maar daar is ook alles mee gezegd.
Lucas bewoonde de helft van het zogenaamde Hofmansgoed. Hij en z’n vrouw kopen het deel dat door hen al gepacht werd (het is een oud kloostergoed) op 07-02-1717 van de provincie op een veiling te Zwolle. Het goed omvatte 2 1/2 akkers land en 2 1/2 dagwerk hooiland en kostte 960 car. guldens.(akte 19-08-1721, Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

Vanaf 1713 wordt Lucas Hospes genoemd in het boterpachtregister als de bezitter van 3 1/2 akker land, lokatie Oosteinde 121-123 huidige nummering). Is al jong overleden. Zijn weduwe wordt vervolgens nog tot 1735 in de boterpachtregisters genoemd, daarna wordt het erf niet maar naar de eigenaar, maar naar de voormalige bezitters "Ruttgert Berents en Luikes Hospesland" in de kohieren, vermeld. In 1735 is het goed , dat oorspronkelijk 5 akkers groot was, verdeeld onder 6 eigenaars. De weduwe Lucas Hospes bezit hiervan dan nog slechts 1 akker.
9-3-1714 akte van schuldverklaring van Luicas Harmssen Hospis en Henrickjen Engberts "Ehelieden" van 50 Caroli gulden onder hypotheek van een akker turfland, gelegen op de Oosterhoeve aan de voogden van Luttjen Derks (het onmondige kind van Derck Janssen Faeijer) genaamd Harmen Berendsen Berkhoff en Jan Henricksen Bouwman (schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2673).
(Archief Schoutambt Almelo; Rijksarchief Zwolle).

15-06-1717 verklaren Lucas Harmsen Hospis en Hinrikjen Engberts schuldig te wezen aan Jan Brouwer en Berendje Wolters 400 car. guldens. Blijkens kanttekening is de schuld 4 juli 1718 afgelost.(bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674). Dit geld was ongetwijfeld bedoeld voor de aankoop van het halve Hofmansgoed in 1717.

4 jan. 1718 Ik Klaas Kruis, schout van Vriezenveen en keurnoten Gerrit Bartelink en Berend Egberts Kooijker Egberts, verschenen zijn Lucas Harmsen Hospers en zijn huisvrouw Henrickjen Engberts verklaren schuldig te zijn aan de mombaren Berend ten Cate en Arend Bartels over het onmondige kind van wijlen Hendrik Gerritsen ten Cate en wijlen zijn huisvrouw Aaltje Jansen de som van 600 guldens onder hypotheek van huis en erf en 2 1/2 akker aan land, gelegen tussen het land van oostwaards, Rotrger Berends en westwaards, de wed. van wijlen Berend Klaassen (bron: archief schoutambt Vriezenveen; inv.nr. 2674).

Op 28-11-1714 verklaren Lucas Harmsen Hospis en zijn vrouw Hinrikjen Engberts 300 car. guldens tegn 4 procent schuldig te zijn aan Claas Cruis en Geertien Lucas Schol (bron: archief schoutambt Vriezenveen; inv.nr. 2674).

Op 23-01-1723 daagt de rentmeester van klooster Sibculo Lucas Harmsen Hospis voor het gericht vanwege een achterstallige pacht over 1716 bedragende 21 gulden en 6 stuivers (bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23).zie ook 25 sept. 1723 (bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 24).

Op 05-03-1729 verklaren de volgende personen
-Rutger Berendsen, voor hemzelf.
-Jan Gerritsen en Jan Berendsen Hoffman als voogden over de 3 nagelaten dochters van hun overleden moeder Grietien Claassen.
-wed. van wijlen Lucas Hospis genaamd Henrikien Engberts [Klooster] geassisteerd met als haar voogd Derk de Bitter.
-Derk Coops [gehuwd met Trijntje Engberts Clooster; info Vriezenveners.nl] en
-Berend Engberts Klooster als voogden over de nagelaten kinderen van wijlen hun vader Lucas Hermsen Hospis.

Te verkopen hooiland toebehorend aan Rutger Berends, lopend van de Oudeweg tot aan de dijk of de Aa, belast met 6 pond boter, dus 1 1/2 akker, namelijk 4 pond boter per akker.
Te verkopen door de wed. Lucas Hospis 5 akkers land, lopend van de Oudeweg tot aan de Oude Graaven, belast met 11 pond boter (? ponden boters en akkers land zijn strijdig met elkaar).
Tesamen voor een som van 700 car. guldens te verkopen aan de kopers Jan Cruis en Gerrit Feijer (bron: archief schoutambt Vriezenveen; inv.nr. 2674).

In 1736 wordt de weduwe Lucas Herms in het hoofdgeldkohier aangeslagen voor 2 personen en moet 16 stuivers te betalen.
In 1748 (volkstelling 1748) woont op het ouderlijk erf de dochter Jenneken Hospes, gehuwd met Harmen Bom, samen met haar oude moeder de wed. Lucas Hospes en haar zuster Aaltje Hospes.
(copyright Erik Berkhof, Onweersberkhof.com)
Notitie bij de geboorte van Lucas Harmsen: Lucas Harmsen is in 1715 getuige bij een incident in het huis van Pieter Harwig waar Jannes Balthasar de ramen had ingeslagen. Lucas Harmsen verklaart dan 29 jaar oud te zijn (bron: AHA inv. nr. 2932 foto 43). Dit kan echter ook naamgenoot Lucas Harmsen Fik betreffen. De vrouw van Jannes Balthasar heette echter Hendrikje Harmsen Hospers en haar zuster (geen naam verrmeld) was eveneens bij dit incident aanwezig. Daarom ligt het eerder voor de hand dat ook Lucas Harmsen een verwant is en dus de familienaam eerder Hospers zal zijn dan Fik van de getuige van het incident. De verwantschappen van de getuigen in relatie tot de dader, -doorgaans wel vermeld-, staan in deze zaak niet vermeld bij dit onderzoek.
Notitie bij het overlijden van Lucas Harmsen: op 22 juni 1726 doet Henrik Spijker verpandig op huis en erf van Rutger Berends, zijn erf gelegen dat van oostwaarts Henrik Roelofs Huisman en westwaarts wijlen Luicas Hospis. Lucas leefde nog volgens het hoofdgeldkohier van 1723 (bronL Scha vrv inv.nr. 24 foto 274).
Notitie bij Henrikjen Engberts: Op 25-02-1729 verkoopt de weduwe van Lucas Hospis genaamd Henrikien Engberts Klooster met Jan Derk Bitter als haren mombaer (=vertegenwoordiger) aan de wed. van Jannes Jansen Boltwedder een goorden groot 90 trek liggende tussen den buyterenweg en de waterleijdick, oostwaarts Rutger Berends en westwaarts Hoff Fenne voor 90 guldens, yder gulden van 20 stv (=stuivers). Henrikien tekent met een kruisje. Getuigen zijn Hendrik Roelofs Huusman en Berent Kooper. Rutger Berends ondertekent de acte eveneens met een kruisje als de mombaer van koopersche (wed. Jannes Jansen Boltwedder) (bron akte uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
(copyright Erik Berkhof, Onweersberkhof.com)

De erfgenamen van Engbert Jansen en Aaltje Berends, te weten Lucas Harmsen [Hospers] en Egbert Roelofs Smit, verschijnen op 4-12-1723 voor het schoutengericht te Vriezenveen in verband met onenigheid over de boedelscheiding van wijlen hun schoonouders. Ze representeren ook zwager Jan Jansen Feuken. Ze hadden al diverse bijeenkomsten gehad om de schulden en baten van wijlen Engbert Jansen en Aaltjen Berends in der minne te schikken. Zwager Derk Coops lag dwars om tot een goede afwikkeling van de boedel te komen. Berent Engberts overname van de ouderlijke boedel en de vereffening hiervan lijkt het geschilpunt te zijn.
(bron: Scha vrv inv.nr. 24, foto nr. 010).
Notitie bij het overlijden van Henrikjen Engberts: nog genoemd als de weduwe Hospes Lucas op 4-10-1742 (HAA inv. nr. 3097) en eveneens met de volkstelling van 1748 nog vermeld, is dan inwonend bij dochter Jenneken Hospes en haar echgenoot Harmen Bom.

378. Hendrik Harmsen Hoek, ged. Vriezenveen 21 mei 1702, † ald. omstr. 1743, tr. 1e Vriezenveen omstr. 1726 Maria Jansen Fronten, ged. Vriezenveen 26 aug. 1703, † ald. vr 1735, dr. van Jan Lucassen en Cunnigjen Roelofsen; tr. 3e Vriezenveen omstr. 1740 Grietjen Egberts ten Cate, ged. Vriezenveen 26 okt. 1704, †? na 1766, dr. van Egbert Fredriks en Jaspertjen Hendriks Bramer en echtg. van Berent Jansen Euben (alias Scheeper); tr. 2e Vriezenveen omstr. 1735
379. Jenneken Herms Fronten, ged. Vriezenveen 30 jan. 1701, † ald. omstr. 1736.

Notitie bij Hendrik Harmsen: landbouwer, mogelijk evenals zoon Jan koopman (?).Had een erf aan het Oosteinde 219 (huidige nummering); was zelf afkomstig van het puntje van het Westeinde; hij was ingehuwd op het erf van zijn schoonvader Jan Lucassen Fronten die voor 1735 in de boterpachtregisters als eigenaar van het goed wordt vermeld. In 1735 was het erf meer dan 8 akkers groot, voor die tijd een aanzienlijke omvang.

In de journalen van Huize Almelo komt in 1736 een zekere Hendrik Harmsen voor, paardenkoper van Vriezenveen die een bedrag van 325 gulden int voor verkochte paarden aan Huize Almelo (bron: AHA inv. nr. 1059 foto 2825).

Volgens het kohier van de 1000e penning uit 1734 had Hendrik Harmsen Hoek een vermogen van 1600 gulden. Daarmee behoorde Hendrik zeker tot de gegoeden van het dorp. Ook in 1739 wordt het vermogen van Hendrik op 1600 gulden gesteld in het register van de 1000e penning.

Herman Jansen schreef in Ken uw dorp en heb het lief, op blz.107, 108 onder het kopje "De familie Hoff", Oosteinde 219: "De eigenaars -bewoners van de boerderij van de familie Hoff konden we opsporen tot aan het einde der 17e eeuw. De eerste eigenaar die we tegenkomen was Roelof Jansen. Dit was in 1685. Zijn dochter Cunnigje trouwde in 1695 met Jan Lukassen Fronten. Een dochter van dit echtpaar, Maria, trouwde met Hendrik Harmsen Hoek. Dit jonge echtpaar betrok de ouderlijke woning. Maria Fronten overleed op jeugdige leeftijd. Hoek hertrouwde met een familielid van zijn eerste vrouw, namelijk Jennigje Fronten. Ook dit huwelijk bleef niet lang bestendig. Na enige tijd overleed ook Hoek zijn tweede vrouw. Voor de derde keer zocht hij een levensgezellin; nu was Grietje ten Cate de uitverkorene. Dit blijkt uit een koopakte en schuldbekentenis van 9 november 1743. Hierin staat vermeld dat Grietje ten Cate, weduwe van Hendrik Hoek, een akker hooiland verkoopt in Frontemansland. In de schuldbekentenis van gelijke datum bekent zij aan drie schuldeisers 1100 car. gulden schuldig te zijn. Zij geeft hiervoor haar drie akkeren land, huis, schuur enz. in onderpand. Enige jaren later hertrouwt Grietje met Berend Jansen Euben.
Dit was voor 1748. In een register van dat jaar staan Berend Jansen Euben en zijn vrouw Grietje ten Cate vermeld. Grietje ten Cate was toen reeds een vrouw op jaren en kinderen uit dit huwelijk kwamen er niet. Ook uit haar huwelijk met Hendrik Hoek waren er geen nakomelingen. Uit het eerste en tweede huwelijk van Hoek waren wel kinderen. Dit blijkt uit een boedelscheiding en verkoop van de halve boerderij in 1766. Op 15 februari van dat jaar verkopen de voogden dezer kinderen het halve huis, schuur en 1 akker land aan Hendrik Broertje voor 975 car. Gulden.
Grietje ten Cate leefde toen nog. Zij bleef eigenares van de halve landerijen en het halve huis. Wie deze landerijen later heeft gekocht was niet te vinden. Waarschijnlijk zijn deze, evenals het halve huis, overgenomen door Hendrik Broertje."
Opvallend is dat de kinderen van Hendrik Hoek her en der bij familie op het dorp worden geplaatst. Grietje ten Cate, de derde echtgenote van Hendrik Hoek, nam de zorg voor zijn kinderen, na diens overlijden, dus niet over.


Er speelt tussen 1743 en 1748 een rechtzaak t ussen de erfgenamen van Hendrik Hoek over diens nalatenschap (Archief Huize Almelo inv. nr. 3081). Op 5-2-1743 wordt Hendrik Faijer (op voorspraak van Roelof en Gerrit Jansen Fronten) tot voogd van vaders zijde benoemd over de kinderen van "Hendrik Hoek en dese eerste vrouw Marijken Joosten Fronten". (AHA inv. nr. 2964)

In een akte van 09-11-1745 worden als de mombaren van de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hoek uit het eerste en tweede huwelijk genoemd:
- Hinrik Feijer (gehuwd met Geertje Jansen Fronten, de zuster van Maria Jansen Fronten)
- Berent Fredriks (mogelijk de zoon van Fredrik Berents vader van de eerste echtgenote van de vader van Hendrik Hoek; Berent zou in dat geval een oom van Hendrik Hoek zijn)
- Garrit Fronten (broer van Maria Jansen Fronten) en
- Jan Jansen Berkhoff vertegenwoordigd door Ad. Henr. Harwig (familierelatie onduidelijk)
Zij verkopen namens de onmondige kinderen hooiland, gelegen op Frontmansland en gemeenschappelijk bezeten met Frerik Feijer, aan de wed. Roelof Fronten voor 450 gulden.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 15-02-1744 verklaart Trientjen Harms Fronten (zuster van Hendriks Hoek 2e vrouw), wed. van Jan Jansen Fronten, mede als voogdesse van haar minderjarige kinderen, 880 car. guldens schuldig te zijn aan de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hoek uit diens eerste en tweede huwelijk, vertegenwoordigd door Gerrit Fronten, Jan Jansen Berkhoff, Hendrik Feijer en Berent Fredriks. Dit onder hypotheek van haar huis en 2 akkers land gelegen tussen dat van Lukes Jansen en Egbert gerrits.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

15-4-1744 Grond verkocht te Wierden van wijlen Hendrik Hoek, zoals hij deze had gekocht van dhr. Boss te Wierden. (Bron: archief Gericht Kedingen= Wierden, deel 5; RA Zwolle)

17-2-1746 Grietje ten Cate wed. van Hendrik Hoek verkoopt te Wierden haar stukje bouwland 6 spint, het Nieuwe Land genaamd in de Wierdensche Es, aan Harmen Hendriksen Koster voor 183 car. gulden.


20-11-1747 koopt Lambert Waanders van Gerrijt Fronten en Berent Frericks, mombaren (vertegenwoordigers) van de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hoek het agterpart van het soo genaemde Kurt Garritsland gelegen aan desen nieuwe kerkweg oock behoorende Albert Lamberts voorts sijn behouwde(bouwsels?) en seven boomen en het holtgewas daar op staende,oostwaarts Gerrijt Lucas Coster en westwaarts de wed. Frerik van Olde voor 77 guldens (bron akten uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marrin), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).

In 1737 wordt Hendrik inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 4 personen en moet 1,80 worden opgebracht, een gemiddelde aanslag voor dat jaar voor bewoners van het Oosteinde. In 1752 wordt zijn opvolger Berent Euben (vermeld wordt Berent Jansen) aangeslagen voor 2 personen en moet 85 cent betalen, een iets bovengemiddelde aanslag voor dat jaar.

Zoon Jan (uit het eerste huwelijk met Maria Fronten) was een zeer geslaagde en geziene koopman te St. Petersburg, hij bracht het zelfs tot hofleverancier van de czaar. In zijn kasboek, dat de imposante omvang van een Statenbijbel heeft staan veel hoogstaande schuldenaars. Het kasboek is bezit van de Oudheidskamer van Vriezenveen.

Akte van transport 15-02-1766: betreft verkoop in januari 1765 van het halve huis (de andere helft bewoond door Grietjen ten Cate wed. van Hendrik Hoek) en 1 1/2 akker land door de erven van Hendrik Hoek, te weten: Berent Lukas Schoemaker gehuwd met Mettjen Hoek, Engbert Hospes en huisvrouw Mariken Hoek, Jan Hulshoff en zijn vrouw Mettjen Faijer (weduwe van Jan Hoek) en verder Gerrijt Fronten en Berent Lukas als voogden over de onmondige Kunnegjen Hoek. De koper was Hindrik [Jansen] Broertjen en Grietjen Hindriks ten Cate voor de som van 975 car. guldens.(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij de geboorte van Hendrik Harmsen: Aanvankelijk dacht ik dat Hendrik Hoek uit Almelo kwam, vanwege de daar gebruikelijke naam Hoek, ook in combinatie met de namen Harmen en Hendrik. Ik raakte toch aan het twijfelen. Immers hij wordt ook vaak met zijn patroniem aangeduid, o.a. in het boterpachtregister van 1735 en in het kohier van de 1000e penning van 1734 en 1739. Waarom zou iemand met zijn patroniem aangeduid worden, als hij afkomstig is van buiten Vriezenveen en vaders naam in Vriezenveen vermoedelijk niet algemeen bekend geacht mag worden verondersteld? Dat lijkt niet logisch.
Gekeken naar de doopgegevens van Vriezenveen voor potentile ouderkandidaten komt er slechts 1 echtpaar in aanmerking voor het ouderschap en dit zijn Harmen Hendriks en Metjen Willems [Glas]. Zij lieten 2 zonen Hendrik dopen in 1700 en 1702. Deze info gelegd tegen de belastingkohieren en de boterpachtregisters leverde verrassende resultaten op. Wat bleek: het erf van Harmen Hendriks zou later bekend staan als Frontmansland en in 1735 bezit Hendrik Hoek van dit erf 1 akker land. Toeval? Ik denk het niet.
Hendrik zou deze akker verworven kunnen hebben uit de boedel van Jan Lucassen Fronten, -de vader van zijn eerste echtgenote Maria Fronten die eigenaar van dit erf was geworden en omstreeks 1725 overleden moet zijn-. Zwager Hendrik Feijer, gehuwd met de zuster van Maria, Geertje Fronten kan zich namelijk ook eigenaar van een halve akker Frontmansland noemen volgens het boterpachtregister van 1735. Dus een vererving langs de Frontenskant lijkt daarmee logisch. Maar ook een broer van Hendrik Feijer, Fredrik Faijer bezit een akker van het oude Frontmansland en van hem is geen familierelatie met de Frontenfamilie bekend. De verwerving van het Frontmansland door Hendrik Feijer zou dus ook op andere wijze kunnen zijn gebeurd.
Een andere eigenaar in 1735 van het Frontmansland is Jan Fronten die zich eigenaar van 2 halve akkers mag noemen, mogelijk een zoon van Jan Lucassen Fronten? (Andr Idzinga kent aan Jan Lucassen Fronten overigens geen zoon Jan toe.zie: http://www.gencircles.com/users/vriezenveners/4/data/19764).

Toch zijn er nog meer opmerkelijkheden die aan deze lokatie verbonden zijn die wel degelijk suggereren dat de verwerving van de akker land door Hendrik Hoek, wel degelijk via zijn (mogelijke) ouders Harmen Hendriks en Metjen Willems Glas kan zijn verlopen. Allereerst is er de doopnaam Metjen (vernoeming naar grootmoeder Metjen Glas is daarmee verklaard) van een dochter van Hendrik Hoek. Maar met name interessant is de informatie van het verpondings en contributieregister uit 1723 voor dit erf. Achtereenvolgens worden namelijk genoemd:
-Jan Fronten [huwde ca. 1705 Metjen Glas, de weduwe van Harmen Hendriks]
-de kinders
-de soon Hendrik [ik vermoed Hendrik Hoek]
-hook Jenne [een zuster of tante van Hendrik Hoek?]
het feit dat de zoon Hendrik apart staat genoemd en niet gezamenlijk met "de kinders" is logisch, immers hij is een zoon uit een eerder huwelijk van Jan Frontens echtgenote Metjen Glas en als zodanig had hij recht op een deel van de boedel uit het eerste huwelijk van Metjen. Vaak werden deze rechten op papier gezet bij de schout. In belastingkohieren komen kinderen uit eerdere huwelijken vaak voor ondere de vermelding "voorkint". Hun eigendomsrechten komen in de belastingkohieren vaak afzonderlijk tot uiting. Maar met name de verwijzing naar de naam "hook Jenne", ofwel Jenne Hoek is voor mij toch wel doorslaggevend voor de veronderstelling dat we hier eigenlijk met het oude Hoekerf hebben te maken. In die tijd was het heel gebruikelijk dat ongetrouwde zusters of tantes op het ouderlijk erf bleven wonen. Dus conclusie wat mij betreft: Hendrik Harmsen Hoek is geen Almelor, maar een echte Vriezenvener! N.B. Mogelijk is de schoonvader van Hendrik Hermsen Hoek (uit zijn eerste huwelijk), genaamd Jan Lucassen Fronten, identiek aan zijn eigen stiefvader, die ook deze naam draagt.
Notitie bij het overlijden van Hendrik Harmsen: na het overlijden van Hendrik raken de kinderen verspreid over diverse gezinnen, zoals uit de volkstelling van 1748 blijkt:

dochter Metje is dan dienstbode bij haar oom Gerrit Jansen Fronten en Janna Berends (Klooster) aan het Oosteinde.

dochter Kunna woont tijdens de volkstelling van 1748 in bij haar tante Grietje Jansen, weduwe van Roelof Jansen Fronten. Laatsgenoemde was een broer van Maria Fronten, de moeder van Kunna.

dochter Maria (kleine meid) is dan dienstbode bij Jan Faijer en Janna Jansen, eveneens wonend aan het Oosteinde.

zoon Jannes is scheper bij Hendrik Post en Janna Jansen Smit en ook dit echtpaar woonde aan het Oosteinde.
Notitie bij Jenneken Herms: als ouder zijn er 2 kandidaten Hermen Hermsen Fronten (dochter Jenneken gedoopt 30-1-1701) en
Hermen Frerix Fronten (dochter Jennigjen gedoopt 6-11-1698). Hermen Frerix ben ik onder de naam Fronten tegengekomen bij zijn huwelijk op 9-1-1692 met Jennighjen Jansen . Andr Idzinga gaat van deze laatste persoon uit en kent hem het vaderschap toe. Ik ben hem hierin niet gevolgd en wel om de volgende reden: Laatstgenoemd echtpaar maakt op 1-6-1704 hun testament op en daarbij wordt wel over de moeder van Hermen als erfgenaam gesproken, maar in het geheel niet over kinderen. Dit zou erop kunnen duiden dat hun dochtertje, gedoopt in 1698, al jong is overleden. Ook wordt in het testament de term "hun beider erfgenamen" genoemd. Dit lijkt nog eens te bevestigen dat de erven wederzijdse verwanten zijn en niet mogelijke kinderen.

380. Albert Eshuis, geb. Wierden omstr. 1710, † Wierden (?) na 1748, tr. 1e Wierden 24 mei 1733 Maria Meijer, geb. Wierden omstr. 1710, † ald. vr 1744; tr. 2e Wierden 14 maart 1744
381. Hendrikien Langkamp, ged. Wierden (geboren te Zuna) 31 mei 1722, †?.

Notitie bij Albert: met de volkstelling van 1748 staan vermeld bij het huis van Albert Esshuis: Albert en Henderckjen Esshuis en zoon Mannes onder de 10 jaar. Naast dit huis staat het huis van de weduwe Jannes Esshuis.
Notitie bij de geboorte van Albert: geen doopdatum te vinden
Notitie bij Hendrikien: Bij de doop van haar tweede zoon Egbert op 1 december 1748 wordt Hendrickien Berfde genoemd. Waarom ze opeens Berfde wordt genoemd is duidelijk. Vader Egbert huwde in op het erf Barfde of Berfde, waar moeder Jenneken Beverdam in een eerder huwelijk eerder op was ingehuwd. Zowel het Langkamp als het Berfde (ook wel Barfde) zijn boerenerven bij Wierden. Volgens Andr Idzinga (Vriezenveners.nl) was vader Egbert landbouwer op het erve Barfde te Rectum onder Wierden, dan zou dan de dubbele familienaam verklaren. En Egbert Lankamp die op het erf Barfde woonde, zal in het dagelijks leven zeker ook wel Berfde of Barfde zijn genoemd naar het erf dat hij bewoonde.
Notitie bij de geboorte van Hendrikien: gedoopt te Wierden als dv Egbert van Lanckkamp en Jenne Arens in de Olde Weeme.
Notitie bij het huwelijk van Albert en Hendrikien: Albert Eshuijs weduwenaar van Maria Meijer en Hendrikien Egberts lanckkamp ND van Egbert Lanckkamp.

382. Derk Jansen Schapink (ook Heerspink), ged. Wierden 27 nov. 1702, †?, tr. Wierden 1 dec. 1724
383. Gerritjen Jansen Senderinck, ged. Wierden 22 jan. 1702, † Wierden (?).

Notitie bij Derk Jansen: Volgens mij heeft Derk jansen Schapink uit Wierden rond 1726 het boerenerf Wennemers of Heerspink te Marle betrokken. De naam Schapink gaat echter niet verloren en blijft hij bij gelegenheid gebruiken. Maar ook de namen Wennemers en Heersping gebruikt hij. Het jaar van betrekken van het boerenerf te Marle is afgeleid van de doop van het tweede kind van Derk dat in Hellendoorn werd gedoopt -tt het eerste kind dat nog te Wierden werd gedoopt-

Volgens het doopregister van Hellendoorn, waar de meeste kinderen werden gedoopt, woonde het echtpaar op Wenmerink (ook Wennemers) te Marle (bij Hellendoorn).
Derk en Gerritjen woonden volgens het doopboek op Wenmerink te Marle. Ze worden genoemd van 1727-1742. De eerste dochter Jenneken wordt in 1725 in Wierden gedoopt. In dezelfde periode (1729-1741) komt er ook een Derk Jansen Wenmerink gehuwd met Janna Nijland in de doopboeken van Hellendoorn voor. Een beetje verwarrend. Met name omdat ook Derk Schapink een zoon van Jan was en ook wel Derk Jansen genoemd zal zijn. Van Derk Wenmerink wordt echter niet vermeld dat hij te Marle woonde, 1 x staat vermeld (1729) dat hij in het kerkdorp (bedoeld wordt Hellendoorn) woonde. Later is hij voor een tweede maal gehuwd (1742) en woont hij in Hulsen bij Hellendoorn.
Volgens Hennie Scholten en Klazien Slooijer-Renkema van de Historische Vereniging Nijverdal werd het erf ook Heerspink genoemd. Ook Heerspink en Wennemers ben ik tegengekomen als namen voor hetzelfde erf.
Derck wordt bij zijn huwelijk "Jonckman" genoemd.
met de volkstelling van 1748 worden in hellendoorn vermeld:
Heerspink,Derk
Heerspink huijsv.
Gerritjen Jans
kinderen boven 10 jaar:
Hendrik en Geesjen
kinderen onder 10 jaar:
Marie, Hendriene en Beerent
Notitie bij Gerritjen Jansen: ook Garritien genoemd.
Notitie bij het huwelijk van Derk Jansen en Gerritjen Jansen: "Den 11 Novem:
Derck Scapinck soon van Jan Schapinck Jonckman met Garritien Senderinck N: Dogter van Jan Senderinck beide alhier cop: den 1: Dec"

384. Berent Wolters Schipper, geb. Vriezenveen omstr. 1670, † ald. omstr. 1734,80 tr. Vriezenveen 16 aug. 1696
385. Jennigjen Willems, geb. omstr. 1670, † Vriezenveen na 1720.

Notitie bij Berent Wolters: Bewoonde het pand Westeinde 658-660 (huidige nummering), ook bekend als het Schipserf. Had zijn erf redelijk westelijk gelegen aan het Westeinde tussen het erf van Kort Hendrik [Hendrik Koerts] en Scheet Hendrik (bron: verpondingsregister 1719).

13-01-1716 Berendt Roelofssen en Aaltjen Warners verkopen 2 akkers land lopend tot aan de Aa, oostwaarts Oldescholsland, westwaarts Lubberts Hulshoff en overscheiden met verkoperen, voor 750 kar. guldens aan Berend Wolters Schipper en Jenneken Willems (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 2673 foto 225).


Op 06-05-1717 wordt Berent Wolters Schipper, samen met zijn broer Hermen genoemd als de voogden van de onmondige kinderen van Geertjen Peters (weduwe van Hendrik Prinsen); zie notities hierover bij Jan Jansen Glas. Daarmee wordt bevestigd dat hun moeder Berentjen Peters en Geertjen Peters vrijwel zeker zusters van elkaar waren. Als voogden werden namelijk meestal bloedverwanten aangesteld. Berentjen Peters zal dan de oudere zuster van Geertjen zijn geweest.(bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).
In het hoofdgeldkohier van 1723 als Berent Schipper vermeld. In het verpondingsregister van 1732 en 1734 en 1735 staat hij als Berent Wolters te boek. Moet gezien de belastingaanslagen toch over een redelijk vermogen hebben beschikt. In het verpondingsregister van 1735 staat Derk Schipper als de nieuwe hoofdbewoner van het erf vermeld.
In 1736 nog vermeld in het vuurstedengeldregister als hoofdbewoner. In 1737 staat de naam Derck Schippers als nieuwe hoofdbewoner in het vuurstedengeldregister vermeld. In het hoofdgeldkohier van 1735 staat Derck Berents [Schipper] als hoofdbewoner van het erf vermeld.
Notitie bij Jennigjen: Jennighjen Willems is in 1720 verdachte in een gerechtelijk vooronderzoek inzake het vernielen van maar liefst 67 bijenkorven (zogenaamde "ijmen") van Henrik Warners, ze zou haar zoon Willem tot de vernieling hebben aangezet. Diverse buren getuigen in het gerechterlijk vooronderzoek tegen Jennigjen Willems. Jennigje verklaarde dat ze wel op het land was geweest, maar niet om de bijenkorven te vernielen, maar om de klompen van haar zoon Derk Schipper op te halen, die hij de dag ervoor op het land had achtergelaten. (inv. nr. 2932 Archief Huize Almelo).
Notitie bij het huwelijk van Berent Wolters en Jennigjen: Berent huwde op dezelfde dag als zuster Geertje met een kind van wijlen Willem Hermsen.

ondertrouwregistratie: "Berent Wolters N.Z. van wijlen Wolter Geerts en Jennighjen Willems N.D. van wijlen Willem Hermssen beijde alhier" transcriptie van Gerard Jansen Hoofddorp.

386. Derk Jansen Faijer (dezelfde als 258), tr. 1e Vriezenveen 13 jan. 171050
387. Aaltje Hermsen Berkhoff, geb. Vriezenveen omstr. 1686, † ald. vr 6 jan. 1714.

Notitie bij Aaltje Hermsen: Op 9-3-1714 wordt haar vader Harmen Berendsen Berkhoff samen met Jan Henricksen Bouwman genoemd als voogd van Luttjen Derks (Faijer) in verband met een schuldverklaring van Luicas Harmssen Hospis en zijn vrouw Henrickjen Engberts [Klooster] van 50 Caroli gulden onder hypotheek van een akker turfland op de Oosterhoeve. Dit betekent dat Aaltje toen reeds was overleden.(Archief Schoutambt Vriezenveen; inv. nr. 2673).
Notitie bij het overlijden van Aaltje Hermsen: op 6 januari 1714 verschijnt Hermen Berkhoff voor het gericht vanwege een kwestie over oa geleend spek. Er is dan sprake van Aaltje Herms gewezen vrouw van Derk Faijer. Aaltje is dan dus reeds overleden (bron: Schoutambt Vriezenveen inv.nr. 22).
Notitie bij het huwelijk van Derk Jansen en Aaltje Hermsen: Als bruidschat kreeg het echtpaar op 13-01-1710 400 gulden mee van de Berkhofskant. Dit blijkt uit het testament van Hermen Berkhof en Berentien Alberts [Jonker] d.d. 21-01-1718. De datum van het huwelijk is door mij afgeleid van de datum van de bruidschat. (Archief Stadsgericht Almelo inv. nr. 2618).

388. Jan Hendriks Santboer (Hofmeijer, Bour en Bourman), geb. Rectum (bij Rijssen)? omstr. 1670, † Vriezenveen omstr. 1738, tr. Vriezenveen omstr. 1702
389. Hendrikjen Gerrits (ook Geerts) ten Cate, geb. Vriezenveen omstr. 1665, † ald. 18 okt. 1743, tr. 1e Vriezenveen 20 jan. 1689 Hendrik Jansen Bour de Jonge, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. na 1710, zn. van Jan Jansen Bour Oostert en Jenne Berents.

Notitie bij Jan Hendriks: landbouwer en koopman in tuinzaden. Bewoonde een boerenerf ter hoogte van Oosteinde 219 (huidige nummering). Wordt vanaf 1704 in de boterpachtregisters genoemd. Hij heet dan " Jan Sandt Bour" en heeft 4 1/2 akkers land, welke hij heeft overgenomen van de eerste echtgenote van Hendrikjen Gerrits ten Cate, Hendrik Jansen Bour de Jonge, die als eigenaar in het boterpachtregister van 1700 nog wordt genoemd en voor 1704 overleden zal zijn.
Naast de namen Bour, Santbour en Bourman komt Jan Hendriks in 1715 ook nog voor met de naam Hofmeijer in de archieven van schoutambt Vriezenveen, als alias staat dan vermeld Santbour (arch. Sch.ambt Vriezenveen inv. nr. 22). De Hofmeijer als erfnaam kwam voor in Rectum bij Wierden en ook een boerenerf bij Delden heette Hofmeijer.
In Wierden komt in 1719 de volgende huwelijksregistratie voor:

trouwboek Wierden 1719 : Den 8 jann: Garrit Hendriksen Hofmeijer, wed: van Engele Keppeling in Rectum met Engele Engbers wed: van Harmen ten Beverdam alhier Dimiss: den 22 jan"

en 1701: Gerrit Henricks soon van Henrick Meulekamp en Jenneken Henricks dogter van Henrik Hofmeijer, beide in Rectum.

Op 6-1-1714 gaan de volgende personen te Wierden in ondertrouw: Jan Albertsen NS van Jan Albertsen en Janna Hendricksen JD van Hendrick Jansen van den ouden Hofmeijer In Rectum onder Rijssen, copul: den 11 febr.
Op 17 sept. 1718 huwt te Rijssen Aeltjen Hofmeijer dv Hendrik Hofmeijer met Frerick voor den Boom.
en op 26 april 1716 huwt te Almelo (ondertrouw 22 maart 1716) op att. van Rijssen; Jan Aaldering; weduwnaar van Fenneken Zwiersen, in de Heerlijkheid en Geesje Hendrix Oldehofmeijer jd, in Rectum, Gericht Rijssen

Jan Hendriks Santboer en zijn echtgenote Hendrikjen Geerts verklaren op 11-04-1710 een bedrag van 174 car. guldens schuldig te zijn aan de schout Claes Cruis en zijn echtgenote Geertien Schol. In de kantlijn staat dat deze schuld op 26-03-1716 is voldaan (bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr.2673 foto 144). Dit is tegelijkertijd de oudste vermelding van de naam Santboer in Vriezenveen.
Op 15-10-1712 spreekt Jan Henrixen Olde Jan Santboer aan voor 7 gulden aan schuld vanwege geleverde winkelwaren (arch. Sch.ambt Vriezenveen inv. nr. 22, foto 479).

9-3-1714 verschenen Geesien Jansen wed. van Lucas Braamhaar met Gerrit Henricksen Winter en Henrick Roelofsen Huijsman als haar verkozene mombaren heeft verkocht voor honderd gulden, elke gulden ad 20 stuivers 2 akkers veengrond met vrije opslag, gelimiteert oostwaarts Hinrik Gerritsen Braamhaar en westwaarts Gerrit Roelofs ten profijte van Jan Henrixen Bour en huisvrouw en Gerrit Jansen Faijer en hun erfgenamen (bron: 2673 Sch.a.vr.).

6-4-1726 Jan Henrixen Santbour voor zich zelf en als daghuurder en zijn zoon Albert Jansen, als knecht gediend hebbende bij Gerrit Frericks Caate alias Cort Geert eisen voor het gericht van het schoutambt Vriezenveen betaling van daghuurders en knechtenloon ad 10 gulden 10 stuivers (bron: archief Scha vrv inv.nr. 24 foto 256).


In 1748 zijn Jans landerijen het eigendom van Egbert Jansen Dekker met zijn vrouw Berendje Rutgers. Dekker noemt zich ook wel Hoff. Verder is dan nog inwonend Berend Boer, een stiefzoon van Jan Hendriks Santboer. Of Egbert Jansen Dekker ook een zoon van Jan Hendriks Santboer is, zou kunnen, maar ook is mogelijk dat hij het erf van de erfgenamen Jan Hendriks Santboer heeft gekocht met de verplichting voor de ongetrouwde Berend kost en inwoning te verstrekken, zolang deze ongetrouwd bleef. Dit lijkt ons een hele rare clausule. Hij kwam echter wel vaker voor in die tijd.
In het verpondingsregister van 1734 wordt vermeld op deze lokatie (Oosteinde 219) Sant Boer en de kinders Santb. krijgen een aparte aanslag; tot de kinders Santb. blijkt uit de hoofdgeldregisters en de volkstelling van 1748 behoorde in elk geval Berent Hendriksen, mogelijk bewoonden nog meer ongetrouwde Sant(boertjes) in 1738 dit erf.

Zoon Aelbert vestigt zich verder op het Oosteinde op het erf, dat oorspronkelijk van de familie ten Cate was op het Oosteinde en neemt kennelijk de bijnaam Boosman mee naar dit erf gelegen aan het Oosteinde nummer 175 (huidige nummering). Dit erf is verworven via zijn moederszijde. Zij was eerder getrouwd met een ander familielid van de familie Bour genaamd Hendrik Jansen Boer.

Jan wordt in 1737 inzake de hoofdelijke aanslag belast voor 3 personen en moet daarvoor 1,40 betalen, ongeveer gemiddeld.

De familierelaties bij de familie Boer zijn wel erg verwarrend, zeker omdat de vader (Jan Santboer) twee zoons heeft genaamd Jan Hendrixen Bour; deze worden beiden genoemd in een akte uit 1722, dus een patroniem die niet overeenstemt met de voornaam van de vader. (inv. nr. 2959 AHA). Zie hierna.

In 1708 wordt een Jan Henriksen Bour genoemd burger en koopman te Almelo, hij was volgens de bescheiden afkomstig van Vriezenveen en burger geworden van de stad Almelo. Echter later woont hij opnieuw op het Vriezenveen. Deze Jan Bour, gehuwd met Janna Wouters Levelt, heeft in de huwelijksakte echter het patroniem Jansen. Maar hij noemt zich naast Jansen, later dus ook wel Henriksen Boer. Uit de stukken blijkt ook dat Jan Hendriks Bour een broer had genaamd Klaas de Muller (deze was voor 1722 overleden). Op 4-9-1722 legt Claas Kruijs, de schout van Vriezenveen, beslag op de goederen van wijlen Jan Henrixen Bourman, alias de Muller. Uit het archief van schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23, blijkt dat dit beslag werd gedaan ten gunste van Jan Cruis in verband met geleverde tuinzaden waarvoor de rekening nog niet betaald was. Eigenaren van de goederen zijn dan: Jan Santboer, als vader, en Jan Henrixen Bourman, als broer. Uit de stukken blijkt dat Bourman met alias de Muller, schulden had aan Jan Engberts Smit en dat hij reisde op Oost-Friesland en Amsterdam. Vreemd is natuurlijk dat zijn broer dezelfde naam had, erg verwarrend. Verder wordt de vader genoemd Jan Santboer, terwijl je zou verwachten, afgaande op het patroniem dat hij Hendrik zou moeten heten. Het lijkt er dan ook op dat Jan Hendriks het patroniem van zijn grootvader heeft overgenomen. Zoiets was overigens niet ongewoon.

Jan Hendriksen Bour, gehuwd met Hendrikje Gerrits (ten Cate?), is dan ook zeker een andere dan Jan Hendriks Bour, gehuwd met Janna Leevelts (huwelijk te Almelo als Jan Jansen Bour van Vriesenveen d.d. 1-10-1693). Het zouden broers zijn, gezien het voorgaande, het is een moeilijk te ontwarren kluwen. (inv. nr. 2959 AHA). Het zou de vader van Albert Santboer moeten zijn, die waarschijnlijk getrouwd is met Hendrikje Gerrits of Geerts.
Even de huwelijken van de Boerfamilie op een rijtje rond 1700:
(5-1-1689) Hendrik Jansen Bour N.S. van wijlen Jan Jansen Bour en Hendrijkjen Gerrits D.V. Gerrit Luichjes Cate.
(30-9-1693) Jan Jansen Boer J.M. van ’t Vrieseveen en Joanna Levelt N.D. van Wolter Levelt uit Almelo .(ook ondertrouw te Almelo, inzegening 1-10-1693.) Ook in Almelo geen aanvullende info over de vader van Jan Bour te vinden, die overigens dan nog moet leven (zie voorgaande akte uit 1722).
(11-2-1700) Jan Henrix Boer N.S. Henrik Janszen Boer en Trientjen Klaeszen J.D. van Klaes Meinders.
Tenslotte is nog het huwelijk te vinden van:
(12-1-1684) Grietje Janszen N.D. van Jan Hendriks Bour en Berent Berentsen N.S. van Berent Janssen.

Ik ga ervan uit dat Jan Hendriks Santboer omstreeks 1702 gehuwd is met de weduwe van Hendrik Jansen Bour, op wiens erf Jan dan ingehuwd zou zijn.

In 1721 treedt Jan Bourman, samen met Hendrik van der Aa en Gerrit Boomcamp op als voogden over de onmondige kinderen van wijlen Jan Bour (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.23). Ik denk dat met Jan Bourman hier Jan Santboer wordt bedoeld.

In 1722 wordt Jan Hendriks Bourman en zijn vader Jan Santbour aangesproken door Jan Cruis in verband met schulden van wijlen zijn broer Jan Henrixen Bourman alias de Mller in verband met geleverde hofsadinge. Het zal hier om een familiehandelsmaatschap handelen, want Jan Hendriks Bourman en vader Jan Santbour worden genoemd als eigenaren van de hofsadinge (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.23)

Op 5-2-1733 treedt Jan Hendriks Boer samen met Berent ten Cate op als voogd van Geertje Jansen [Kluppels], de onmondige dochter van Jan Harmsen Kluppels en Metje Gerrits [ten Cate] (bron AHA inv. nr. 2964). Dit suggereert dat Jans vrouw mogelijk een zuster van Metje Gerrits is geweest (voogden zijn vrijwel altijd bloedverwanten), qua datering van geboortedata ontstaat daarbij echter wel een probleem met de link naar de ouders ten Cate (zie database Andr Idzinga; Vriezenveners.nl), het lijkt niet te matchen. Metje heeft bij Andr Idzinga overigens een andere vader Gerrit Berends ten Cate geb. ca. 1655 (!) ipv Gerrit Luichens ten Cate, zoals de info van de eerste huwelijksregistratie van Hendrikje Gerrits ten Cate uit 1689 vermeld. Op grond van voornoemde voogdijstelling vermoed ik dat Metje toch een dochter van Gerrit Luichens ten Cate is geweest.

Jan schijnt in onmin met buurman Vijgen Gerrits geleefd te hebben, met zijn [stief]zoon Berent schijnt hij rake klappen aan de buurman Vijgen Gerrits en diens zoon Otte uitgedeeld te hebben, waaraan Otte een groot gat in zijn hoofd had overgehouden (21-01-1721) bron: HAA inv. nr. 3207 foto 20070103b.218.jpg). Tien jaar later leven de families nog steeds in onmin met elkaar en is er een rechtzaak tussen zoon Jan Hendriks Santboer en Otto Gerrits Pil (zoon van Vijgen Gerrits ofwel Gerrit Pil) (bron: AHA inv. nr. 2967). Op 8 juni 1731 weigert Jan Santboer een boete te betalen die hij moest voldoen omdat zijn dochter Vijgen Otte had uitgescholden. Uit een stuk van 7 juni 1731 blijkt dat Jan Santboer ook werd genoemd "Jan Boersvolk" en dat hij toen absent was. (bron: AHA inv. nr. 3241).
In 1733 is er een kwestie tussen dochter Hendrikjen Jansen Santboer en Vijgen Otto (bron: Requesten Huize Almelo 21-04-1733, inv. nr. 2964).

koopman in tuinzaden, handelde in maatschap met zijn beide zoons, Jan Hendriks Bourman alias de Mller en Jan Hendriks Bourman (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.23).
Komt niet voor in de boterpachtregisters, maar wordt genoemd in een archiefstuk uit het jaar 1722 nav de aansprakelijkheid inzake schulden van wijlen zijn zoon Jan Henrixen Bour(man) alias de Muller. Ook zoon Jan Henrixen Bourman wordt voor de schulden aansprakelijk gesteld (Archief Huize Almelo inv. nr. 2959).

Mogelijk dat Jan Santboer ook de naam Boer gebruikte, evenals zoon Jan Hendriks die zich naast Santboer, ook wel Bour en Bourman noemt. Opvallend is dat 2 zonen ook de naam Mulder gebruiken. Te weten Klaas en de andere zoon Jan Hendriks die verder overigens doorgaans Boer wordt genoemd.

Wellicht genoemd in een rechtzaakdossier inzake nalatenschap van Jasper Gerrits Fox (AHA inv. nr.2981). Wordt genoemd in een extract van folio 4 van het Armenboek van het kerspel Vriezenveen. Hierin staat vermeld dat Jan Jansen Bour 15 gulden en 15 stuivers heeft gegeven aan de Armen van Vriezenveen vanwege zijn overleden vrouw d.d. 20-12-1682.

Op 16 juni 1714 daagt Roelof Engberts Smit Jan Santboer voor het gericht vanwege het niet betaalde arbeidsloon voor verrichte arbeid. Het gaat om een bedrag van 1 gulden en 12 stuivers (wellicht slaat dit op de zoon van Jan). (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 22).


Vader Jan Santboer wordt genoemd in een archiefstuk uit het jaar 1722 nav de aansprakelijkheid inzake schulden voor geleverde tuinzaden door Jan Cruis aan wijlen zoon Jan Henrixen Bour(man) alias de Muller. Ook broer Jan Henrixen Bourman wordt voor de schulden aansprakelijk gesteld (Archief Huize Almelo inv. nr. 2959). Het gezin telt dus 2 Jannen en zoiets is altijd verwarrend in de genealogie.
Het lijkt erop dat hier sprake is geweest van een compagnonschap in tuinzaden, waarom zouden anders deze verwanten voor de schulden worden aangesproken? zie ook archief schoutambt Vriezenveen inv. nr.23).
Notitie bij het overlijden van Jan Hendriks: nog vermeld in het hoofdgeldkohier van 1738, in 1739 niet meer vermeld in dit kohier.
Notitie bij het overlijden van Hendrikjen Gerrits (ook Geerts): 26-10-1743 Compareert Albert Jansen Santboer voor het gericht van het schoutambt Vriezenveen ivm overlijden van zijn moeder Henrikjen Geersen wed. van wijlen Jan Santboer heden 8 dagen geleden. Ook de overige erfgenamen compareren met namen Lukas Henriksen Boer, Berent Henriksen Boer, wed. van Jan Henriksen Boer ende het nagelaten kind van wijlen Henrikjen Jansen Santboer. Albert zou de inventaris overleggen en een overzicht overhandigen van de staat der zaken. Na aftrek van de doodsschulden resteert echter nauwelijks iets volgens Albert Santboer, zo weinig dat het niet de moeite loont hierover te procederen met elkaar. Albert Santboer stelt dan ook van zijn aandeel van de erfenis af te willen zien en ten profijte van de overige erfgenamen te willen stellen. Hij stelt voor dat twee man op een willekeurige dag de staat van de erfenis komen verifieren en een inventarislijst op te komen maken op kosten van de andere erfgenamen. De everige erfen eisen echter een opgestelde beloofde inventaris van Albert Santboer. Het gericht verplicht Albert per decreet de inventaris alsnog binnen 8 dagen te overleggen en wel op kosten van de gemeenschappelijke boedel. Kennelijk voldoet hij hieraan want van verdere procedures is niets meer te lezen in de gerichtsarchieven van het schoutambt Vriezenveen. (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 26 foto 234).

390. Frederik Henrix de Vos, geb. omstr. 1675, † Vriezenveen na 1702, tr. vr 1699
391. Berentjen Jansen, geb. omstr. 1660, † Vriezenveen omstr. 1727, tr. 1e (ondertr. Vriezenveen 11 febr.) 168881 Engbert Berentsen, † Vriezenveen vr 1699.

Notitie bij Frederik Henrix: is katholiek van geloof, gezien de doopaantekeningen bij dochter Armke in 1699. Ook andere leden van deze familie zijn katholiek gebleven na de reformatie. Vermoedelijk is Frederik op jonge leeftijd overleden, zijn vrouw en dochter Armke, wonen later bij Jan Gerritsen Smelt in huis (gehuwd met Hendrikje Jansen van der Aa). Hoewel de ouderlink naar Hendrik Jansen Vos niet zeker is, is er wel reden om hiervan uit te gaan. Van een broer van Hendrik, een mogelijke oom van Frederik de Vos, is ook bekend dat deze katholiek waren.
Notitie bij het overlijden van Berentjen: in 1755 verklaart Hendrikje Jansen (van der Aa) dat zij met haar man Jan Gerritsen Smelt voor 28 jaar Armke Frericks (schoonzus van Albert Santboer) en haar moeder (Berentjen Jansen) van kost en inwoning hebben voorzien. 1755 minus 28 jaar is 1727. Toen moet Berentjen Jansen dus nog hebben geleefd. Er moet ook een familieband zijn met het gezin Smelt-van der Aa. Hoe deze precies zit is onduidelijk. Mogelijk was Berentjen Jansen de zus van Hendrikje van der Aa.
Notitie bij het huwelijk van Frederik Henrix en Berentjen: een huwelijk van het echtpaar is niet te vinden.

392. Lucas Jansen Onweer (dezelfde als 288), tr. Vriezenveen omstr. 1724
393. Fennigje Jaspers Berkhoff (dezelfde als 289).

Notitie bij Lucas Jansen: landbouwer en turfschipper, Oosteinde 345 huidige nummering.
doopnaam Lucas zeer moeilijk leesbaar.

-2-10-1723 Nicolaas Harwigh doet panding aan de mobiele goederen en het koren op de zolder van Lucas Jansen Onweer om hierop te verhalen 21 gulden vanwege de 50e penning vanwege gemaakt akkoord vanwege de landerijen door wijlen zijn broer Frerick Jansen Onweer gekocht van Jan Jansen Onweer, welke landerijen nu weer eigendom zijn van Lucas Jansen Onweer door wijlen zijn broer aan hem verkocht met inbegrip van hierop rustende schulden (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 24).

Wordt in 1736 in de boterpachtregisters genoemd, bezat toen een tweeakkerstuk. Daar zn broer Jan Jansen Onweer al voor 1736 in de boterpachtkohieren wordt genoemd, -nl. in elk geval vanaf 1721 en wel met een vierakkerstuk- en deze vanaf 1736 net zoals zn broer bezitter is geworden van een tweeakkerstuk, kan geconcludeerd worden dat het land is opgesplitst. Volgens Herman Jansen in het boek Ken uw dorp en heb het lief, blz. 147. is het Onweerserf, dat oorspronkelijk eigendom was van het klooster Sibculo, -en in 1649 of daarvoor was overgegaan naar de provincie Overijssel- op 9 februari 1717 van de gedeputeerden van de provincie verkocht aan Jan Jansen Onweer die de helft van het vierakkerstuk nog in hetzelfde jaar doorverkoopt aan zijn broer Lucas voor 750 car. guldens. Dit zou betekenen dat de gegevens van de boterpachtregisters niet up-to-date zijn. In elk geval tot en met 1733 wordt nl. alleen Jan Jansen Onweer in de boterpachtregisters als de bezitter van het vierakkerstuk genoemd. Het oorspronkelijke vierakkerstuk was belast met 16 pond boter voor het Huis Almelo en met de "geregtigheid van haver ende een schepel rogge aan de Pastoor" plus een schepel jufferenhaver te betalen aan de Kerkvoogdij te Almelo ten bate van de aldaar ingestelde tweede predikantsplaats. (citaat uit het boek Ken uw dorp en heb het lief, blz. 147).
Bij de belastingen der personele quotisatie van 1750 wordt zijn jaarinkomen onder de 200 gulden geschat. Van het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Lucas 1 paard had en 20 bijenkorven, daarmee was Lucas de grootste imker van Vriezenveen in deze tijd. In 1762 is het aantal bijenkorven zelfs uitgegroeid tot 33! (Bron archief Huize Almelo, belastingregisters reliqua).


Lucas wordt nog genoemd in het boterpachtregister van 1763, hij had zn landerijen toen inmiddels uitgebreid en was bezitter geworden van een vierakkerstuk.

Met de volkstelling van 1748 wordt de weduwnaar Luicas Onweer genoemd en zijn 2 kinderen Janna en Jasper (beiden ouder dan 10 jaar).

Nog genoemd in de kohieren van het hoofdgeld in 1760, aangeslagen voor 1 gulden en 14 stuivers voor 3 personen, dat is ongeveer 57 cent p.p. wat aardig boven het Vriezenveense gemiddelde van 39 cent lag. In 1753 lag de aanslag nog op 1,30 voor 3 personen wat ca. 43 cent p.p. is en daarmee iets boven het gemiddelde van 39 cent p.p..

Op 20-4-1754 wordt Lucas samen met zijn broer Willem benoemd tot momber over Hendrik Jansen Onweer, de zoon van hun broer Jan Jansen Onweer. Jan Frederik Fronten die eerder momber was, geeft het momberschap op omdat de nalatenschap van Jan Jansen Onweer teveel werk vergde, de "daaruyt voortgevloeyde administratie en sijne effecten" zijn hem teveel. (Archief Huize Almelo inv. nr. 2958).

Lucas Onweer wordt genoemd als getuige in een proces dat handelt om de mishandeling van Lucas Jonker door Harmen Klaassen (processtuk 8-3-1747 Archief Huize Almelo inv.nr. 2932). Lucas zegt dan omtrent 48 jaar oud te zijn.

Op 6-12-1755 wordt de overdrachtsakte opgemaakt ("cessie van transport") van de verkoop van een stuk hooiland door Lukas Jansen Onweer voor de som van 250 car. guldens. Het stuk land is gelegen in de landerijen van Lucas Lucassen beginnen bij de Wetering tot aan de Aa en genaamd de Agtermaat en was eerder door Lucas Jansen Onweer gekocht van wijlen Lukas Jansen en wordt verkocht aan Geertjen Fronten, wed. van Hendrik Feijer (bron: archief schoutamt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij het overlijden van Lucas Jansen: genoemd als getuige in een kwestie inzake de kerkmeesters (20-3-1781), verklaart dan ca. 83 jaar oud te zijn.

394. Derk Jansen Faijer (dezelfde als 258), tr. 2e omstr. 1713
395. Jennigje Geerts (dezelfde als 259).

396. Derk Jansen Faijer (dezelfde als 258), tr. 2e omstr. 1713
397. Jennigje Geerts (dezelfde als 259).

398. Jan Gerrits ten Cate (dezelfde als 294), tr. Vriezenveen omstr. 1719
399. Aeltjen Jansen Scholl (dezelfde als 295).

Notitie bij Jan Gerrits: landbouwer, maar waarschijnlijk ook koopman. Ook zijn schoonvader en zoon handelden en vaak was het zakendoen in Vriezenveen een familieaangelegenheid.
In 1734 en 1739 is hij n van de taxateurs van de 1.000e penning. Dat wil zeggen hij stelde mede de rekening op en moest deze goedkeuren. In 1734 blijkt Jan (voor zaken?) in Holland te zijn. Daarom kan hij de eindrekening niet ondertekenen (bron: Statenarchief van Overijssel, inv. nr. 2553).

Jan moet dus een invloedrijk man geweest zijn. Ook was hij in 1739 n van de kerkmeesters van Vriezenveen.
Bewoonde het ouderlijk erf aan het Westeinde (in de buurt van nummer 540 huidige nummering), heeft hier 3 akkers land. Wordt in de boterpachtkohieren vanaf ca. 1735 genoemd. In 1719 en 1729 woonde hier ook een zekere Hendrik Gerritsen ten Cate. Dat is de broer van Jan die reeeds jong overleed. (zie notities en testament bij broer Hendrik Gerrits ten Cate).

Op 6-2-1723 daagt Nicolaas Harwig Jan Gerrits ten Cate voor het gericht vanwege een schuld van 24 gulden en 4 stuivers die aan hem uitgeleend waren, maar niet teruggegeven (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23).

In 1748 bij de volkstelling worden naast de kinderen Jenneken en Frederica ook nog een knecht genoemd. Deze heet Gradus Gerritsen.
Zijn vermogen wordt in het kohier van de 1.000e penning van 1734 en 1739 geschat op 1200 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2550 en 2553).
Ook in 1751 werd het geschat op 1200 gulden en een extra 200 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
In het kohier van 1758 wordt hij genoemd met een vermogen van 1325 gulden.

In 1753 wordt Jan ten Cate inzake het hoofdgeld voor 5 personen aangeslagen en moet hij 2,15 betalen. Dat is 43 cent per persoon en daarmee was deze aanslag wat hoger dan gemiddeld (39 cent).
Jan wordt nog in het hoofdgeldkohier van 1760 genoemd, maar ook in het boterpachtregister van 1763. In het hoofdgeldkohier van 1760 wordt Jan aangeslagen voor 1 persoon, zijn vrouw zal zijn overleden; hij moet 1,02 betalen, een erg hoog bedrag aangezien het gemiddelde dat jaar 39 cent per persoon was.

met zijn vrouw genoemd in testament van dochter Grietje ( en echtgenoot Roelof Wichers)13-04-1753 (Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 28-02-1756 verklaren Jan ten Caate en Aaltjen Schol op 25-01-1742 een halve akker hooiland verkocht (erfkoop) te hebben aan Hendrik ten Caate (Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

akte van transport d.d. 07-10-1758 inzake aankoop van 3 akkers land en huis d.d. 29-09-1757 uit de boedel van Gerrijt Berens ten Caate door Jan Gerrijts ten Caate van Andries ten Cate, koopman te Almelo voor een som van 1200 car. guldens.(bron: archief schoutambt Vriezenven, inv. nr. 2675).

Schoonzoon Gerrit ten Cate (gehuwd met Frederika ten Cate dochter van Jan Gerrits ten Cate en Aeltjen Scholl, was o.a. in 1749 in Sint Petersburg, toen hij 10 roebel leende van Jannes Derks Faijer). Bron: D.G. Harmsen: Vriezenveners in Rusland.

akte van transport d.d. 28-03-1772 verkoop door de erven van Jan ten Cate voor 190 gulden van enig bouwland, gelegen in het zogenaamde Croemenland, aan Gerrit Lucas en Derk Arents Smit.
en d.d.09-04-1772 verkoop van een stuk grasland in het zogenaamde Croemenland voor 100 gulden aan Abraham Mokkelcate en zijn vrouw.
De genoemde erfgenamen zijn:
-Roeloff Wiegers en zijn huisvrouw Grietjen ten Cate
-Harmannus Boesschen en zijn huisvrouw Janna ten Cate
-Jannes Derksen Faijer als vader en wettig voogd van zijn kinderen, verwekt bij wijlen zijn huisvrouw Henderikjen ten Cate
-Hendrik ten Cate "de rato laverende voor Gerhardus Rhee" als voogden van Bernardus ten cate, zoon van wijlen Gerrit ten Cate verwekt bij wijlen zijn vrouw Frederica ten Cate.

400. Roelof Willemsen, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen vr 1759, tr. 1e omstr. 1713 Armken Geerts, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen na 5 aug. 1714, dr. van Geert Hermsen Holst (Hulst of Huls) (zie 518) en Cunne Roelofs Smelt (zie 519); tr. 2e omstr. 1716 Berendjen Lucas, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen na 8 febr. 1717, dr. van Lucas Berents Coster (zie 592) en Berendje Berents (zie 593); tr. 3e omstr. 1717
401. Aeltjen Berendsen, geb. omstr. 1695, † Vriezenveen na 1759.82

Notitie bij Roelof: landbouwer. Woonachtig aan het Oosteinde 161 (huidige nummering). Bron: blz. 93 Ken uw dorp en heb het lief. In de boterpachtregisters van 1713-1755 genoemd als eigenaar van 4 1/2 akker land. Hij is de opvolger van zijn vader Willem Jansen, die in 1708 nog als eigenaar staat vermeld.

Op 08-02-1717 maken Roelof Willemsen en een zieke Berendjen Lucas (geassisteerd met de tot voogd aangestelde Gerrit Bartelink) hun testament, Roelof vermaakt zijn nalatenschap aan zijn vrouw, met de clausule dat zoon Willem Roelofsen zijn rechtmatig aandeel uit de nalatenschap krijgt.
Testatrice benoemt tot erfgenaam haar broers Jan en Gerrit Lucas aan wie ze haar kist met kleren en lijfsgoederen vermaakt en Gods armen kunnen 25 car. guldens tegemoet zien. Verder vermaakt ze de rest aan haar echtgenoot, onder het beding dat haar vader Lucas Berends zijn legitieme vaderdeel ontvangt. Berendje ondertekent het testament met haar naam, Roelof Willemsen ondertekent met een kruisje.(bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

In 1737 in het hoofdgeldkohier aangeslagen voor 2 personen met een aanslag van 1,10; betaalt hiermee 0,55 per persoon, wat boven het gemiddelde van de aanslagen op het Oosteinde was nl.0,46.
Op 20 januari 1730 wordt door de gemeente aan Roelof Willems de pacht vergund van de A-brug, kennelijk een plek waar tol verschuldigd was (HAA inv. nr. 2737).

In het register van de 1.000e penning, een belasting op vermogen wordt Roelof Willems voor het eerst in 1734 genoemd (in 1715 staat hij nog niet vermeld), zijn vermogen wordt dan geschat op 600 gulden (Statenarchief inv. nr. 2550). Ook in 1739 wordt hij geschat op dit bedrag aan vermogen (Statenarchief inv. nr. 2553). In 1751 is dit vermogen gegroeid tot 1125 gulden (Statenarchief inv. nr. 2556); daarmee behoorde Roelof zeker tot de beter gesitueerden van het dorp.

Tijdens de volkstelling van 1748 wordt het gezin genoemd:
Roeloff Willemsen en Aeltjen Berentsen en de kinderen boven 10 jaar: Berend Alberts, Jan Roelofsen, Kunne Roelofsen en Willem Roelofsen. NB Berent Albert wordt per abuis vermeld met het patroniem Alberts. Een dubbele voornaam was in deze tijd in Vriezenveen dan ook erg ongebruikelijk en zorgde dus kennelijk voor verwarring. Berend Albert Roelofsen wordt als Berent Albers genoemd in het register van de 1.000e penning van 1758. Hij wordt dan niet belast, vermogen van hem is op 0,- gesteld; dit betekent dat zijn vermogen lager was dan 500 gulden (dat jaar de grens voor de belasting). Kennelijk is de boedel dan verdeeld en is het vermogen versnipperd geraakt. Roelof Willemsen zal dan waarschijnlijk overleden zijn.

Roelof Wilms wordt genoemd in testament van dochter Kunnigjen Roelofs op 08-12-1759 (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij Aeltjen: genoemd in testament van zoon Berent Albert Roelofsen op 15-12-1753 (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2674).
genoemd in testament van dochter Kunnigjen Roelofs op 08-12-1759 (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

402. Berend Berendsen Hollander (dezelfde als 352), tr. omstr. 1715
403. Berendje Gerrits (dezelfde als 353).

404. Harmen Wolters Schipper, geb. Vriezenveen omstr. 1679, † ald. vr 1731, tr. 1e Vriezenveen omstr. 1703 Geertjen Jansen, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen na 1704, dr. van Jan Jansen Beute; tr. 2e omstr. 1709
405. Aeltjen Frericks, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen na 1748.83

Notitie bij Harmen Wolters: landbouwer, bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 295-297 (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 127) bekend als het Schipsspil, had het erf overgenomen van Jan Jansen Beute. In het boterpachtregister van 1713 voor het eerst vermeld. Huwde door zijn eerste huwelijk met Geertjen Jansen in op dit erf. Het goed omvatte aanvankelijk 5 akkers. In ca. 1735 omvatten de landerijen 3 1/2 akkers met broekland. Eigenares was toen de weduwe Harmen Schipper. In 1740 was het land weer uitgebreid tot 5 akkers. In 1752 heeft de zoon Wolter Schipper de landerijen in bezit volgens het boterpachtkohier van dat jaar.

Op 06-05-1717 wordt Berent Wolters Schipper, samen met zijn broer Hermen genoemd als de voogden van de onmondige kinderen van Geertjen Peters (weduwe van Hendrik Prinsen); zie notities hierover bij Jan Jansen Glas. Daarmee wordt bevestigd dat hun moeder Berentjen Peters en Geertjen Peters vrijwel zeker zusters van elkaar waren. Als voogden werden namelijk meestal bloedverwanten aangesteld. Berentjen Peters zal dan de oudere zuster van Geertjen zijn geweest.(bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).
Notitie bij het overlijden van Harmen Wolters: op 17-01-1732 is er een dispuut over de erfscheiding van het land tussen dat van de wed. Harmen Schipper en Berent Smelt (AHA inv. nr. 3137). In het vuurstedengeldregister van 1731 staat vermeld de wed. Hermen Schipper.
Notitie bij het overlijden van Aeltjen: leeft nog met de volkstelling van 1748, vermeld als de wed. Harmen Schipper.

406. Egbert Berends de Groote, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen vr 1760, tr. 2e vr 1748 Jenneken Berents, geb. omstr. 1700, † Vriezenveen na 1748; tr. 1e omstr. 1715
407. Jennigjen Egberts, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen vr 1748.

Notitie bij Egbert Berends: woonde aan het einde van het Oosteinde nr. 412, in de buurt van de Jan Butens (Berkhof). In het verpondings- en contributie-register van 1723 reeds vermeld als Egbert de Grote en in het verpondingsregister van 1734 vermeld als Egbart Beerens. Wordt in het hoofdgeld van 1737 aangeslagen voor 2 personen en moet 1 gulden betalen, dat is 0,50 per persoon en daarmee iets boven het gemiddelde van het Oosteinde per bewoner dat jaar (gemiddeld = 0,46). In 1753 wordt hij nog in het hoofdgeldkohier genoemd. In 1760 woont op dezelfde plek een zekere Gerrit Dodde, schoonzoon, hij noemde zich volgens Andr Idzinga (Vriezenveners.nl) ook wel de Groot en hij was getrouwd met Aeltjen de Groot, de dochter van Egbert Berends de Groot. In 1801 verkocht hij het oude erf van de familie de Groot aan de familie Berkhof (de admiraal Wicher Berkhof bracht er z’n jeugdjaren door)
Egbert is niet in de boterpachtregisters te vinden en waarschijnlijk was hij ook geen boer, maar ambachtsman. Mogelijk evenals meerdere leden van deze familie timmerman. een drietal achterkleinkinderen van Egbert is later in de handel in Sint Petersburg te vinden.
In 1748 wordt het gezin genoemd, met dan alleen nog inwonend de jongste dochter Aeltjen. De vrouw van Egbert is dan echter genaamd Jenneken Berends, of dit een verschrijving is of een andere echtgenote is onduidelijk, waarschijnlijk is hij voor een tweede keer getrouwd.
Andr Idzinga (Vriezenveners.nl wijst aan nog een andere Egbert Berends (gehuwd met Fredrikjen Hendriks) de naam de Groot toe. Deze leeft tegelijkertijd. Ik heb het idee dat dit onjuist is, in elk geval is bij geen van de dopen van hun kinderen de naam de Groot vermeld.

In het register van de 1000e penning van 1751 wordt Egbert Berents [de Groot] aangeslagen voor een vermogen van 300 gulden (Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). Met dit vermogen behoorde Egbert zeker niet tot de armlastigen, maar ook niet tot de bovenlaag van meer welgestelden.

Op 28-10-1751 kopen Egbert de Groote en zijn huisvrouw wat bouwland, gelegen in het zogenaamde Kintmanland, voor en bedrag van 112 car. guldens van de wed. van Jan Wilms (Bron: Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Later woont schoonzoon Gerrit Jansen Dodde op dit erf (bron: Boerboek

408. Frerick Gerrits Bramer, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. omstr. 1712, tr. Vriezenveen 16 aug. 1685
409. Hermken Hendriks Neve, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. na 1719.

Notitie bij Frerick Gerrits: Ook Braemhaer(s) genoemd. Heeft 5 akkers land aan het Oosteinde (in de buurt van nummer 193 huidige nummering). Wordt vanaf 1692 in het boterpachtregister genoemd, als hij 4 1/2 akker land van zijn schoonvader Hendrick Hermsen Neve heeft overgenomen. In 1713 heeft zijn weduwe het erf overgenomen en daarna (1719) woont er diens zoon Hendrik (schout 1750) en kleinzoon Gerrit (verwalter-schultus).

Zit er warmpjes bij; wordt in het hoofdgeldkohier van 1694 genoemd als bezitter van een eigen vermogen van 2000 caroli guldens. Behoort hiermee in die tijd tot de rijkste Vriezenveners.
Notitie bij het overlijden van Hermken Hendriks: In 1719 nog in het boterpachtregister genoemd als de weduwe Frerick Braemhaers.

410. Hendrick Gerrits Winter, geb. 1655, † Vriezenveen omstr. 1736, tr. omstr. 1697
411. Aeltjen Jansen (ook Teunis), geb. omstr. 1665, † Vriezenveen na 1748,84 tr. 1e Vriezenveen 1 juli 1694 Henrik Roelofs Winter, geb. Vriezenveen omstr. 1670, †?, zn. van Roelof Berents.

Notitie bij Hendrick Gerrits: Woonde in de buurt van het bekende Wintererf (Westeinde 412 huidige nummering). Zie hiervoor Herman Jansen in Ken uw dorp en heb het lief (blz. 229). Van Hendrick is geen huwelijk te vinden in huwelijksregister van de hervormde kerk te Vriezenveen. Wordt vanaf 1704 genoemd in de boterpachtregisters als opvolger van Berent Roelofs Winter (een broer van Aaltje Janssens eerste man Hendrik Roelofs Winter?) heeft dan 4 akkers land.

9-1-1702 lenen Berent Otten en Stijne Janssen 250 gulden van Henrik Gerritsen Winter en Aaltje Teunis (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2673)

Zoon Gerrit Winter (o.a. in 1752 schout van beroep) en zijn vrouw Gezina Egbertsen (Raphuijs), bewonen later het erf (1748) er is dan ook een dienstbode in de huishouding, zij heet Maria Harmsen. In 1763 bewoont Gerrit Hendrix Winter het goed nog steeds (bron: boterpachtregisters).

Volgens de registers van de 1.000e penning zat Hendrik Winter er warmpjes bij. In 1717 wordt zijn vermogen geschat op 2500 gulden, in 1734 en 1739 is dit nog steeds een aanzienlijke 1800 gulden. Zoon Gerrits vermogen wordt in 1751 geschat op 1300 gulden.

NB. Volgens Herman Jansen (in Ken uw dorp en heb het lief, blz.233 is Gerrit Frederiks Winter o.a. gehuwd met Johanna van Olde schout van Vriezenveen geweest. Deze conclusie is onjuist. Uit het boterpachtregister van 1755 blijkt dat het Gerrit Hendriks Winter moet zijn geweest, hij staat nl vermeld als " doud scholte Gerrit Henderix Winter" .

Henrick Gerrits Winter is getuige op 25 februari 1712 in het proces tussen Jan Smelt en de Heer van Almelo. Getuige verklaart dan 57 jaar oud te zijn en niet verwant te zijn aan Jan Smelt (bron: stadsarchief Deventer, toegang 691, inventarisnummer 743A, aanvraagnummer 22575).

akte van verkoop land door o.a. de weduwe van Hendrik Winter op 5-8-1746 (archief familie Schipper)
Notitie bij het overlijden van Hendrick Gerrits: rond 1736 is de naam van Hendrick Winter in de diverse belastingregisters verdwenen, oa belasting op dienstboden en belasting op het geslacht.
Notitie bij Aeltjen: Op 19-02-1746 wordt Aaltje Jansen genoemd in een akte van verkoop van land. Zij is n van de erfgenamen van Hendrik Roelofs Huisman.

Genoemd worden als verkopers van een "goorden" die voorheen eigendom was van Hendrik Roelofs Huisman:
Fenneken Jansen, weduwe van Harmen de Graaff geassisteerd met haar zoon Jannus Harms de Graaff die zij tot haar "mombaar" heeft verkozen. Verder Garrijt Winter en Hendrik Braamer, namens hun moeder c.q. schoonmoeder Aaltjen Jansen, weduwe van Hendrik Winter, te samen erfgenamen van wijlen Hendrik Roelofs Huisman. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Aeltjen Jansen treedt op als de "suster Winter Henrix frouwe" die het kind van haar zus Fenneken Jansen ten doop hield
doopregistratie van Jan Grave:
Den 5 Juny 1702
Hermen Janszen Grave ende Fenneken Janszen
NB. Dit laetste kind aengaende de moeder die gereformeerd is heeft
mij door haer suster Winter Henrix vrouwe die ’t kind ten doop hield,
laten zeggen, dat bezorgen zoude bij leeven ende gezondheid, dat ’t
zelve niet met zijn vader, die paeps zijnde van huis was ginge, maer
onze leere opgetrokken wierde.

412. Albert Freriks Jonker, geb. Vriezenveen 1677, † ald. 1748,85 tr.
413. Jenneken Lucassen Smit, geb. Vriezenveen omstr. 1680, † ald. na 2 mei 1761.

Notitie bij Albert Freriks: volgens lokaal dorpshistoricus Herman Jansen zou Albert heelmeester zijn geweest, de stukken hierover in het archief duiden echter op heelmeesterij door zijn schoonmoeder, de wed. Lucas Smit, die in 1741 haar heelmeesterrekeningen gend tracht te krijgen van de weduwe Gerrit Bartelink. Het betreft rekeningen over de jaren 1704-1720 en haar schoonzoon Albert Jonker vertegenwoordigd haar hierbij voor het schouten gericht (bron: archief Sch. ambt Vr.veen, inv. nr. 26, foto 108). in 1735 genoemd als keurnoot (bron: Archief Huize Almelo inv. nr. 2932).
Bewoonde het zogenaamde ouderlijke Poortmanserf aan het Oosteinde 294 (huidige nummering). Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 139,140). De woning zou nog aan de oude Butereweg hebben gestaan volgens overlevering. In het archief van de familie Kruys in het NIMH zit wel een rekening die duidt op de heelmeesterpraktijken van Albert. Op 1 maart 1744 krijgt hij voor meesterloon over 1743 van de kerkmeesters Jan Prinsen en Jan Cruijs 31 guldens vanwege een contract wat Albert met hen heeft om de armen van Vriezenveen te behandelen (NIMH Kruysarchief, inv. nr. 9).

In 1723 genoemd als diaken van de kerk, is getuige, ouderdom is dan 45 jaar (bron: inv. nr.85 archief classis NH kerk; Stadsarchief Deventer).
Op 25-10-1731 repareert hij samen met Egbert Hendrix Beemer de sluis bij het Kooikershuis en ontvangt daarvoor een gage van 76 guldens (bron: AHA inv. nr. 1731).

In 1731 komt Albert Jonker een aantal keren in het breukregister (= register van overtredingen) voor. Hij heeft het een aantal keren aan de stok met Hendrik Jansen Post over belasting kwesties. Hendrik schold Albert op 30 september in het huis van de schout uit voor een "pachters schrapers duijvels". Naast scheldwoorden was men elkaar ook fysiek te lijf gegaan. (bron: AHA inv. nr. 3241). Albert werd er dus van beschuldigd bij de belastinginning niet erg coulant te werk te zijn gegaan.

In 1739 bij een gerechterlijk vooronderzoek, inzake vervolging van Hendrik Roelofsen Huisman, wordt Albert genoemd als geautoriseerde scholte, dwz dat hij als schout optrad, maar het niet was. Waarschijnlijk was hij wel kerkmeester.
In 1737 wordt Albert, inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet hij 1,60 betalen. Dat is zon 0,53 per persoon tegenover een gemiddelde in het Oosteinde van 0,46.
Komt in de archieven voor als hypoytheekverstrekker en als schuldeiser voor geleverde diensten als heelmeester.
In 1748, bij de volkstelling, staat hij als inwonend vermeld bij zijn zoon Lucas Jonker.

Volgens het register van de 1.000e penning uit 1715 beschikte Albert over een behoorlijk vermogen van 1100 gulden. In 1734 en 1739 is dit geslonken tot 800 gulden (bron: Statenarchief Overijssel, inv. nrs. 2747/-50/-53).

Op 12-06-1720 verkoopt Trine Jansen, de weduwe van Jan Luijrink (ook wel Leijerink genoemd) voor 117 car. guldens 2 want bouwland en een gaarden voor 51 car. guldens en 5 stuivers en een grasgaarden liggende achter de buijterenweg voor 85 car. guldens en 10 stuivers aan Albert Freriksen Jonker en Jenneken Luicas Smidt. Deze laatste aankoop is ten behoeve van zijn zuster Frerikjen Freriks Jonker, weduwe van wijlen Berend Jansen Olijslager.

Volgens het breukgericht van 08-06-1731 wordt Gerrit Frerix ten Cate die dag beboet met 5 gulden omdat hij "de Jonker" had uitgescholden voor een schelm (AHA inv. nr. 3241).

22-05-1745 Hermen Prinse en echtgenote Hendrikje Berends Schuurman citeren Albert Freriks Jonker vanwege niet betaalde gelden inzake de verkoop in 1745 een akker hoevenland op de Oosterhoeven gelegen voor de som van 161 kar. guldens bij leverantie in mei 1745. (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 26 foto 264).



Op 27-07-1748 maken Albert Freriks Jonker en Jenneken Lucas hun testament. Albert heet enigszins zwak te zijn. Tot hun erfgenamen benoemen ze hun vijf kinderen, Jan Jannes, Beerntjen, Lucas en Frerik. Albert Jonker zet zijn handtekening onder het testament Jenneken tekent met een kruisje (archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij de geboorte van Albert Freriks: In 1723 genoemd als diaken van de kerk, is getuige, ouderdom is dan 45 jaar (bron: inv. nr.85 archief classis NH kerk; Stadsarchief Deventer).
Albert Jonker is getuige in een proces in 1731 en verklaart dan 54 jaar oud te zijn en moet dus geboren zijn ca. 1677 (Archief Huize Almelo inv. nr. 2932).
Notitie bij Jenneken Lucassen: Jenneken wordt nog genoemd in het hoofdgeldkohier van 1760, als de weduwe Albert Yonker. Zij wordt dan aangeslagen voor 0,40. Dat is een gemiddelde aanslag voor die tijd (0,39).

Op 23 januari 1708 kopen Jan Hendriks Post Olde en Jenneken Lucassen een aantal stukken land van Berendje Roelofs wed. van Jan Jansen Egberts (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2673 foto 105).


Op 02-05-1761 genoemd in het testament van zoon Jannes Alberts Jonker (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).

414. Harmen Wolters Schipper (dezelfde als 404), tr. 2e omstr. 1709
415. Aeltjen Frericks (dezelfde als 405).

424. Gerrit Willemsen Roltvoort (later Vorink), geb. omstr. 1665, †?, tr. 1e vr 1689 Zwaantje Gerrits Vorink, geb. omstr. 1665, † Notter bij Wierden vr 1697; tr. 2e Hellendoorn 30 jan. 1698
425. Hille Harmsen op het Nijmeiers, geb. Hellendoorn, ged. Hellendoorn 29 sept. 1667, †?.

Notitie bij Gerrit Willemsen: landbouwer op het erf Rol(t)voort te Notter bij Wierden. Woont aanvankelijk in het Broeklant onder Raalte (1689).
In 1689 worden Gerrit Willems Roltvoort, alias Vorink en vrouw Zwaantje Gerrits genoemd als kerkelijke lidmaten te Notter onder Hellendoorn. Gerrit is op het Vorinkerf in gaan wonen, want bij zijn tweede huwelijk (1697) staat vermeld dat hij woont op het Vorink onder Rijssen.
Of Gerrit de naam Vorink aan het erf van zijn eigen ouders of dat van zijn schoonouders heeft ontleend is mij vooralsnog onduidelijk.
Notitie bij Hille Harmsen: het Nijmeiers is een boerenerf in Hellendoorn gelegen (bij het buurtschap Haarle).

426. Hendrik Jansen Borneman (ook Haarkamp), geb. 1683, † Notter bij Wierden na 1748, tr. Hellendoorn 5 sept. 1708
427. Fenneken Henricks opt Haercamp, ged. Hellendoorn 15 febr. 1685, † Notter bij Wierden na 1748.

Notitie bij Hendrik Jansen: Ook wel Boorneman genoemd, noemt zich na zijn huwelijk Haercamp op welk erf hij zich vestigde. Met de volkstelling van 1748 wordt het echtpaar Haerkamp genomed als de "oude lieden", er worden nog als inwonend vermeld 2 kinderen boven de 10 jaar, te weten Jan en Hendrikje. Het moet toch een goed van aardige omvang zijn geweest, want daarnaast wordt vermeld dat er een scheper was die Hendrik Nollen heette en een meid "Aelken Haercamp" genaamd. Verder was nog inwonend als kostganger Harmannus Olthof.
Notitie bij de geboorte van Hendrik Jansen: treedt in 1755 als getuige op in een grensdispuut tussen Almelo en Wierden. Verklaart dan ongeveer 72 jaar oud te zijn en ongeveer 40 jaar in de marke van Wierden te hebben gewoond (bron: AHA inv. nr. 1481).

428. Willem Schuttevaar, geb. Eelen (Hellendoorn), ged. Hellendoorn 28 juli 1689, † Eelen (Hellendoorn) vr 1748, tr. Hellendoorn 31 okt. 1717
429. Jenneken Everts vant Boomkate, geb. Notter bij Wierden omstr. 1689, † Eelen (Hellendoorn) na 1748.

Notitie bij Willem: woonde volgens de trouwakte opt Schuttevaars te Elen..
Bij de volkstelling van 1748 worden genoemd:
Jenneken Everts wed. van Willem Schuttevaar, kinderen boven de 10 jaar Beerent en Jan en verder nog een meid, Jenne Gans geheten.
Notitie bij Jenneken Everts: afkomstig van het erve Boomcate of Boomkate te Notter (tussen Hellendoorn en Wierden). Moet toch een erf van redelijke omvang zijn geweest aangezien in 1731 Jan Berends en Harmken Hendriks, meid en knegt opt Boomkate beleidenis van het geloof doen.
Er is geen doop van haar te vinden, ze doet rond 1725 samen met haar broers Jan en Willem beleidenis. Ze worden genoemd "de Boomkate kinderen". Hoewel vader Evert eerder gehuwd was met een zekere Egbertjen Harms ga ik er toch van uit dat Grietjen Jans de moeder is vanwege de vernoeming naar haar van een dochter van Jenneken Boomkate en Willem Schuttevaar.

430. Esse Jans Colman, geb. Notter bij Wierden, ged. Rijssen 8 nov. 1688, † Notter bij Wierden na 1750, tr. Hellendoorn 19 mei 172686
431. Aaltjen Roelofs Kalvenhaar, geb. Hulsen onder Hellendoorn, ged.,43 † Notter bij Wierden (?).

Notitie bij Esse Jans: in het kohier van de 1.000e penning van Kedingen uit 1750 staat Esse Colman te Notter vermeld als eigenaar van een dagwerk hooiland "Het Logter Maatjen" genaamd dat op een waarde van 200 gulden wordt geschat. het erve Colman wordt zelf op een waarde van 500 gulden ingeschat (Statenarchief inv. nr. 2556).

432. Jan Gerritsen Smelt, geb. Vriezenveen 1662, † ald. omstr. 1720, tr. Vriezenveen 1 juli 1694
433. Hendrikje Jansen van der Aa, geb. Vriezenveen omstr. 1675, † ald. na 13 maart 1756.

Notitie bij Jan Gerritsen: landbouwer, bewoonde Oosteinde nr. 191 (huidige nummering), (Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 101).
Had een omvangrijk erf nl. bijna 8 akkers (boterpachtkohier 1705), wordt vanaf ca. 1695 in de boterpachtkohieren genoemd. Wordt in het boterpachtregister over 1718 nog genoemd, bezat een 6 akkerstuk. In 1721 wordt de weduwe Jan Gerrijtsen Smelt genoemd als eigenares. Zij wordt nog in 1734 in de boterpachtregisters genoemd. Het goed gaat over naar de familie Jonkman. Jan Jansen Jonkman, wiens vader Jan met een dochter van Jan Gerrijtsen Smelt was getrouwd (nl. Jenneken Jansen Smelt) wordt in het boterpachtregister over 1736 als eigenaar van dit goed genoemd. De conclusie die Herman Jansen in zijn boek Ken uw dorp etc. op blz. 128 trekt dat Jan Gerrijts Smelt Oosteinde 248 zou hebben bewoond is daarom onjuist.

Jan Gerritsen heeft het erf overgenomen van Henr. Brinckhuis die daarvoor het erf bezat. Of hier een familierelatie ligt is niet te zeggen, maar dat zou heel goed kunnen.

Jan wordt in het register van de 1.000e penning van 1715 aangeslagen voor een geschat vermogen van 500 gulden.

transportakte van 4 mei 1765 (Archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676)
op 4 mei 1765 verkopen de erfgenamen van de weduwe van Jan Gerritsen Smelt, met name Jan Jonkman, Berent Engbers (gehuwd met Geertjen Smelt dv Gerrit Jansen Smelt), Hindrikjen Gerrits Smelt en Jan Roelofsen, mede voor de overige kinderen en erfgenamen van de weduwe Jan Gerritsen Smelt een halve akker hooiland gelegen in het Eubenland voor 140 guldens aan Lukas Derks (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).
Het is moeilijk alle erven als nakomeling te linken aan Jan Gerritsen Smelt.
Het erf is later in handen van schoonzoon Jan Jonkman (gehuwd met Jenneken Jansen Smelt).
Notitie bij de geboorte van Jan Gerritsen: bron: Archief Huize Almelo inv. nr. 2932, betrokken bij gerechtelijk onderzoek in 1698 als getuige inzake een kwestie met Jan Bramer, alias Schppen over turf. Jan Gerritsen Smelt is dan "omtrent 36 jaer" en moet dus ongeveer in 1662 zijn geboren.
Notitie bij Hendrikje Jansen: op 4 mei 1765 verkopen de erfgenamen van de weduwe van Jan Gerritsen Smelt, met name Jan Jonkman, Berent Engbers (gehuwd met Geertjen Smelt dv Gerrit Jansen Smelt’, Hindrikjen Gerrits Smelt en Jan Roelofsen, mede voor de overige kinderen en erfgenamen van de weduwe Jan Gerritsen Smelt een halve akker hooiland gelegen in het Eubenland voor 140 guldens aan Lukas Derks (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).
Het is moeilijk alle erven als nakomeling te linken aan Jan Gerritsen Smelt.

Op 20 december 1755 verklaart Hendrikien Jansen, weduwe van Jan Gerrits Smelt dat Armke Freriks voor 28 jaar met haar moeder bij hen in huis heeft gewoond. De verklaring werd gegeven in het kader van een rechtzaak tussen Albert Jansen Santboer en de kerkmeesters van Vriezenveen. (Archief Huize Almelo, inv. nr. 3082). Bij de volkstelling van 1748 woont ze in bij haar dochter Jenneken, gehuwd met Jan Jonkman.
Notitie bij het overlijden van Hendrikje Jansen: Op 13-03-1756 vertegenwoordigt Hendrikje N.N. wed. van Jan Gerrits Smelt haar absente zoon Frerick Jansen Smelt in een verkooptransactie van een halve akker woestenland aan Berent Berents Boer (Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

434. Hendrik Berentsen Klompemaeker, geb. omstr. 1668, † Vriezenveen na 1748, tr. Vriezenveen 1 april 1694
435. Grietje Hendricks, geb. Vriezenveen omstr. 1670, † ald. na 1716.

Notitie bij Hendrik Berentsen: woont in de buurt van Oosteinde 111 (huidige nummering), ongetwijfeld klompenmaker van beroep (mogelijk ook koopman?), heeft dan ook maar 1/2 akker land volgens de boterpachtregisters. Afkomstig van het erf gelegen op Oosteinde 125-127 (huidige nummering) .
Wordt nog met de volkstelling van 1748 genoemd. Hij woont dan met 2 van zijn zoons Henricus en Rutgert (deze was absent) in op het erf van zijn overleden zoon Jan Klumper, welke gehuwd was met Aaltjen Broertjen (bron: Andr Idzinga, Vriezenveners.nl). Zoon Henricus wordt met de belasting op inkomen behoorlijk hoog aangeslagen, hij verdient tussen de 200 en 400 guldens op jaarbasis. Dit duidt erop dat deze familie in de handel zat, ook Rutger die absent was zal waarschijnlijk om handelsredenen afwezig zijn geweest.

Het vermogen van Henricus wordt in 1751 geschat op een aanzienlijke 1400 gulden (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
Wordt genoemd als n van de zogenaamde Oosterhoevenaars in 1743 en schoonvader van Harmen Smelt (bron: AHA inv. nr. 1731).
Notitie bij het overlijden van Hendrik Berentsen: ik heb verondersteld dat Hendrik Berentsen genoemd bij de volkstelling van 1748 en inwonend bij de weduwe Jan Clompemaker identiek is aan Hendrik Berentsen Klompemaeker. Hij moet dan dus na de volkstelling van 1748 zijn overleden.

436. Hendrick Jansen Aman (Getkotte te), geb. Almelo omstr. 1665, † Vriezenveen vr 24 sept. 1728,87 tr. Vriezenveen 20 nov. 1692
437. Aeltjen Tonijs vant Velthof, geb. Albergen omstr. 1665, †?.

Notitie bij Hendrick Jansen: Bij zijn trouwen aangeduid als de nagelaten zoon van Jan te Getkotte. In het zoutgeldkohier van 1694 nog als Henrick Getkaete aangeduid, is dan een pauper en hoeft geen zoutbelasting te betalen. Op 4-11-1703, bij de doop van zijn zoon Jan met de naam Aman aangeduid. Dit moet wel te maken hebben met een relatie met de boerderij de Aa, bij het riviertje de Vriezen Aa, dichtbij Almelo. Nog steeds een bestaande autentieke Twentse boerderij. Hoe de relatie met deze boerderij precies zit is niet te achterhalen.
Tot 1684 is er in de boterpachtregisters weliswaar sprake van een Hendrick Jansen van der Aa, of ook wel A.Hendrick genoemd, die kennelijk van de Aaplaats afkomstig was en wiens vader Jan Hendrickson (ook Aman genoemd), die nog op de Aaplaats had gewoond. Echter dit is toch een generatie eerder. Deze Hendrick wordt al in 1658 genoemd en kan dus onmogelijk identiek zijn aan deze Hendrick.
Mogelijk is deze Hendrick Aman, gehuwd met Aeltjen vant Velthof, knecht geweeest op de Aaplaats. Opmerkelijk is verder nog dat, de broer(?) van Hendrick , Albert te Getkate, (zoon van Jan te Getkate) 30 maart 1710 huwt met Aaltje Jansen van der Aa (nagelaten dochter van Jan van der Aa).

Waarschijnlijk is Aa Jan, die genoemd wordt in het boterpachtregister van ca. 1735 aan het Oosteinde (als medeigenaar van het versplitte Telgencampland), identiek aan Jan Aman, de zoon van Hendrick Aman.

Op 24 februari 1714 daagt Jan Schol junior "Hinrick A-man"voor het gericht vanwege een onbetaalde schuld van 6 gulden en 19 stuivers voor geleverde winkelwaren (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen inv.nr. 22).

In het archief van Huize Almelo zit een afrekening d.d. 13-09-1727 voor 10 dagwerken geleverde turf door Geert Vrijlink, de wed. Nijboer en Amansvolk. De afrekening is ondertekend door Jan Nijbuer en Griete van der A: (bron( AHA 1037). Het bedrag dat men hier voor kreeg was 30 guldens en 19 stuivers (bron: AHA1028).

In het archief van de rentmeester van Huize Almelo zit een rekening van Hendrik Getkate uit oktober 1711 waarin de kosten vermeld staan voor verteringen van de rentmeester Boom, de verwalter Drost en dokter Fockink ten bedrage van 18 stuivers. Een duidelijke aanwijzing dat Hendrik Getkateeen herberg uitbaatte (bron: AHA inv. nr. 996 foto 4021). In 1712 wordt een soortgelijke rekening vermeld van dec Kleine Getcaete. Dit lijkt dezelfde persoon te moeten zijn.
Notitie bij Aeltjen Tonijs: wellicht katholiek.
Volgens het rekenboek van de Diaconie ontving Aa:mans Aele in 1736 geld van de diaconie van de Gereformeerde Kerk. Hieruit valt af te leiden dat ze dus tot de lagere sociale klasse moet hebben behoord.
Notitie bij het huwelijk van Hendrick Jansen en Aeltjen Tonijs: 22-10-1692 - Hendrick Janssen N.Z. van Jan te Gethkotte des Gerigts Almelo en Aeltjen Tonijs N.d. van wijlen Tonijs van ’t Velthof uijt Albergen beijde wonende alhier. Copul: den 20 Novemb:

438. Klaas Harmsen Stroomers, geb. omstr. 1670, † Vriezenveen na 1728, tr. Vriezenveen 10 mei 1696
439. Jenneken Berends Faijer, geb. Vriezenveen omstr. 1671, † ald. na 1719.

Notitie bij Klaas Harmsen: ook Streumer of Stroemer. Bewoont een erf op het Oosteinde ergens in de buurt 246-248 (huidige nummering). In het verpondings en contributiekohier van 1723 als Stromer vermeld, Zijn aanslag is laag contributie is 3 stuivers en de verponding 2 stuivers en 4 penningen. In het register van het geslacht uit 1707 staat hij als Klaas Harmes te boek en in het register van de verponding uit 1719 als Klaas Stroomer.

In het zoutgeldkohier van Vriezenveen uit 1694 komt ook nog een zekere wed. Jan Stroomer voor. Zij behoort tot de paupers van Vriezenveen. Mogelijk is zij verwant aan Klaas.
Klaas treedt op 27-06-1728 als Claes Streumer op voor zijn dochter Henrikjen inzake een arbeidsconflict tussen haar en haar werkgever Berent Brouwer, waar zij in betrekking was geweest (zie notities dochter Henrikjen; bron: requesten Huize Almelo inv. nr. 2964).

Op 07-02-1719 in het schoutengericht van Vriezenveen genoemd als erfgenaam van Berent Faijer (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2674).
Notitie bij het huwelijk van Klaas Harmsen en Jenneken Berends: 18-04-1696 - Claes Hermssen, N.Z. van wijlen Hermen Claessen, J M, en Jennighjen Berents, Dochter van Berent Janssen, beijde alhier. Copul: den 10 Maij

440. Jan Waanders Tromp, geb. Wierden omstr. 1670, † Vriezenveen na 1727,88 tr. 1e Wierden 18 febr. 1694 Swaantjen Jansen, geb. Den Ham, † Wierden omstr. 1706; tr. 2e ? omstr. 1705
441. Geesien Simons, geb.? omstr. 1680, † Wierden na 1718.

Notitie bij Jan Waanders: de naam tromp komt aanvankelijk bij deze familie sporadisch voor, maar toch zijn er een aantal familielijnen te ontdekken met de naam Tromp.
Zo is daar Bernt Warners die te Wierden in 1688 huwt en wiens dochter Anna Tromp heet (op 9-4-1711 trouwt ze met Jan Hendricks). Verder nog een vermeende broer Hendrik Werners die in 1680 trouwt met Maria Jansen, ook nakomelingen van hem noemen zich Tromp (Hendrick Hendricks Tromp wordt genoemd in 1709 bij huwelijk van zijn dochter Jenneken Tromp met Derck Jansen van Dalfsen).
De naam Tromp in combinatie met de naam Warner, -die als voornaam in Wierden vrij zeldzaam was en die bij de eerste generaties Tromp van diverse takken veelvuldig voorkomt-, is de belangrijkste reden om te veronderstellen dat het hier toch om n familie gaat met eenzelfde stamvader die Jan Warners heet.

Er is in Wierden geen registratie van het huwelijk te vinden van Jan Waanders Tromp en Geessien Simons. De familienaam van Geesien is zeker een naam die niet afkomstig is van Wierden, mogelijk Hellendoorn waar een boerenerf het Simons was gelegen (?), maar ook daar is geen huwelijksregistratie van het echtpaar te vinden. Mogelijk komt Geessien uit de Noord-Westhoekvan Overijssel of Drenthe waar Simon een meer algemene naam was.

Volgens het archief van schoutambt Vriezenveen bewoonde Egbert Tromp het huis te Vriezenveen, waar zijn vader (Jan Waanders dus) ook al een geruime tijd aan jaren had gewoond (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 31; zie ook notities bij kleinzoon Jannes Tromp).

442. Berent Claesz. Raphuijs, geb. Vriezenveen omstr. 1680, † ald. na 1760, tr.
443. Geertjen Warners, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen na 1748.

Notitie bij Berent Claesz.: Zal in het dagelijks levene "Rappert Beerens" hebben geheten, zo luidt zijn naam bij de doop van zijn laatste kinderen, een tweeling in 1724.
In het volkstellingsregister van 1748 worden Berent en zijn vrouw nog genoemd, inwonend zijn verder nog de zus van Berent, Janna Raphuis, weduwe van Jannes Luicas en 4 van haar kinderen.

Berent woonde in de buurt van de kerk aan het Westeinde. Hij wordt in het boterpachtregister van 1735 genoemd, hij had een halve akker land in bezit van het opgesplitste Pixensland een stuk westelijker op het Westeinde.

Berent is waarschijnlijk op oudere leeftijd een echte armoedzaaier geweest in het hoofdgeldkohier van 1753 en 1760 wordt hij weliswaar vermeld. Hij wordt echter niet belast en bij zijn naam staat de registratie van 0 personen. Zijn beroep is te herleiden uit het hoofdgeldkohier van oa. 1740 en 1742 daar wordt hij vermeld als Rappert Snijder. Dit betekent dat hij kleermaker zal zijn geweest. Hij wordt in die jaren voor 4 personen aangeslagen en is 1 gulden verschuldigd.

In 1714 wordt Berend Klaasen Raphuijs door Geerlig Warners voor het gericht gedaagd vanwege uitstaande schulden (4 gulden en 4 stuivers) vanwege geleverde winkelwaren (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 22).

24-02-1725 Adolph Henrik Harwig en Berent Raphuis als volmachtigers van de minderjarige Janna Raphuis overleden bij derselver minderjarigheid contra haar mombaren Evert Harmsen Coster en Hendrik Arends, Janna Raphuis heeft al een aantal keren om rekening van haar mombaren verzocht. heer van Almelo heeft dit verzoek gehonoreerd en de erven van Henrik Arendsen om rekening verzocht.
27-10-1725 de erfgenamen van wijlen kerkmeester Hendrik Arends [Schuurman] met name: Jan Prinsen, Arend Hendriks, Janna Hendriks, Gerrit Berkhoff en Jan Lucas Koster, Egbert Jansen Roest, Jan Hinrixen en Berendje Hinrixen. contra Janna Raphuis (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 24 foto 110 en 204).
Notitie bij Geertjen: Ook Grietje Wanders of Waanders genoemd.

444. Lukas Geertsen Vrielink, ged. Vriezenveen 26 juni 1698, † ald..

Notitie bij Lukas Geertsen: behalve de doopdatum is er weinig over Lukas bekend, hij zal jong zijn overleden en wellicht is zoon Jan katholiek gedoopt (zie opmerkingen hierover bij zijn vader en zijn zoon).
Notitie bij de geboorte van Lukas Geertsen: gedoopt als Lukas zv "Geert Henrix en Eefze Luikz"

446. Hendrik Coops (Koobs), geb. omstr. 1670, † Vriezenveen na 1716,89 tr. 1e Eva Grave, geb. omstr. 1660, † Vriezenveen vr 23 jan. 1686; tr. 2e Vriezenveen 7 febr. 1686 Jenneken Egberts op den Kromhof, geb. Hellendoorn (kerspel) omstr. 1660, † Vriezenveen vr 1703; tr. 3e omstr. 170390
447. Geesjen Janszen, geb. omstr. 1675, † Vriezenveen.

Notitie bij Hendrik: bron persoon: email Andre Idzinga 31-12-2007
wever.

In het verpondings en contributieregister van 1723 woont een Hendrik Coops op het uiterste puntje van het Westeinde, hij betaalt slechts een stuiver belasting en moet het niet erg breed gehad hebben met zijn gezin. Of hij identiek is aan deze Hendrik Coops is vrijwel zeker aangezien hij de enige is met deze naam in dit belastingregister.

In het zoutgeldkohier van 1694 en 1702 komt Hendrik Coops voor als pauper, dat sluit op zich aardig aan met de volgende info.

24-04-1709 komt het echtpaar (Hendrik Koops en Geesse Jansen) voor in het archief van Schoutambt Vriezenveen in verband met uitstaande schulden.
-te weten wed. Bonte vanwege gerichtskosten
-de wed. Brouwers en de wed. Jan Timmer 4 jaar huurachterstand.
-8 gulden, die broer Hermen Koops aan de weduwe Bonte voor zijn broer heeft betaald.
In totaal 75 gulden en 2 stuivers.
Hiervoor geven zij in onderpand al hun mobiele goederen, waaronder een weefgetouw. een kist, een spinde, uitgezonderd de koe.
(bron: Archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2673 foto 125).

448. Willem Jansen Bramer, geb. Vriezenveen 1689, † ald. vr 1752, tr. 1e omstr. 1717 Hillighjen Harms, geb. omstr. 1695, † Vriezenveen na 1721, dr. van Harmen Luichjes Hospes (zie 752) en Jennighjen Alberts (zie 753); tr. 2e Vriezenveen omstr. 1723
449. Cunnera Geertsen, ged. Vriezenveen 31 dec. 1699, † ald. omstr. 1785.

Notitie bij Willem Jansen: landbouwer en koopman in linnen. alias Gorten Willem (bron: AHA inv. nr. 1062 en 1065 foto 2964)
In 1729 als de eigenaar van 4 1/2 akker land genoemd, als opvolger van Jan Hendriks Bramer; erf aan het Westeinde 144 huidige nummering, bekend als het "Gjttenspil". In het boterpachtregister van 1735 genoemd als de eigenaar van 3 akkers land, die van buiten wat breder uitlopen, daardoor moet hij ipv de gebruikelijke 12 ponden boter 18 en een kwart pond boter afdragen. In 1755 wordt hij in het boterpachtregister nog genoemd als eigenaar van 4 1/2 akker land. Dit kohier kan niet actueel zijn, want in het hoofdgeldkohier van 1752 wordt al de weduwe Willem Bramer genoemd. Zij wordt belast voor 4 personen en moet 1 gulden en 8 stuivers betalen. Het vermogen van Willem Bramer wordt in het register van de 1000e penning uit 1739 gesteld op 700 gulden. Het vermogen van de weduwe wordt in 1751 geschat op 400 gulden en een extra 100 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). In 1758 is het vermogen van de weduwe gestegen naar 650 gulden (bron: 1000e penningkohier 1758; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2559). De familie behoorde daarmee in die tijd zeker tot de wat beter bedeelden van het dorp.
In 1763 staat de weduwe Willem Bramer vermeld met de toevoeging dat het land Geerten Willems Land heet. De alias Gorten Willem, ofwel Geert Willem komt ook voor in het register van inkomsten van landerijen over de jaren 1730-1742 van Huize Almelo. Over het jaar 1730 staat vermeld dat de Heer van Almelo een gaarden verhuurt gelegen in het land van Willem Bramer alias Gorten Willem aan Willem Buijter voor 8 guldens en 5 stuivers per jaar (bron: AHA inv. nr. 1062). ook in de jaren 1743-1748 komt Gorten Willem nog in de verhuur van landerijenregisters van Huize Almelo voor (bron: AHA inv. nr. 1065 foto 2964). Ook in het boterpachtregister van 1764 staat Willems erf als Gurten Willemsland vermeld.

Op 1 mei 1741 is Gorten Willem [Willem Bramer], samen met de dominee, de verwalter-schout [Berent Jansen Berkhof] beide procureurs, Beemers Egbert, de Jonker, Jan Berends, Jan Geurs en Jasper Bramer in het caf van de weduwe Bonte (kosterse) en de voerlieden. Ze drinken bier, jenever en genieten van een ontbijt met koffie en suiker, kosten op laste van de gemeente 3 guldens en 17 stuivers. De bijeenkomst zal te maken hebben gehad met de jaarlijkse schoutverkiezing die altijd op 1 mei plaatsvond. Alle deelnemers lijken, n of andere bestuurlijke functie gehad te hebben, in welke hoedanigheid ze waarschijnlijk ook samen waren (bron: kerspeljaarrekening 1741 AHA inv. nr. 2767). Willem Bramer zal waarschijnlijk kerkmeester of sestiene zijn geweest.

29-11-1749 de Edele Gerrit Coster doet anpandinge aan de goederen van Willem Bramer vanwege een schuld van 56 gulden 12 stuyivers vanwege door hem en wijlen zijn oom Jan Hendriks gekochte en geleverde linnens (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 101).

Op 21-11-1750 verkopen Willem Bramer en zijn echtgenote Kunnera Geerts een stuk land, de Horst genaamd aan Berent Geerligs Kooijker en Jenneken Grutters voor 190 car. guldens (archief schoutamabt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Op 1 juni 1786 verklaren: Hendrik van de Kooije [Janmaat] en zijn huisvrouw Gesiena van de Kooije, Berent Hoek en zijn huisvrouw Janna van der Kooije, Abraham Boom en zijn huisvrouw Geesjen van der Kooije dat zij in de maand april van het jaar 1786 hebben verkocht een stuk land dat bij de Almelose Kooij is gelegen, als hun voorzaten van Willem Bramer hebben aangekocht aan de gravin van Almelo, voor de som van 100 Caroli guldens (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 2680 foto 404).

Op 17-03-1757 verkopen Kunnera Geers, wed. van Willem Bramer, en Leenert Wolters (oom gehuwd met Geertjen Jansen Bramer) als voogd over de onmondige kinderen en Jan Wilms Braamer voor zich zelf met zijn huisvrouw Janna Jansen, 7 dagwerken land aan de schout Jan Hendrik Dickers voor 1160 car. guldens. Het verkochte land was belast met 91/2 pond boterpacht en moet dus meer dan 2 akkers groot geweest zijn. Voor de verponding was de belasting gesteld op 1 gulden en 6 stuivers. Ook het schoonhouden van het kerkepad en het ruimen van de waterstroom de Aa hoorde bij de verplichtingen van deze landerijen (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

In 1733 zijn Willem Bramer en zijn vrouw betrokken bij een ruzie met Engbert Jansen Smit en zijn vrouw Frerikjen Jonker. De ruzie speelde zich af ’s-avonds 9 10 uur na de begravenis van het kind van Berent Raphuijs en komende uit de kroeg van Willem Onweer, waar de begravenis had plaatsgevonden, kwamen Willem en zijn vrouw langs het huis van Engbert Jansen Smit alwaar de ruzie ontstond en Engbert tegen Willem had gezegd "Willem wat doet stu mij an dat ik so een questie of moeite moet hebben...". Willem trok de muts van het hoofd van de vrouw van Engbert Jansen Smit en sloeg haar dusdanig dat ze moord en brand schreeuwde waarop buurtbewoners vervolgens allemaal op af waren gekomen. De omwonenden troffen in het huis Willem Bramer aan en de meid van Engbert Jansen Smit die zich ook met de vechtpartij bemoeide evenals Hendrik Jansen Quant en zijn vrouw (Geesje Jonker) die slaags waren met Engbert Jansen Smit. Grietje ten Cate zou Willem Bramer uit het huis van Engbert Smit hebben getrokken (bron: breukregisters AHA inv. nr. 3241).
Notitie bij de geboorte van Willem Jansen: Willem verklaard als getuige op 14-3-1713 oud te zijn omtrent 24 jaar en moet dus geboren zijn omstreeks 1690. (Huisarchief Almelo inv. nr.2932) Hij is dan in de herberg van Jan Henrixen Olde en getuige van een vechtpartij tussen de waard en Jan Heineman, waarbij laatstgenoemde een schop tegen het hoofd van Jan Heineman heeft gegeven, zodat het bloed langs het hoofd van Jan Heineman "is nedergeloopen" en hij maar liefst 3 gaten in zijn hoofd had. Overigens was Jan Heineman de zwager van Jan Henrixen Olde.
Notitie bij Cunnera: Op 04-02-1768 maakt de weduwe van Willem Braamer, Kunnera Geertsen, haar testament. Als haar voogd treedt op buurman Henrik Heijdeman (ook Heijneman). Als universeel erfgenaam benoemt ze haar 3 kinderen Gerrit, Trijntjen en Frerik Braamer. Opmerkelijk is dat zoon Henrik apart in het testament wordt genoemd. Voor hem wordt bepaald dat hem zijn legitieme erfdeel toekomt. De testament constructie hield een veiligstelling in voor het recht tot inwonen van de 3 ongetrouwde kinderen op het ouderlijk erf tot hun dood. Dat Hendrik als enige van het ouderlijk erf werd uitgesloten is opvallend. Juist in deze periode huwt hij (ondertrouw 1 maand later dan het testament). Het lijkt erop dat moeder Cunnera niet erg te spreken was over de huwelijkspartner van Hendrik die met Annigje Hartog huwde. (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

Aangezien in 1786 in het geslachtssedel en kerspellasten de kinderen Willem Bramer aangeslagen worden voor de belastingen zal dit betekenen dat Willems vrouw Cuniera Geertsen rond 1785 zal zijn overleden. In het kerspellastenkohier van 1784 staat nog de wed. W. Bramer vermeld.
Notitie bij de geboorte van Cunnera: gedoopt als Kunniertjen dv Gerrit Berents en Fenneken Engberts.

de ouderlink is onzeker. Maar de overeenkomst tussen de doopnaam Kunniertjen en het gegeven dat Cunnera meestal Cniertje werd genoemd is opvallend. Het is een weinig voorkomende variant. Maar ze heet wel consequent Geertsen en niet Gerritsen, hoewel het wel uitwisselbare namen zijn. Gerrit Berendsen Enthe woonde in de buurt van Willem Bramer, dus dat lijkt de ouderlink te verstevigen. Vaak huwde men een partner uit de buurt. een mogelijke andere vader zou wellicht Geert Hermsen Holst kunnen zijn, gehuwd met Cunnigje Roelofs Smelt.

450. Albert Jansen Hartogh, geb. omstr. 1710, † Vriezenveen omstr. 1758,91 tr.
451. Fenneken Claassen Bramer, ged. Vriezenveen 12 mei 1709, † Veendam na 1770.

Notitie bij Albert Jansen: ook Hertogh genoemd. Moet gezien zn positie op de volkstellingslijst van 1748 ergens aan het einde van het Westeinde hebben gewoond. Niet in de boterpachtregisters te vinden.

In het breukregister van 1734 (16 augustus) komt Albert Jansen voor met als alias Hartog. Hij is dan getuige bij een ruzie in het huis van de schout tussen Jan de Hesse en Claes, de zoon van Hermen Claesen (bron: AHA inv. nr. 3241). Woonde volgens Herman Jansen op Westeinde nr.598 (huidige nummering). Zie blz. 247 Ken uw dorp en heb het lief. Uit de hoofdgeldkohieren van 1736 en 1738 valt af te leiden dat hij het erf van zijn schoonvader Claas Bramer had overgenomen.
In 1751 staat Albert in het register van de 1.000e penning vermeld met een vermogen van 250 gulden (Statenarchief Overijssel inv. nr. 2556).

Nog vermeld in het vuurstedengeldregister van 1753. In het register van het geslacht van 1759, 1761 en 1762 kortweg vermeld als Hartog en in 1760 Albert Hartog. In het register van het geslacht van 1763 staat vermeld de weduwe Hartog. In het kerspelbelastingregister en het belastingregister van het paardengeld van 1758 wordt reeds de weduwe Albert Jansen vermeld.
In het vuurstedengeldkohier van 1782 staat schoonzoon Jan Coster als hoofdbewoner vermeld.
Notitie bij Fenneken Claassen: ongetwijfeld vernoemd naar de eerste echtgenoot van Claas Bramer, gedoopt als Fenne.

Akte van transport d.d. 28-04-1759, op 06-01-1759 verkoopt de wed. van Albert Jansen, Fenneken Klaassen Bramer, mede voor haar minderjarige kinderen, geassisteerd met Waander Berens als haar voogd in deze, een stuk weiland aan Lutte Derks Feijer wed. van Derk Schipper voor een bedrag van 115 car. guldens.
idem 28-04-1759, verkoop in mei van het jaar 1756 een halve akker woestenlands, gelegen in de "seven akkers" voor 51 car. guldens aan Hindrik Wilms.
Akte van transport d.d. 28-04-1759.Waander Berens en Anneken Klaassen Bramer verklaren in de maand mei van 1756 verkocht te hebben 6 koeweiden aan Fenneken Klaassen Bramer, wed. van Albert Jansen voor 487 car. guldens (archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

In het verpondingsregister van 1768 wordt de wed. Albert Jansen nog vermeld. Idem het belastingregister van het geslacht van 1770.

452. Gerrit Frederiks Waanders (ook Olde), geb. Vriezenveen omstr. 1685, † ald. omstr. 1743, tr. 1e Metjen Warners, geb. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. na 1744, dr. van Werner Arents en Grietjen Jansen Toutertjen; tr. 2e Vriezenveen 20 dec. 173345
453. Janna Berends, ged. Vriezenveen 23 aug. 1705, † ald. na 1763.

Notitie bij Gerrit Frederiks: landbouwer en varkenskoopman, bewoonde het erf Westeinde 200 (huidige nummering); zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 197. Het omvatte 4 akkers (boterpachtregister 1755).
Ook wel Olde genoemd.
in 1722 laten Gerrit Freriks en Metjen Warners een dochter Grietje dopen, vernoemd naar de grootmoeder Grietje Toutertjen.
Rond 1729 speelt er een rechtzaak tussen hem en Aaltje Berends en Arent Waanders in de stukken wordt Gerrit Fredriks genoemd als de zwager van Arend Waanders (bron: AHA inv. nr. 2967). Arent Waanders was de buurman van Gerrit Fredriks en was dus de broer van Metjen Warners.

Er zijn 2 Gerrit Freriksen die volgens de belastingkohieren na elkaar worden vermeld. Het zijn geen directe verwanten van elkaar.
In het hoofdgeldkohier van 1723 wordt Gerrit vermeld als Jan Waanders Gerrit. Kennelijk is hier sprake van een bijnaam, soortgelijk aan Jan Butens bij de Berkhofsfamilie. Jan Waanders ofwel Jan Warners was namelijk de grootvader van Gerrit Fredriks die zich naast de familienaam Waanders ook wel Olde noemde.
In het dienstboden belastingkohier van 1734 en 1735 staat deze Gerrit Freriks vermeld onder de naam Gerrit Frericks Olde. Dit om hem kennelijk te onderscheiden van de gelijknamige buurman die inwonend was bij zijn broer Jan Fredriks, die gehuwd was met Janna Winter. De naam Olde komt van zijn moeders familie. In het verpondingsregister van 1739 staan beide Gerrit Fredriks achter elkaar vermeld. In het verpondingsregister van 1744 staat Gerrit Freriks Olde nog vermeld. In 1745 staat vermeld de wed. Gerrit Fredriks.
In het verpondingsregister van 1744 staat Gerrit Freriks Olde nog vermeld. In 1745 staat vermeld de wed. Gerrit Fredriks.
In het boterpachtregister van 1736 voor het eerst genoemd. In de boterpachtkohieren met de naam "Gerrit Freriks Waanders" (1736) aangeduid. Zijn erf is afkomstig van een deel van het erf van buurman Arent Waanders die in 1733 nog zon 8 akkers land bezat, maar in 1736 nog slechts 3 1/2 akker over heeft; de rest (4 akkers) is eigendom geworden van Gerrit Frederix Waanders vanwege diens eerste huwelijk met Metjen Warners of Waanders een zuster van Arent Waanders.
Met de volkstelling van 1748 staat het gezin als volgt vermeld:
Gerrit Frederiks +
wed. Gerrit Frederiks
kinderen boven 10 jaar: Frerik Gerritsen, Albert Gerritsen, Mannes Gerritsen, Claes Gerritsen.

Gerrit Frericks moet niet verward worden met 2 naamgenoten aan het Westeinde in deze tijd.

15 okt. 1736 Gericht Hardenberg
Verschenen proc. Nic. Harwig als gevolm.
1.Van de kinderen en erfgenamen van Kunnegjen Freriks, te weten, Garrijt Frericks, Frerick Freriks, Metjen Freriks, geassisteerd met Albert Jonker als hun voogd, momber, voorts Berent Berentsen Boer gehuwd met Janna Frericks en Jan Hendriks van Olde en Garrijt Frericks als mombaren over de onmondige kinderen van Berent Jansen en wijlen Henrikjen Freriks. Hoe dat wijlen Jan Freriks gewesen burgemeester van den Hardenberg 3 staken van erfgenamen heeft nagelaten nl Kunnegien Freriks op het Vrieseveen, en nu haar kinderen en erfgenamen en
2.De kinderen van Henrick Frericks van Olde
3. En Frerick Jaspers van Olde en diens broer wijlen Henrik Jaspers van Olde
Deze erfgenamen en tevens de erfgenamen van de vrouw van Jan Freriks hebben verkocht op 20 mei 1721 de immobile goederen van de nalatenschap gelegen vnl in het schoutengericht van Hardenberg en dat Henrick Jaspers van Olde op 26 maart koper is geworden van 4 percelen land, nl. een stuk op de Hagenkamp naast dat van Berent Jansen groot ongeveer 4 schepel voor 270 gulden van 21 stv. Nog een stuk zaailand van 4 schepel voor 290 guldens en een gaarden gelegen aan de Palsertkamp voor 145 gld. en de hoff bij den Daaler hekke voor 131 gld., voorts op den 20 mei koper geworden van het erve Koninks gelegen in de buurtschap Baelder, door Jan Roelofs als meier gebruikt, en daarbij de koeweiden door dezelfde meier gebruikt voor de som van 2880 gulden. Ten tweede van een tiende uit het halve Oude Waterink tot Burcht voor 801 gld., ten 3e 2 dagwerken hooiland op het Baalder voor 416 gld., ten 4e nog 2 dagwerken aldaar voor 413 gld. Ten 5e 2 dagwerken hooiland bij Hanerinks Manshuis voor 531 gld. en een dagwerk hooiland gelegen tot Losen bij de Sweijssenmaete, door Jan Roelofs gebruikt, voor 241 gld., ten 7e 2 dagwerken hooiland onder de stad voor 406 gld en ten 8e een dagwerk in de Leege Cruistebrink voor 305 gld. Kooppeningen zijn deels Henrick Jaspers van Olde niet betaald. Resteert een somma van 791 gld 13 stv en 12 pen. Derhalve eisen de erven verkoop van enkele van de goederen om het restant te innen, te weten erve Koninks te Lage bewoond door Harman Graman en 4 dagwerk in t Baalder Hag en een dagwerk bij de Swissen maete voorts de tiende tot Burcht, etc. (Toegang 55.2.1 inv. Nr. 35 Historisch Centrum Overijssel).

29- 4-1737 verschenen Frerik Freriks mede voor zijn broer Gerrit Freriks en zuster Metjen Freriks en Berent Boer als getrouwd aan Janna Freriks geassisteerd door proc. Harwig te samen erfgen. van wijlen Frerick Jansen en Kunnigjen Freriks dat vanwege Harmen Graman en nu diens weduwe 5/6 deel van het erve Konink en de onderhavige landerijen het Baelder Hag hieronder begrepen, kennelijk nog steeds geld eisend voor deze goederen in verband met de familieerfrechtkwestie inzake hun oom Jan Frericks van Olde (Toegang 55.2.1 inv. Nr. 35 Historisch Centrum Overijssel).

18 febr. 1741 Gerrit Fredriks en Fredrik Fredriks geciteerd zijnde als gewezen maatschappen inzake koopmanschap met Derk Ruben. het gaat om het verwisselen van geld door gemelde Ruben uit naam van Berent Wolters Capitein en de erfgenaam van Harmen Hansen Brouwer. Fredrik Hendriks van Olden hoorde destijds mede bij de maatschap. Ook hij wordt mede aansprakelijk gesteld voor een te vereffenen schuld van 245 gulden.(bron: archief Scha vrv inv.nr. 26; 20081230d_052_20081230e_109,116).


Op 05-01-1746 verklaart Janna Berens, wed. van Garrijt Freriks voor haar zelf en als wettige voogdesse voor haar minderjarige kinderen onder assistentie van Fredrik Fredriks, haar zwager, 132 gulden schuldig te wezen aan de edele Gerrit Ruiter.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

In 1751 staat in het register van de 1.000e penning vermeld de wed. Gerrit Freriks met een vermogen van 200 gulden. Hiermee had deze familie heel wat minder vermogen dan broer Frerik Freriks Waanders, die in 1751 over een vermogen van 1.000 gulden beschikte, een kapitaal dat de familie had verworven door de varkenshandel.

In het boterpachtregister van 1758 staat vermeld: wed. Gerrit Fredrix Waanders.
De naam Waanders komt ook terug in het belastingregister op het geslacht van 1750.

In een register van achterstallige boterpachtschulden (AHA 1681:map 9-7-2004 foto 065) blijkt dat de weduwe Gerrit Freriks Waanders een behoorlijke boterpachtschuld heeft opgebouwd. Over de jaren 1747 tot en met 1757 is ze nog 144 (!) pond boter verschuldigd. Op 2 september 1758 heeft Waender Berents Sijmen de schuld overgenomen en betaal hiervoor 42 guldens en 4 stuivers en daarboven nog een boete van 7 gulden om de schuld te vereffenen.

Op 15-01-1757 verklaart Janna Berens wed. van Gerrijt Freriks, onder assistentie van Willem van Dijk, geleend te hebben van Jannes Lambers en Berendina Feijer 500 car. guldens (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2657).
Notitie bij het overlijden van Gerrit Frederiks: in het hoofdgeldkohier van 1744 staat vermeld de weduwe Gerrit Fredriks. Ze wordt aangeslagen voor 1 persoon (14 stuivers). dat is een behoorlijke aanslag.
Notitie bij Janna: wordt nog genoemd in het boterpachtregister van 1755 en ook in het Hoofdgeldkohier van 1760, wordt dan aangeslagen voor 3 personen en moet 1 gulden en 12 stuivers betalen.

Op 05-01-1746 verklaart Janna Berensen wed. van Garrijt Freriks voor haar en haar onmondige kinderen, geassisteerd met haar zwager Frerik Freriksen 132 car. gulden schuldig te zijn aan Gerrijt de Ruiter en z’n huisvrouw [Maria vander A]. Onderpand is een halve akker akker woestenland die ze nog gemeenschappelijk bezit in de Westerwoesten samen met Frerik Freriks, haar zwager. (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 07-01-1747 verklaart Janna Berensen wed. van Garrijt Freriks voor haar en haar onmondige kinderen, verkoopt ze een akker land gelegen op het Tuijt Hermsensland aan Berent Berents en Grietje ......(archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij de geboorte van Janna: Janna werd gedoopt als dv Berent Roelofz en Aeltjen Jansen. Dat Janna inderdaad de dochter is van deze Berent Roelofs is hypothetisch. Aangezien het tweede gedoopte kind van Janna Albert heet en haar eigen patroniem Berends is en het eerst gedoopte kind naar de grootvader is vernoemd (Frerick) vermoed ik dat het 2e kind naar de moeder van Janna is vernoemd, Aaltje, wat de mannelijk variant Albert is. Er is nog een ouder paar dat in aanmerkling komt en wel Berent Brouwer en Aaltje Schol (doop Janna 1713), deze zijn echter van een hogere maatschappelijke status en liggen derhalve niet als eerste keus voor de hand.
Notitie bij het overlijden van Janna: in het hoofdgeldkohier van 1763 nog vermeld. In 1764 is dit geworden zoon Albert Gerrits. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat ze dan overleden zou zijn.
Notitie bij het huwelijk van Gerrit Frederiks en Janna: volgens extract uit het trouwboek huwden op 20 december 1733 Gerrit Freriks en Janna Berents, aangezien hun eerste zoontje Frerick op 14 maart 1734 werd gedoopt betekende dit een boete aan de heer van Almelo te betalen. (bron: breukregister van de schout Claas Cruijs).

454. Jannes Jansen Tijhof, ged. Vriezenveen 19 aug. 1703, † ald. omstr. 1752, tr.
455. Janna Roelofs, ged. Vriezenveen 3 aug. 1704, †?.

Notitie bij Jannes Jansen: linnenkoopman (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 27, gericht 19 april 1749), handelde samen met Hendrik Alberts. Niet in de boterpachtregisters genoemd. Gezien zijn positie op de volkstellingslijst van 1748 in relatie met de boterpachtregisters moet hij in de buurt van het zogenaamde Pixsensland hebben gewoond. Dit sluit aan bij de de mening van Herman Jansen dat hij (en zn voorouders) op het Piksenderksland hebben gewoond aan het Westeinde (nummer 374-382 huidige nummering). Zie blz. 222 Ken uw dorp en heb het lief. Het Piksenland komt wel voor in de boterpachtregisters. In het uitgebreide register van ca. 1735 staat echter dat het "Pixsensland" opgesplitst is en er staat geen Tijhof als eigenaar bij. Ik heb eerder de indruk dat de familie Tijhof uit ambachtslieden en handelslieden bestond. Bij de volkstelling van 1795 worden 4 Tijhoffen genoemd (1 x timmerman, 1 x wever, 1 x koopman, 1 x cathegeseermeester). Van een achterkleinzoon van Jannes (Jan gehuwd met Lena Juliana Jansen) is bekend dat hij in Sint Petersburg in de handel zat: Vriezenveense Rusluie, J. Hosmar).
Op grond van het verpondings en contributieregister van 1723 kan geconcludeerd worden dat Jannes de woning van zijn vader heeft overgenomen; deze staat namelijk in 1723 op de zelfde locatie vermeld als Jannes in de latere belastingregisters, zoals Hoofdgeldkohier van 1736.
In het hoofdgeldkohier van 1752 wordt de weduwe Tijhof genoemd, ze wordt aangeslagen voor 3 personen en betaald hiervoor slechts 14 stuivers. Hiermee stond ze in de hoofdelijke omslag toch op een lagere sociale ladder. Mogelijk dat door het overlijden van Jannes (als deze koopman of ambachtsman was) de inkomsten waren weggevallen, waardoor ze in een lagere belastingklasse was terechtgekomen. Het lijkt in elk geval niet aannemelijk dat ze een boerenbedrijf hadden, dat met een knecht en kinderen altijd nog wel draaiende kon worden gehouden en inkomsten bleef genereren. Ook zoon Jan, die in het register van de hoofdelijke omslag in 1760 wordt genoemd voor 5 personen heeft een veel lager dan voor Vriezenveen gemiddelde aanslag en wel 12 slechts stuivers.
In het kohier van de 1.000e penning uit 1751 wordt Jannes Tijhof geschat op een vermogen van slechts 50 gulden.

16-1-1745 de wed. Gerrit Costers en haar zoon bernardus Costers citeren Jannes Tijhoff vanwege een schuld van 69 gulden en 2 stuivers vanwege op 2 maart 1744 gekocht 2 stukken linnen (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 26 foto 257).

19-04-1749 Compareert voor het schoutengericht de Edele Gerrit Costers die verklaart in 1742 aan Jannes Tijhoff en Hindrik Albers enige lappen wit linnen te hebben verkocht voor 112 gulden 9 stuivers en 10 penningen, waarvan 29 gulden is betaald en het resterende bedrag nog schuldig is. Hij doet anpanding op het huis van Jannes Tijhoof om de helft van de schuld te verhalen, te weten 41 guldens en 19 stuivers. (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto20081230e_082).
3-5-1749 Compareert voor het schoutengericht verklarende dat hij in 1742, nog op eigen naam, noch in maatschap met Jannes Tijhoff linnen heeft gekocht van Gerrit Costers (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto20081230e_087).
Notitie bij de geboorte van Janna: indien de ouderrelatie klopt, dan is Janna gedoopt als Jannaegjen.

456. Harmen Gerrits Kerre, ged. Vriezenveen 20 jan. 1704, † ald. na 1761, tr.
457. Jenneken Gerrits, geb. omstr. 1705, †? na 1748.

Notitie bij Harmen Gerrits: In 1748 bij de volkstelling Kerre genoemd, had toen slechts n kind Gerrit, boven de 10 jaar. Moet ergens op het middengedeelte van het Westeinde hebben gewoond, gezien de positionering op de volkstellingslijst van 1748.
Pacht volgens het zogenaamde Vicarijenboek evenals zijn zoon landerijen van de Sint Crucenvicarie (1761). Staat te boek voor een halve akker pacht; is daarvoor per jaar 6 gulden verschuldigd en verder nog een halve akker hooiland in de Woesten voor 4 gulden. (bron: archief Huize Almelo inv. nr. 1807).

Er is slechts 1 doop van een Hermen als zoon van en Gerrit te vinden en dat is de doop van Hermen in 1707 als zoon van Gerrit Gerrissen en Greetjen Hindricks. Hier sluit ik voorlopig bij aan. Aangezien de derde dopeling ook nog eens Grietje heet lijkt dat idee bevestigd te worden.

Iets westelijker van Harmen woonde ook nog een andere familie Kerre of ook wel Kirre, Kere of Keere. Dit moet haast wel familie zijn. Met de volkstelling staat Gerrit Jans Kirre vermeld met zijn echtgenote Jenneken Jansen. Dit moet haast wel een zoon van Jan Gerrits Kerre zijn (verder in de belastingkohieren niet te traceren) Daarnaast is er nog broer Gerrit. Deze staat reeds vermeld in het hoofdgeldkohier van 1735, ook zijn vader die alleen aangeduid wordt met "de Kere". Zijn voornaam moet gezien het patroniem Gerritsen van de zonen Gerrit en Harmen.... Gerrit geweest zijn.


Het is ook mogelijk dat Harmen Kerre voorvaderen had in Almelo. In het breukregister van Almelo (AHA inv. nr. 3245) wordt op 4 augustus 1685 een zekere Hermen Schoemaker alias Kerre genoemd. Dit lijkt haast meer dan toeval met zo’n bijzondere en zeldzame naam. Hij zou de overgrootvader van Harmen kunnen zijn.

Volgens het Rekenboek van de Diaconie ontving "Herm. Gerrits de Kirre" in 1740 26 stuivers van de diaconie van de Gereformeerde Kerk. Hieruit valt af te leiden dat hij dus tot de lagere sociale klasse moet hebben behoord.
Notitie bij de geboorte van Harmen Gerrits: gedoopt als zoon van "Gerrit Janszen en Jenneken Hermz"

458. Gerrit Herms Persoon, geb. 1679, † Vriezenveen vr 1748,32 tr.
459. Metjen Gerrits, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen vr 1748.32

Notitie bij Gerrit Herms: moet hebben gewoond aan het Westeinde, vermoedelijk nummer 178 (zie ook Ken uw dorp en heb het lief, blz. 194).
met de volkstelling van 1748 staan vermeld.
Gerrit Gerritsen als hoofdbewoner en inwonend zijn Trijntje Gerritsen en Mina Gerritsen. Uit het kohier van de 1.000e penning van 1751 blijkt dat het broer en zusters zijn gezien de vermelding "de kinder van Gerrit Persoon". Het gezin had weinig vermogen. Het wordt geschat op 100 gulden.
Ik vermoed dat het een eenvoudige ambachtsfamilie was (mogelijk werd het weversberoep uitgeoefend).

Volgens het Rekenboek van de Diaconie ontving "Persoon" in 1736-1737 2 gulden van de diaconie van de Gereformeerde Kerk. Hieruit valt af te leiden dat hij dus tot de lagere sociale klasse moet hebben behoord.
Notitie bij de geboorte van Gerrit Herms: is als getuige bij een gerechterlijk onderzoek in 1719 ca. 40 jaar oud (inv.nr. 2932 Archief Huize Almelo).

460. Gerrit Harmsen Hospes, geb. omstr. 1700, † Vriezenveen na 1752, tr. Vriezenveen omstr. 1727
461. Geertjen Jansen, geb. Vriezenveen omstr. 1700, †?.

Notitie bij Gerrit Harmsen: waarschijnlijk kleermaker van beroep. In de geslachtbelastingregister staat hij in 1750 en 1751 aangeduid met de naam Snijder. Een goede indicatie dat hij kleermaker moet zijn geweest. Als Gerriet Herms genoemd in het hoofdgeldkohier van 1737, wordt dan aangeslagen voor 2 personen en moet dan 14 stuivers betalen, wat een lagere dan gemiddelde aanslag is, hetgeen betekent dat deze familie het niet breed had. Niet in de boterpachtkohieren te traceren.
In de volkstelling van 1748 komt Gerrit Hospers voor als weduwnaar, inwonend zijn dan nog de zonen, Jan en Jannes. Was volgens Herman Jansen woonachtig aan het Oosteinde nr. 200 (huidige nummering); zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 114.

In het kohier van de 1.000e penning van 1751 wordt het vermogen van Gerrit Harmsen Hospers geschat op 260 gulden (Statenarchief Overijssel inv. nr. 2556).

In het kohier van 1750, 1751 op het geslacht vermeld als Gerrit Snijder. In het hoofdgeldkohier van 1752 staat Jan Gerries voor het eerst vermeld als hoofdbewoner van dit erf. In het belastingregister op het geslacht van 1752 staat hij als "Gerrit Lukes"vermeld, met het patroniem dat zijn vader droeg.

In het belastingregister van het geslacht en dat van het hoofdgeld van 1753 staat zoon Jan Gerries als de nieuwe hoofdbewoner bvermeld. Gerrit zou dan nog kunnen leven, maar zoon Jan had in elk geval het erf overgenomen. Hij is omstreeks 1752 ook gehuwd.

De aanduiding Snijder in de belastingregisters op het geslacht is de link naar de voorouderlijn van echtgenote Geertje Jansen, op wiens erf Gerrit ingehuwd zal zijn. In het belastingregister op het geslacht van 1707 en het het verpondingsregister van 1719 (bron: transcripties belastingkohieren uit het archief van de familie Kruijs, aanwezig in het NIMH te Den Haag) staan op deze locatie namelijk de namen Jan Snijder (1707) en Jan Berents Snij: (1719). In het verpondingsregister van 1723 staat vermeld Jan Meijster, een indicatie dat Jan Berends Snijder "meester kleermaker" was.

De naam Snijder op dit erf komt al voor in de boterpachtregisters van 1679. In dat jaar staat Berent Clasen Snider als hoofdbewoner van dit erf vermeld met een halve akker land. De kleermaker Snider, woonde naast de schoenmaker Jan Wijchers Bramer die ook wel met de naam Schoemaker werd aangeduid. Laatstgenoemde vertrok overigens naar Amsterdam waar hij zich als schoenmaker vestigde en later in de textielhandel grote rijkdom verwierf. Berent Clasen Snider of Snijder had het erf verworven van Aele, of ook wel Alijt Jansen, die als hoofdbewoner van dit erf reeds in 1632 staat vermeld. Wat de relatie is met Aele Jansen is niet duidelijk. De erven Heineman worden ook in de boterpachtregisters vermeld in verband met dit erf.
Berent Claas Snider staat voor het laatst vermeld in het boterpachtregister van 1683. De 2 akkers land die hij bezit gaan dan over op een zekere Berent Henrix Westert, een aanduiding dat deze persoon op het Westeinde woonde (in de buurt van nummer 310)huidige nummering).
Bij deze Berent henrix op het Westeinde staat vermeld in het boterpachtregister van 1683 `kriegt 2(?) pond van Berent Claesen Oostert. desee 2 pond moeten overgeset(?) worden op Marten Henrix op Richterslant`.

Deze Berent Henrix noemde zich naast Hopster, ook wel Snijder. Een indicatie dat ook hij kleermaker zal zijn geweest, ofwel gehuwd was met een dochter van Berent Claesen Snijder. Het was vroeger niet ongebruikelijk de familienaam van de echtgenote over te nemen. Er zal hier dus zeker wel sprake zijn van een familierelatie. De 2 akkers land gingen dus over in eigendom van een eigenaar aan het Westeinde, die de akkers overdeed aan Marten Henrix die eveens op het Westeinde woonachtig was, maar meer in de buurt van het Midden. Het huis zonder de 2 akkers land zal zijn verworven door zoon Jan Berents Snijder, die op ongeveer dezelfde loctie volgens latere belastingregisters zijn woning had. Vervolgens betrok Gerrit, middels zijn huwelijk met de dochter van Jan Berents Snijder (ongeveer 1727) de kleermakerswoning. Ook een andere dochter Aaltje Jansen Snijder betrok een woning in de buurt van het ouderlijk erf. Zij huwde Gerrit Gerrits Koster en zijn waren de buren van Gerrit Harmsen (ook wel Hospes of Snijder) en Geertjen Jansen [Snijder].



Geconcludeerd kan worden dat het kleermakersambt op het Knievelserf, zoals het erf van Gerrit Harmsen Hospes later bekend stond (zie: Ken uw dorp en heb het lief blz. 113, 114) eeuwenlang beoefend is geweest. In elk geval tot 1857. Het is dan ook geen toeval dat in de nok van dit huis de attributen van het kleermakersambt waren uitgesneden (nu nog te bewonderen in Museum "Oud Vriezenveen").
Notitie bij de geboorte van Gerrit Harmsen: Van Gerrit is de doopregistratie niet te vinden. Hij kan geboren zijn tussen 1690 en 1697 en 1700 (van deze jaren zijn geen doopregistraties bewaard gebleven.
Notitie bij de geboorte van Geertjen: van Geertjen is geen doop tarceerbaar. Ze kan geboren zijn tussen 1690 en 1697 en 1700 (van deze jaren zijn geen doopregistraties bewaard gebleven.

462. Lukas Jansen Schoemaker (dezelfde als 314), tr. omstr. 172267
463. Jenneken Berends (dezelfde als 315).

464. Jan Egberts Snijder (ook Pot), geb. Vriezenveen omstr. 1682, † ald. omstr. 1736, tr. omstr. 1704
465. Jennigje Jansen Knoll(e), geb. omstr. 1685, † Vriezenveen na 1740.

Notitie bij Jan Egberts: heeft een halve akker land op het zogenaamde "Berent Voslant" aan het Westeinde 422 (huidige nummering; zie blz. 231 Ken uw dorp en heb het lief) , zoals z’n naam al aangeeft, mogelijk kleermaker van beroep. Wordt in elk geval vanaf 1713 zo genoemd, heeft het land overgenomen van Jan Jansen Knoll (waarschijnlijk zijn schoonvader). Heeft in elk geval te weinig land om landbouwer te kunnen zijn.
In 1724 wordt Jan Snijder genoemd in het hoofdgeldkohier met 2 hoofden (dwz 2 personen aan te slaan voor de belasting). In het verpondings en contributieregister van 1723 staat hij vermeld als Jan Egberts. In het vuurstedengeldregister van 1735 staat hij vermeld als "Jan Egers Pot", daar waar in het vuurstedengeldkohier van 1734 nog vermeld stond Wijllem Vos. In 1736 staat vervolgens Hendrik Snijder in het vuurstedengeldkohier als hoofdbewoner vermeld. De vermelding met de naam Pot in het vuurstedengeldregister van 1734 is de enige keer dat de naam Pot aan deze persoon verbonden was, voor zover ik heb kunnen traceren.
In het belastingregister op het geslacht van 1741 wordt Lucas Bom (schoonzoon) als bewoner van het erf genoemd.
2 kinderen laten zich later Pot noemen, zowel Hendrik als Metje (1784).
Notitie bij de geboorte van Jan Egberts: bron: Archief Huize Almelo inv. nr. 2932, Jan Egberts Snijder is als getuige betrokken bij gerechtelijk onderzoek in 1713 inzake een vechtpartij tussen Jan Hendrix Olde en Jan Heijneman . Jan Egberts Snijder is dan " omtrent 29 jaaren".
Notitie bij het overlijden van Jan Egberts: nog genoemd in het verpondings en contributieregister van 1734, wordt vermeld als Jan Egbers Snieder. Ook in de hoofdgeldkohieren van 1735 en 1736 wordt Snijder Jan nog vermeld. In het hoofdgeldkohier van 1737 staat de wed. J. Egber Snid. vermeld. In de verpondingskohieren van 1734, 1735 en 1736 staat Jan Egberts Snijder nog vermeld. In 1737 wordt de wed. Jan Snieder vermeld.
In ca.1735 wordt echter de weduwe Jan Egberts Snijder in het boterpachtregister genoemd. Mogelijk dat dit register iets later gedateerd moet worden en wel op 1736.
Notitie bij Jennigje Jansen: ik ben Jennigje of Jannigje niet onder de naam Knoll tegengekomen. De naam is ontleend aan de hypothese dat Jan Jansen Knoll haar vader is. Zie notities bij Jan Jansen Knoll.
Notitie bij het overlijden van Jennigje Jansen: in 1740 in het belastingregister op het geslacht nog genoemd als de weduwe Jan Snijder

466. Herman Hendriks Grubben (ook Grobben), geb. omstr. 1680, † Vriezenveen vr 1723, tr. 1e Mette Wijchers, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen omstr. 1705, dr. van Geese Willems; tr. 2e omstr. 1705
467. Geesjen Jans, geb. omstr. 1680, † Vriezenveen na 1736.

Notitie bij Herman Hendriks: bewoonde een erf aan het Westeinde nr. 416 (huidige nummering), het omvat slechts een halve akker, waarschijnlijk was Herman een ambachtsman (wever?). Het erf ligt op het zogenaamde Berent Voslant. Vanaf 1704 in de boterpachtregisters vermeld, daarvoor was Stijne Grobben eigenares van het perceeltje land. In 1736 wordt als eigenares van het opgesplitste Berent Voserf de weduwe Herman Grobben genoemd. Volgens het verpondingskohier van 1723 was ze in dat jaar trouwens al weduwe. Na 1736 vermeldt het boterpachtregister uitsluitend nog de erfnaam "Berent Voslant", waardoor bewoners niet meer te traceren zijn in het boterpachtregister.
Voor 1704 wordt Stijne Grobben als eigenares genoemd (de grootmoeder?).
Voor Stijne wordt van 1658-1670 de weduwe van Hermen Grobben als eigenares van het perceeltje land genoemd in de boterpachtkohieren. In 1657 als Herman Grobben het erf bezit omvat het nog 2 akkers, het is dan gelegen naast het kleine erf van Jan Jansen Grobben, dat ruim 1 akker omvat. In 1645 is het nog 1 groot erf dat eigendom is van Jan Grubben Molt. In 1619 en 1632 woont Berent Jansen Grubben hier met een erf dat nog 5 akkers omvat. In 1601 is Johan Grubben als eigenaar te vinden.

Hermen Hendriks Grubben maakt met zijn zieke vrouw Mette Wijchers op 20-03-1705 hun testament, daarbij worden wederzijdse moeders gelegateerd met het legitieme aandeel en daarnaast de kist met linnen en wollen klederen van hun zoon respectievelijk dochter. Gods armen worden met 10 gulden bedacht te trekken uit de boedel van de laatste overledene. Verder is het een langstlevende testament, dat wil zeggen de langstlevende erft de gehele gemeenschappelijke boedel. Tot voogd over Mette Wichers werd in het testament Berent Berens Vos aangesteld, die haar eigen echtgenoot in deze verving ( Bron: Archief Schoutamt Vriezenveen inv. nr. 2673).

468. Jan Gerritsen Smelt (dezelfde als 432), tr. Vriezenveen 1 juli 1694
469. Hendrikje Jansen van der Aa (dezelfde als 433).

Notitie bij Jan Gerritsen: landbouwer, bewoonde Oosteinde nr. 191 (huidige nummering), (Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 101).
Had een omvangrijk erf nl. bijna 8 akkers (boterpachtkohier 1705), wordt vanaf ca. 1695 in de boterpachtkohieren genoemd. Wordt in het boterpachtregister over 1718 nog genoemd, bezat een 6 akkerstuk. In 1721 wordt de weduwe Jan Gerrijtsen Smelt genoemd als eigenares. Zij wordt nog in 1734 in de boterpachtregisters genoemd. Het goed gaat over naar de familie Jonkman. Jan Jansen Jonkman, wiens vader Jan met een dochter van Jan Gerrijtsen Smelt was getrouwd (nl. Jenneken Jansen Smelt) wordt in het boterpachtregister over 1736 als eigenaar van dit goed genoemd. De conclusie die Herman Jansen in zijn boek Ken uw dorp etc. op blz. 128 trekt dat Jan Gerrijts Smelt Oosteinde 248 zou hebben bewoond is daarom onjuist.

Jan Gerritsen heeft het erf overgenomen van Henr. Brinckhuis die daarvoor het erf bezat. Of hier een familierelatie ligt is niet te zeggen, maar dat zou heel goed kunnen.

Jan wordt in het register van de 1.000e penning van 1715 aangeslagen voor een geschat vermogen van 500 gulden.

transportakte van 4 mei 1765 (Archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676)
op 4 mei 1765 verkopen de erfgenamen van de weduwe van Jan Gerritsen Smelt, met name Jan Jonkman, Berent Engbers (gehuwd met Geertjen Smelt dv Gerrit Jansen Smelt), Hindrikjen Gerrits Smelt en Jan Roelofsen, mede voor de overige kinderen en erfgenamen van de weduwe Jan Gerritsen Smelt een halve akker hooiland gelegen in het Eubenland voor 140 guldens aan Lukas Derks (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).
Het is moeilijk alle erven als nakomeling te linken aan Jan Gerritsen Smelt.
Het erf is later in handen van schoonzoon Jan Jonkman (gehuwd met Jenneken Jansen Smelt).
Notitie bij de geboorte van Jan Gerritsen: bron: Archief Huize Almelo inv. nr. 2932, betrokken bij gerechtelijk onderzoek in 1698 als getuige inzake een kwestie met Jan Bramer, alias Schppen over turf. Jan Gerritsen Smelt is dan "omtrent 36 jaer" en moet dus ongeveer in 1662 zijn geboren.

470. Hendrik Berentsen Klompemaeker (dezelfde als 434), tr. Vriezenveen 1 april 1694
471. Grietje Hendricks (dezelfde als 435).

Notitie bij Hendrik Berentsen: woont in de buurt van Oosteinde 111 (huidige nummering), ongetwijfeld klompenmaker van beroep (mogelijk ook koopman?), heeft dan ook maar 1/2 akker land volgens de boterpachtregisters. Afkomstig van het erf gelegen op Oosteinde 125-127 (huidige nummering) .
Wordt nog met de volkstelling van 1748 genoemd. Hij woont dan met 2 van zijn zoons Henricus en Rutgert (deze was absent) in op het erf van zijn overleden zoon Jan Klumper, welke gehuwd was met Aaltjen Broertjen (bron: Andr Idzinga, Vriezenveners.nl). Zoon Henricus wordt met de belasting op inkomen behoorlijk hoog aangeslagen, hij verdient tussen de 200 en 400 guldens op jaarbasis. Dit duidt erop dat deze familie in de handel zat, ook Rutger die absent was zal waarschijnlijk om handelsredenen afwezig zijn geweest.

Het vermogen van Henricus wordt in 1751 geschat op een aanzienlijke 1400 gulden (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
Wordt genoemd als n van de zogenaamde Oosterhoevenaars in 1743 en schoonvader van Harmen Smelt (bron: AHA inv. nr. 1731).
Notitie bij het overlijden van Hendrik Berentsen: ik heb verondersteld dat Hendrik Berentsen genoemd bij de volkstelling van 1748 en inwonend bij de weduwe Jan Clompemaker identiek is aan Hendrik Berentsen Klompemaeker. Hij moet dan dus na de volkstelling van 1748 zijn overleden.

472. J(oh)annes Eshuis, geb. Wierden omstr. 1685, † ald. vr 1744, tr. 2e Wierden 17 maart 1726 Janna de Groot, geb. Wierden omstr. 1700, † Wierden (?), dr. van Berent; zij hertr. Wierden 17 mei 1744 Willem Veeneman; tr. 1e Wierden 30 maart 1710
473. Mechtelena Ledeboer, ged. Wierden 6 dec. 1685, † ald. na 1720.92

Notitie bij J(oh)annes: Aanvankelijk woont het echtpaar na het huwelijk in Amsterdam , waar ook 2 kinderen ter wereld komen en in de Nieuwe Kerk worden gedoopt nl. Christoffer (vernoemd naar grootvader Ledeboer) en Maria (vernoemd naar grootmoeder Eshuis-ten Senckeldam). Opmerkelijk is dat bij de doop van Christoffel de getuigen zijn de stiefouders van Machtelene Ledeboer, "Albert Meyer en Elsjen Bolk". Het echtpaar woont volgens het begraafboek van 1711 aan de Petaniestraat (nu Bethaninstraat) en in 1712 aan de "Dirk van Assensteeg" (de latere Dirk van Hasseltsteeg). In 1711 wordt (waarschijnlijk) dochter Maria begraven en mogelijk is Christoffel op 6-8-1712 te Amsterdam begraven op het Noorderkerkhof. Namen van kinderen worden in de begraafboeken van Amsterdam nl. lang niet altijd, vaak volstaat de aanduiding "K" voor kind.
In het poortersboek van Amsterdam staat Johannes vermeld als tabakswinkelier (16-4-1711).
Opmerkelijk is dat veel familieleden van de Ledeboers, maar ook de Nijhofs uit Wierden veelvuldig in de Amsterdamse doop en trouwregisters voorkomen.
Kennelijk is het verblijf in Amsterdam toch niet erg succesvol geweest want het echtpaar keert terug naar Wierden waar Johannes varkenskoopman is en de halve katerstede "de Weverije" bewoont. In het archief van het Gericht Kedingen (akte 15-5-1714 opgemaakt te Rijssen) is een schuldbekentenis te vinden van Jannus Eshuis en Mechtelena Ledeboer voor een bedrag van 304 Car. guldens aan Gerardus Berentsen Scholten en zijn huisvrouw vanwege "geleverde swijnen en hammen". Als onderpand dient de halve katerstede "de weverije" dat gelegen is in het kerspel Wierden "sijnde vrij en onbeswaart" alsmede de inboedel "soo roerende als onroerende goederen".
In 1731 is Jannes Eshuis in Amsterdam, waar hij optreedt als getuige bij de doop van Dirck Meijer, zoon van Albert Meijer en Catharina Ledeboer.

In het rechterlijk archief van het Gericht Kedingen (inv. nr. 1) is een schuldverklaring aan Jannes Eshuis te Amsterdam te vinden van Geertien Jansen weduwe van Willem Gerrit Hendriks Besteman. De schuld bedraagt 60 gulden (13-9-1713).
In 1715 verkrijgt Jannes een stukje land uit de ouderlijke boedel, verder ontvangt hij 115 gulden van zijn broer die het Eshuiserf verwerft (zie notities vader).
Notitie bij Mechtelena: bij haar huwelijk staat vermeld dat ze van Almelo afkomstig is, maar in Amsterdam woont. In Amsterdam staat in de ondertrouwakte (25-4-1710) dat ze woonde aan de Oudezijds Agterburgwal.
Notitie bij het huwelijk van J(oh)annes en Mechtelena: volgens de huwelijksakte uit Amsterdam woonde Johannes Eshuis aan de Barndesteeg (in de buurt van de Nieuwmarkt) te Amsterdam en Mechtelena aan de O.Z. Voorburgwal te Amsterdam en zijn ze door de predikant Gerhardus Nijhoff te Wierden in de echt verbonden.
Bij de ondertrouw te Wierden staat vermeld dat Johannes Eshuis de zoon is van Jan Eshuis, die dan dus nog in leven moet zijn.

474. Gerrit Jansen Swerinck, geb. Wierden (?) omstr. 1680, † Wierden vr 22 april 1736,93 tr. Wierden 14 april 1709
475. Anneken Jansen Kleine Venemans, ged. Hellendoorn 9 okt. 1681, †?.

Notitie bij Gerrit Jansen: bij het huwelijk van zijn dochter Harmina staat als vader genoemd "Gerrit Sweerinck in de Belte". Dat zal betekenen dat hij in ruig land gewoond heeft met zandverstuivingen. Gerrit is een zoon van Jan, hoe de familierelatie met het erf Sweerinck exact zit is mij nog onduidelijk. Ook dochter Harmina wordt soms met de familienaam van de Belte aangeduid bij dopen van haar kinderen.
Op 20-3-1676 huwen te Wierden Jennigje Jansen van Sweerinck, dochter van Jan Pouwelsen int Loo en Jan Berentsen Alevinck. Mogelijk is Jan Pouelsen de grootvader van Gerrit Sweerinck, om n en ander te staven is echter wat meer informatie nodig.
Notitie bij Anneken Jansen: Bij de dopen van al haar kinderen staat ze alleen bij haar voornaam vermeld Anna N.

476. Jan Nijhoff, ged. Wierden 8 dec. 1689, † ald. na 1748, tr. Wierden 6 sept. 1716
477. Maria Wolters, ged. Wierden 5 juli 1691, † ald. vr 1748.

Notitie bij Jan: met de volkstelling vaN 1748 staat vermeld het huis van Jan Nijhof met Jan Nijhof en 3 kinderen boven 10 jaar, Trientien, Henderieke en Jenneken. In het qutisatiekohier van 1750 staat Jan Nijhof vermeld in de grote groep van de 11e klas met een vermogen onder 200 gulden.
Notitie bij de geboorte van Jan: gedoopt als zoon van: "Henrick Otten en Fennigjen Lucassen".
Notitie bij het overlijden van Jan: in 1764 bij het huwelijk van dochter Jenneken is Jan overleden.
Notitie bij de geboorte van Maria: gedoopt als Marie
Notitie bij het huwelijk van Jan en Maria: "Jan Nijhof Soon van Hendrick Nijhof met Maria Wolters J:D van Wolter Coertsen beijde alhier "

478. Egbert Jansen Lanckamp, geb. Zuna (onder Wierden) 1690, ged. Rijssen 14 nov. 1690, †? vr 1744, tr. Wierden 5 juli 1721
479. Jenne Arends Beverdam, ged. Wierden 29 aug. 1686, † ald. 1726, tr. 1e Wierden 19 aug. 1708 Hendrick Johannis van Barvede, ged. Wierden 31 mei 1685, † ald. vr 1721.

Notitie bij Egbert Jansen: Het Langkamp is een erf in de buurtschap Zuna onder Rijssen. Egbert huwde in op het erf Barfde of Berfde, waar moeder Jenneken Beverdam in een eerder huwelijk eerder op was ingehuwd.
bij zijn trouwen staat hij vermeld als Egbert Jonckman van het Lanckamp" Egbert en zijn echtgenoot wonen later in de Olde Weeme (oude pastorie) volgens de bijschriften van de registratie van hun dopelingen (bijvoorbeeld 10-2-1726).
Volgens het ledematenregister van de Gereformeerde Kerk (=NH) in Rijssen was Egbert Langkamp in 1718 knecht bij Jan Slotenhaer.
Notitie bij Jenne Arends: Bron: B. van Dooren; artikel Gens Nostra januari 1996
Notitie bij het huwelijk van Egbert Jansen en Jenne Arends: bij huwelijk genoemd Egbert Janssen Jonckman van het Lanckamp en Jenne Arenssen wed. van Hendrik Johannis van Barvede.

480. Harmen Claassen Stroomer (dezelfde als 272), tr.
481. Grietjen Hendriks Aman (ook van der A) (dezelfde als 273).

Notitie bij Harmen Claassen: turfschipper (blijkt uit stukken van een rechtszaak uit 1743) AHA inv. nr.1731.
familienaam Stroomer afgeleid uit stukken betreffende een gerechtelijk vooronderzoek inzake een vechtpartij in de woning/herberg van de schout (bron: Archief Huize Almelo inv. nr. 2932 d.d.10-4-1731), waarbij Harmen Claassen Stroomer als getuige optreedt en aangeeft "omtrent 24 jaeren" oud te zijn.

Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering), bezat volgens het boterpachtregister van 1743 3 akkers land. In het boterpachtregister van 1763, (opgemaakt in 1764) wordt vermeld als eigenares de weduwe Harmen Claesen.

Heeft het erf waarschijnlijk omstreeks 1740 door koop -en dus niet door vererving- verworven. In 1736 staat als eigenaar van het goed Frerik Jansen Tuytertjen genoemd. Een familierelatie met hem is niet aan te tonen.

Op 25 juni 1737 betaalt Herman Claassen van het Vriesenveen de pacht van de Eijlersdeele ten bedrage van 20 guldens door overlegging van een assignatie (schuldverklaring) van de Heer van Almelo aan Jan Berkhof en Jan Willems [turfstekers] (bron: AHA inv.nr. 1060 foto 3002).

In het hoofdgeldkohier van 1737 wordt "Herm Klaassen" genoemd als bewoner aan het begin van het Oosteinde (de kant van Geesteren), hij wordt belast voor 2 personen en moet 80 cent betalen, met 40 cent zit hij wat onder het gemiddelde van dat jaar voor het Oosteinde, 46 cent).
Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 50 gulden en een extra 50 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). Hiermee zat de familie in de onderste sociale gelederen van het dorp.
In het hoofdgeldkohier van 1753 wordt "harmen klasen" aangeslagen voor 3 personen en moet hij 1,30 betalen. Daarmee zat de familie toen vreemd genoeg iets boven de gemiddelde aanslag per persoon nl. 0,43 tegenover gemiddeld 0,39 dat jaar voor Vriezenveen. Harmen Claassen staat in het register van de 1.000e penning uit 1751 vermeld met een geschat vermogen van 100 gulden en dat was niet veel. In 1760 wordt zoon "hendrijkes harms" inzake het hoofdgeld aangeslagen. Harmen Klaassen zal dan waarschijnlijk zijn overleden.

Op 23-12-1743 verklaren Harmen Claassen en Grietjen Hindriks enig bouwland, gelegen in het Jan Onweersland, liggend tussen de landerijen van Jan Onweer en Jan Jacobs, verkocht te hebben aan Jan Jacobs en zijn vrouw voor 118 car. guldens.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Mogelijk identiek aan Harmen Claassen die in 1751 wordt aangesteld in de bestuurlijke functie van setiene voor het Oosteinde (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 210).


Op 11-05-1756 verklaren Harmen Claassen en Grietjen Aaman 700 car. guldens schuldig te zijn aan Jan Jansen Does [ de naam Does komt in Vriezenveen ook voor als alias van de familienaam Hopster] te verrenten tegen 2 gulden en 10 stuivers per 100. Deze rente was lager dan gemiddeld voor die tijd. Jan Jansen Does was dan ook familie, hij was de zoon van Jan Berends Does en Jenneken Claassen [Stroomer]. Jenneken was de zuster van Harmen Stroomer, dus Jan Does was een oomzegger. Onderpand zijn 2 akkers land en huis en erf, dat gelegen was tussen de landerijen van Lucas Onweer (oostwaarts) en dat van Jan Berens Hoff (westwaarts) (bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Dit geld was nodig om de aankoop van 2 akkers land van het zogenaamde provinciale schoutengoed (van oudsher door de familie Hoff bewoond), te financieren, die van de provincie op 2 januari 1756 waren aangekocht (bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

482. Gerrit Harmsen Smelt (dezelfde als 274), tr. omstr. 1725
483. Metjen Freriks Tuttertjen (dezelfde als 275).

Notitie bij Gerrit Harmsen: landbouwer, bewoont het erf gelegen aan het Oosteinde 144 (Zie Ken uw dorp en heb het lief blz. 93). Voor 1717 huurder van het erf dat oorspronkelijk klooster Sibculo toebehoorde. In 1717 als het goed eigendom is van de Provincie koopt Gerrit dit voor 1370 car. gulden. Het betreft 4 akkers land met hierop staand 2 huizen.

Op 06-03-1715 zou Gerrit Harmsen Smelt 300 gulden hebben geleend van Hendrik Jaspers Olde (bron: archief Overijssel Toegang 263, inv. nr. 837), dit bedrag betaalt hij volgens de stukken niet terug aan Hendrik Olde die hierdoor veel nadeel zou hebben geleden.


6-3-1715 Harmen Gerritsen en zijn huisvrouw Jenneken Jansen verkopen huis en erf gelegen aan de buitenkant van de weg, geleggen oostwaarts Gerrit Bartelink en westwaards Wicher Jansen gelegen en een stuk gaardenland gelegen in de landerijen van Jan Henrixen Bourman westwaards Jan Wichers(?) en oostwaards Jan Faeijer en nog een vierendeel akker woestenland gelegen in de Westerwoesten gelimiteert oostwaards Berend Grobben en westwaards Frerik Janssen en nog een vierendeel akker bovenwegsland gelimiteerd, oostwaards Hinrick Arentsen en westwaards Jan Schol en nog een bovenwegsakker heerkomende van sijn overledene moeder en onverscheiden met zijn drie gebroeders Jan en Lucas en Gerrit Gerritsen Smelt, verklaart verkocht te hebben aan haar zoon Gerrit Harmsen Smelt voor 300 car. gldns (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2673).

Op 12-06-1717 leent Gerrit Harmsen Smelt een enorm bedrag van 1370 gulden van Klaas Janssen Cruis en Geertje Luixen Schol. Onderpand zijn 2 huizen en 4 akkers land, waarvan het ene huis gelegen is aan de "buijter egge deser wech"en het ander huis aan de "boover egge desen wech". Het is gelegen naast de landerijen van Gerrit Bartelink. Dit ongetwijfeld ter financiering van zijn aankoop van landerijen met woningen van de provincie in 1717. (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

22-03-1719 Ik Hinrik Arends verwalter schultes van Vriezenveen en keurnoten Jan Egberts en Jan Lucas Fronten; verklaren dat verschenen is voor het schoutengericht Gerrit Harmsen Smelt die verklaart schuldig te zijn aan Claas Cruis en echtgenote Geertjen Luicas Schol een som van 458 gulden afkomstig van de Heerenlasten van de jaren 1715 en 1716 en.....(?) en verschoten geld tegen 4 % onder hypotheek van 4 akkers land, met hierop staande 2 huizen, gelegen oostwaards, Jan Egberts en Gerrit Bartelink en westwaards Roelof Willemsen (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

22-03-1719 Ik Hinrik Arends verwalter schultes van Vriezenveen en keurnoten Jan Egberts en Jan Lucas Fronten; verklaenr dat verschenen is voor het schoutengericht Gerrit Harmsen Smelt die verklaart verkocht te hebben een vierendeel akker woestenland in de Westerwoesten onverscheiden met Frerick Jansen Waanders, Jan Gerritsen Smelt en Gerrit Faaijer en nog een gaarden liggende in de landerijen van de kerkmeester Jan Hinrixen Bourman en Jan Alberts voor 125 gulden an de Ed. schultes Claas Cruis en echtgenote Geertjen Luicas Schol (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

In 1719 (15 november) wordt door het gericht van Ootmarsum de verpanding gevorderd van alle goederen van
Gerrit Harmsen Smelt ivm de kosten van een gerechtelijke procedure ad. 165-15-8 en voor de nakosten 29-6- en voor vertering en paardenhuur 2-15-. Tenslotte voor advies 19-2- is totaal 216-18-8. Het verpande erf van Gerrit Smelt staat beschreven als gelegen tussen het erf van Gerrit Bartelink, Jan Egberts en Berend Bootsman (oostwaards) en Roelof Willemsen westwaards. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23 en 36).

In 1720 vindt er een publieke verkoop plaats van goederen van Gerrit Harmsen Smelt om schulden aan de eiser Perizon te kunnen voldoen. Perizon contra Gerrit Harmsen Smelt verkoop goederen verkoop keijsers gulden van 21 stuivers het stuk; 18 vijm rogge voor 54 gulden aan schout Claas Cruijs; oud zwart paard 10 gulden aan schout Claas Cruijs; 3 koenen en een gust beest 31 gulden en 10 stuivers aan Claas Cruijs; een kist met een oude spinde verkocht voor 15 gulden aan Claas Cruijs; een motte met 2 biggen verkocht voor 12 gulden aan Claas Cruijs. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23).


In 1737 met het hoofdgeld wordt "gerriet herms" voor 2 personen aangeslagen en moet hij 1 gulden betalen, dat is 50 cent per persoon, tegenover gemiddeld 46 cent voor het Oosteinde dat jaar. In 1750 wordt "garryt harmesen" aangeslagen voor 3 personen en bedraagt de aanslag 1,50, ruim boven het gemiddelde van 39 cent per persoon. In 1760 als hij aangeduid wordt als "garrit smelt" is de aanslag voor 4 personen 2 gulden, dus 50 cent per persoon, tegenover gemiddeld 39 cent. De familie moet dus wel in goede doen geweest zijn. Hoewel hij in de kohieren van de 1.000e penning van 1734 en 1739 niet voorkomt, werd zijn vermogen in 1751 geschat op 1.000 gulden en een extra 150 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
Zijn erf wordt later overgenomen door zijn schoonzoon Hermannus Bramer.

Hermen Gerritsen [Smelt] en zijn echtgenote Jenneken Janssen (de ouders van Gerrit) verkopen op 06-03-1715:
- huis en landerijen (gelegen naast dat van Gerrit Bartelink) [aan het Oosteinde],
-en een gaarden een vierendeel akker woestenland gelegen in de Westerwoesten
-en een vierendeel akker bovenwegsland en nog een vierdepart bovenwegsakker afkomstig van zijn overleden moeder, gemeenschappelijk mede-eigendom van zijn broers Jan -, Lucas- en Gerrit Gerritsen Smelt
aan hun zoon Gerrit Harmsen Smelt voor de som van 300 car. guldens (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2673).

Op 22-03-1719 verklaart Gerrit Hermsen Smelt nog schuldig te zijn aan de schout Claas Cruis en Geertjen Lucas Schol 450 car. guldens. Op dezelfde dag verkoopt hij ook zijn aandeel in een vierendeel woestenland (4 akkers) aan de schout . Het land was gelegen op de Wester woesten en werd gemeenschappelijk bezeten met Frerik Jansen Waanders, Jan Gerritsen Smelt en Gerrit Faijer. Ook werd nog een gaarden verkocht die gelegen was in de landerijen van kerkmeester Jan Henriksen Bourman en Jan Alberts. De verkoopprijs was 125 gulden. (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674)

Op 14-02-1722 eist Harmen Geertsen Huls 6 guldenvan van Gerrit Harmsen Smelt vanwege een dagwerk aangetastte turf (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 23).

Op 25-09-1730 verklaren Gerrit Hermsen Smelt en Mettien Freriksen Tuttertien 800 gulden schuldig te zijn aan Jan Janssen Geertsen en zijn echtgenote Henrikien Gerritsen Graave, alsmede aan Aaltien Jansen, wed. van wijlen Berend Gerritsen Winter. Onderpand zijn 4 akkers land en huis en schuur daarop staand. Buiten het onderpand blijft de woning die door Jan Hinrixen Gijseler wordt bewoond (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

11-10-1760 akte van transport: verkoop op 08-05-1760 door de erven van wijlen Jan Freriks (broer van Metjen Freriks Tuttertjen) van 1 akker superplusland aan Gerrit Harms Smelt en zijn vrouw voor 130 car. guldens.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).
Notitie bij het overlijden van Gerrit Harmsen: is overleden bij het huwelijk van zijn zoon Hermen in 1774.

484. Jan Jansen Berkhof (dezelfde als 256), tr. Vriezenveen omstr. 1725
485. Hendrientjen (ook Hendrikje) Jansen Smelt (dezelfde als 257).

486. Jan Berends Tuijtertjen (dezelfde als 278), tr. omstr. 1734
487. Hendrikjen Frerijks Tuttertjen (dezelfde als 279).

Notitie bij Jan Berends: in het boterpachtregister vanaf ca. 1735 genoemd met de naam "Tuijtertjen", heeft 2 akkers land en een halve akker woestenland aan het Oosteinde in de buurt van het Midden. In het hoofdgeldregister van 1737 wordt "Jan Berens" aangeslagen voor 4 personen en moet daarvoor 1,60 betalen, met 35 cent per persoon zit hij aardig onder het gemiddelde van het Oosteinde dat in dat jaar 46 cent is. In 1753 wordt "ijan tuetertjen" voor 2 personen aangeslagen en bedraagt het te betalen bedrag 85 cent, is ca. 43 cent p.p. tegenover voor Vriezenveen 39 cent gemiddeld. In 1760 wordt in het Hoofdgeldregister de weduwe Jan Berent genoemd en is Jan Tuttertjen dus overleden, zij wordt dan aangeslagen voor 3 personen en moet 1,30 betalen = ca. 43 cent per persoon en daarmee iets boven het Vriezenveense gemiddelde van 39 cent in 1760. In 1733 wordt op dit goed als eigenaar Hermen Egberts genoemd. Of Berent het erf door koop of vererfing heeft gekregen is onduidelijk. In 1748 bij de volkstelling heeft dit echtpaar een meid in dienst, genaamd Maria Claesen.

De vader van Jan moet wel Berent Jansen Tuitertien zijn die geheel op het uiterste puntje van het Westeinde woonde (o.a. in de boterpachtregsiters van 1690 genoemd).


Jan Berens Tutertjen wordt in 1751 aangesteld in de bestuurlijke functie van setiene voor het Oosteinde (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 27 foto 210).

488. Jan Jansen Berkhof (dezelfde als 256), tr. Vriezenveen omstr. 1725
489. Hendrientjen (ook Hendrikje) Jansen Smelt (dezelfde als 257).

Notitie bij Jan Jansen: landbouwer en koopman in linnen, mogelijk in maatschap met Gerrit Jansen Broertjen.
In 1737 een paar maal als turfsteker vermeld die turf aan Huize Almelo verkoopt oa samen met Jan Willemsen Snijder, een nabuur van Jan Berkhoff (bron: AHA inv. nr. 1059 en 1060). Hierbij gaat het om behoorlijke bedragen, zoals op 19 januari 1737 toen de turfstekers Jan Berkhof en Jan Willemsen voor 72 gulden en 16 stuivers aan turf verkochten aan Huize Almelo (bron: AHA 1059 foto 2835). In 1727 wordt Jan Berkhof ook als turfsteker vermeld, samen met Geert Vrielink, de wed. van Geert Hendriks en de familie Aman, ze leverden op 5 sept. 1736 40 dagwerken zwarte turf aan Huize Almelo voor de som van 112 guldens (bron: AHA1037).
In 1739 graven de turfstekers Jan Berkhof, Jan Nijboer, Jan Willems en Berent Jansen Berkhof 50 dagwerken turf, hiervan zijn er 5 voor Huize Almelo en de overige 45 dagwerken verkoopt men voor 56 stuivers per dagwerk, wat uitkomt op een vergoeding van 126 gulden (bron: AHA inv. nr. 1060).

De link met de vader is niet hard, echter wel zeer waarschijnlijk. De mogelijke andere kandidaat Jan Berents Berkhoff (Kruis) heeft nl. al een zoon die Jan heet en waarvan de vaderlink wel hard te maken is via het boterpachtregister. Jan heeft gewoond in de boerenwoning Oosteinde 409, naast het voormalige Feijerserf, tegenover het oude Jan Butenserf. Jan wordt niet in de boterpachtregisters genoemd, maar wel in diverse belastingkohieren, zoals het hoofdgeldkohier van 1737. Toch moet hij over enige weide- en bouwgronden hebben beschikt, want in het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Jan 1 paard had, 3 schapen en 4 bijenkorven, ook had hij nog 2 hoornbeesten (runderen ouder dan 3 jaar). NB De belasting op gehoornd vee betrof nl. koeien ouder dan 3 jaar. Hoornvee jonger dan 3 jaar zijn dus niet meegenomen in de belastingkohieren. Verder moest hij in 1753 belasting betalen voor meer dan een perceeltje land dat bezaaid was.
In 1748 bij de volkstelling worden genoemd Jan Jansen Berkhoff en Henderikjen Smelt, verder 2 zonen boven de 10 jaar de oudste Jan die "absent" is, dat wil zeggen dat hij mogelijk voor handelszaken op pad was en dat dit mogelijk ook zijn voornaamste bezigheid was en verder nog Jannes die elders ook wel Johannes wordt genoemd. Verder had het echtpaar een dienstbode genaamd Janna Gerritsen.
Bij de belastingen der personele quotisatie van 1750 wordt zijn jaarinkomen onder de 200 gulden geschat. Van het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Jan 1 paard had, 3 schapen en 4 bijenkorven.

Volgens het kohier van de 1000e penning uit 1751 had Jan Berkhoff senior een geschat vermogen van 650 gulden. In 1758 is dat inmiddels 700 gulden geworden. In de kohieren van 1734 en 1739 werd Jan Berkhof nog niet in de registers vermeld. Dat betekent dat zijn vermogen toen nog onder de 500 gulden moet hebben gelegen.
Jan Berkhof wordt nog genoemd in het Hoofdgeldkohier van 1758. Hij wordt dan belast voor 2 gulden, gezien dit bedrag kan het moeilijk een armoedzaaier zijn geweest, ondanks het feit dat hij geen landerijen had (althans niet als zodanig traceerbaar in de boterpachtregisters). In 1759 wordt zijn zoon Jannes (ook wel Johannes) genoemd die dan kennelijk het ouderlijk erf heeft overgenomen. Zoon Jan heeft al eerder de ouderlijke woning verlaten en heeft zich gevestigd aan de zuidzijde van de dorpsstraat Oosteinde (de Jan Butens).
Jan Jansen Berkhof was mogelijk in 1740 door het college van Kerkmeesters en zestienen benoemd tot geslachtsetter, dat wil zeggen dat hij de hoogte van deze belasting bij hem in de buurt moest vaststellen (inv. nr. 2770 archief Huize Almelo). Aangezien de belastingsetters uit dit bestuurlijke college werden gekozen zal Jan waarschijnlijk sestiene zijn geweest (als kerkmeester is hij nl. niet bekend).
In 1747 wordt Jan Jansen Berkhof eveneens benoemd tot geslachtsetter (bron: gemeentejaarrekening). Overigens is er nog een andere kandidaat die in deze tijd leeft en Jan Jansen Berkhoff heet, 100% zekerkheid over de identiteit is dan ook niet te krijgen.

Rond 1742 heeft Jan mogelijk meer land verworven, want in dat jaar moet hij opeens meer belasting betalen volgens het verpondings en contributieregister van 1742. Zo wordt de verpondingsbelasting verhoogd van 3 stuivers en 2 penningen naar 4 stuivers en 3 penningen en de contributie gaat omhoog van 9 stuivers en 10 penningen naar 12 stuivers en 6 penningen.

Is in het jaar 1737 (de maand september of oktober) in de stad Halle en Leipzig samen met Gerrit Jansen Broertjen. Ook Henrik Jansen Boeschen en Jan Fredriks Fronten waren in dezelfde periode in die streken, mogelijk betrokken bij dezelfde maatschap. Dit blijkt uit een memorie uit het archief van het hooggericht Almelo. Hierin staat dat Henrik Jansen Boeschen, samen met Jan Fronten, van een bankier in Halle (Duitsland) enkele honderden guldens geld geleend had onder borg van 7 stuks linnen, maar de schuldverklaring zou Henrik Boeschen met een valse naam hebben ondertekend. Jan Jansen Berkhof en Gerrit Jansen Broertjen, die dezelfde bankier in Halle bezochten, werden gevraagd of zij de twee ( "een dikke zware man en een klein keerltien met swart haar") kenden en hen werd de valse schuldverklaring getoond, waarop ze ontkennend zouden hebben geantwoord. De man deelde de twee nog mee: "jullie zijn het niet, maar ze hadden wel dezelfde spraak". (bron: HAA inv. nr. 2969). NB theoretisch zou ook Jan Jansen Berkhof Kruijs degene kunnen zijn die in deze kwestie bedoeld wordt. Echter de andere 3 kooplieden komen uit het oostelijk deel van het Oosteinde, evenals Jan Jansen Berkhoff. Jan Jansen Berkhof Kruijs woonde meer westelijk op het Oosteinde, bovendien werd hij ook vaak met de naam Kruijs aangeduid. Wel is het zo dat de nabestaanden van Jan Berkhof Kruijs diens boedel in later jaren (1764) vanwege schulden aan Gerrit Coster Egberszoon, linnenkoopman te Almelo verkopen, dus mogelijk is toch Jan Berkhof Kruijs de koopman in Halle? Anderzijds is het zo dat van 2 broers van Jan Berkhof (gehuwd met Hendrikje Smelt),te weten Berent en Albert bekend is dat zij kooplieden in linnen waren. De absentie van zoon Jan tijdens de volkstelling van 1748 duidt mogelijk ook op handelsactiviteiten in dit gezin.

Jan Jansen Berkhoff wordt als n van de voogden vermeld van de kinderen van Hendrik Hoek, uit zijn eerste (Maria Jansen Fronten) en tweede huwelijk (Jenneken Hermsen Fronten).
In een akte van 09-11-1745 worden als de mombaren van de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hoek uit het eerste en tweede huwelijk genoemd:
- Hinrik Feijer (gehuwd met Geertje Jansen Fronten, de zuster van Maria Jansen Fronten)
- Berent Fredriks (mogelijk de zoon van Fredrik Berents vader van de eerste echtgenote van de vader van Hendrik Hoek; Berent zou in dat geval een oom van Hendrik Hoek zijn)
- Garrit Fronten (broer van Maria Jansen Fronten) en
- Jan Jansen Berkhoff vertegenwoordigd door Ad. Henr. Harwig (familierelatie onduidelijk), kennelijk is Jan dan afwezig.
Zij verkopen namens de onmondige kinderen hooiland, gelegen op Frontmansland en gemeenschappelijk bezeten met Frerik Feijer, aan de wed. Roelof Fronten voor 450 gulden.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 15-02-1744 verklaart Trientjen Harms Fronten (zuster van Hendriks Hoek 2e vrouw), wed. van Jan Jansen Fronten, mede als voogdesse van haar minderjarige kinderen, 880 car. guldens schuldig te zijn aan de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hoek uit diens eerste en tweede huwelijk, vertegenwoordigd door Gerrit Fronten, Jan Jansen Berkhoff, Hendrik Feijer en Berent Fredriks. Dit onder hypotheek van haar huis en 2 akkers land gelegen tussen dat van Lukes Jansen en Egbert Gerrits.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

490. Derk Jansen Faijer (dezelfde als 258), tr. 2e omstr. 1713
491. Jennigje Geerts (dezelfde als 259).

Notitie bij Derk Jansen: koopman (?) en landbouwer. Bewoonde het erf van zijn schoonvader Hermen Berkhoff (Oosteinde 407 huidige nummering). Wordt vanaf 1713 in de boterpachtkohieren genoemd. Het betreft een goed van 4 akkers. In het boterpachtkohier over het jaar 1736 wordt de weduwe "Derk Janse Fayer" als eigenaresse genoemd van het goed.
In het hoofdgeldkohier van 1737 wordt "Derk Feijer" echter nog wel genoemd, "hij" wordt dan aangeslagen voor 3 personen en moet 1,50 betalen, met 50 cent p.p. ligt hij wat boven het gemiddelde voor het Oosteinde (0,46).

Zijn vermogen werd in 1715 geschat op 800 gulden, in 1734 eveneens 800 gulden en in 1739 op 600 gulden (bron: 1000e penningkohier 1734/39; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2553/2550). Derk behoorde daarmee niet tot de allerrijksten, maar gold toch zeker als een welgesteld persoon.

Op 6-1-1714 is er een kwestie tussen Hermen Berkhoff en zijn schoonzoon Derk Faijer over 40 pond spek, 8 pond reuzel en 4 pond "gegooten ongel" waarvan Derk Faijer dacht dat hij het gekregen had, maar Hermen wilde het terugzien, omdat het volgens hem geleend was (bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv.nr. 22).

Een zoon van Derk, Jannes (gedoopt 10-4-1719) was volgens de dorpshistoricus Herman Jansen koopman in Sint Petersburg (1749) (Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 156). Hij neemt het ouderlijk erf over. Ik betwijfel het gegeven dat Jannes Faijer koopman in Sint Petersburg was. Er was namelijk nog een naamgenoot Jannes Derks, woonachtig aan het Westeinde, die zeker linnenkoopman was. Ik vermoed dat hij degene was die in Sint Petersburg was.
De helft van de landerijen van het Faijerserf komt bij schoonzoon Jan Berkhof terecht, ook wel bekend als Jan Buten.

Derk Faijer wordt genoemd als schuldeiser van Willem van Oinck inzake een bedrag van 300 gulden ("van Derk Faijer genegotieerd hebbende"). Negotie staat voor verkregen gelden (bron: akten 16-4-1733 en 9-7-1733 (inv. nr. 2965 HAA). Uit andere stukken blijkt dat de schuld eigenlijk uit stond bij Willems broer Jan van Oink, maar Derk eist zijn geld terug waardoor Willems huis verkocht dreigt te moeten worden om de schulden te kunnen voldoen. Willem heeft zelf geld tegoed van zijn zuster. Derk liet het aankomen op een publieke verkoping van huis en erf van Jan van Oink om aan zijn geld te komen. Jan zocht wanhopig steun bij de Heer van Almelo om dit te voorkomen. De Heer van Almelo stak er een stokje voor en stelde dat Jan door de verkoop van zijn huis onevenredig benadeeld zou worden, hij had het geld uitstaan bij zijn eigen familie en kon dit niet direct opeisen, maar werd op termijn wel geacht het geleende terug te betalen. Derk, die geen schade zou lijden als de terugbetaling later zou plaatsvinden werd dus tot de orde geroepen door deze uitspraak, die op 18 april 1733 werd voorgelezen aan de wed. van Hermen Berkhof, dit omdat Derk niet aanwezig was (verblijf in het buitenland vanwege koopmanschap?) (bron: AHA inv. nr.2964 foto 260)

Op 21 februari 1716 treedt Derk Jansen Faijer samen met Geert Herms Holst op als voogd op van het onmondige kind Willem Roelofs inzake de verkoop van zijn moeders zaliger kleren. NB Willem Roelofs is de zoon van Roelof Willems en Armke Geerts.(bron AHA inv. nr. 2966).

492. Derk Berends Schipper (dezelfde als 192 in generatie VIII), tr. Vriezenveen omstr. 1730
493. Lutje Derks Fayer (dezelfde als 193 in generatie VIII).

494. Berent Jansen Berkhof (dezelfde als 262), tr. Vriezenveen omstr. 1718
495. Geertje Jansen Evertman (Post) (dezelfde als 263).

Notitie bij Berent Jansen: was van 1734-1752 verwalter-scholtus van Vriezenveen. Ook Key Berend genoemd (Archief Jansen/Jonker), bewoonde het pand Oosteinde 251, bekend als het Keibeerndserf (blz. 114,115 Ken uw dorp en heb het lief). In 1737 en 1740 vermeld als kerkmeester (bron: Rekenboek van de Diaconie).

In 1720 voor het eerst in het boterpachtregister vermeld. Had toen een 3-akkerstuk overgenomen van zijn schoonmoeder de weduwe Jan Henrixen Post, die in 1719 nog als eigenaresse van het goed genoemd werd, dat toen overigens nog 5 akkers besloeg. Key Berend kon zich ook nog eigenaar noemen van een halve akker "woestenland". Wordt in het boterpachtkohier van 1756 (over 1755) nog genoemd. In 1763 wordt als eigenaar van het goed genoemd zijn schoonzoon Wolter Derks Schipper.
29-12-1730 krijgt Berent Berkhof 28 gulden betaald voor 10 1/2 dagwerk op Toet Jansland gegraven geleverde turf (bron: rekeningen Huize Almelo (AHA inv. nr. 1040).

Berend wordt in 1737 inzake het Hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet betalen 1 gulden en 6 stuivers. Dat is 0,65 per persoon. Behoorde met zon aanslag zeker niet tot de minder bemiddelden van het dorp. In het Oosteinde lag de gemiddelde aanslag destijds op ongeveer 0,46.
In 1753 wordt Berend inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 5 personen en moet 1,85 betalen. Dat is 0,37 tegen een gemiddelde in Vriezenveen van 0,39 per persoon. Daarmee was de familie op de maatschappelijke ladder enigszins gedaald , tenminste als je dat aan de hoofdelijke aanslag af mag meten.

Diakonale kerkrekening:
8-12-1763 ontvangen van de wed. Berent Jansen Berkhoff de somma van 25 gulden welke penningen zijn bekomen uit de nalatenschap van haar overleden zoon Frederik Berkhoff (bron: Gens Nostra, artikel van de heer H. Wagenvoort ca. 1977)

Op 05-05-1750 verklaart Berent Jansen Berkhof 150 gulden schuldig te zijn aan Bernardus Spijker en Gezijna Cruijs (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).

Rond 1750 was er een grote sociale onrust in Vriezenveen. Deze onrust hield verband met de landelijke onrust (in Amsterdam bekend als de Doelistenbeweging). Berent was onderdeel van deze onrust, zo was hij n van de 9 Vriezenveners die zich met de strijd inzake de sluis bij het Kooikershuis tegen de Heer van Almelo keerde, samen met 8 andere Vriezenveners voerde hij processen namens de Vriezenveense gemeenschap, inzake de bevoegdheid en het gezag van de Heer van Almelo aangaande de sluis. Verder had Berent zich in 1747 actief bemoeid om de door de Heer van Almelo gewenste nieuwe beroepen predikant van Eibergen persoonlijk te overtuigen dit beroep niet aan te nemen, hetgeen Berent op een boete van 200 zilveren dukaten kwam te staan en de proceskosten. Het gezag van de Heer van Almelo die predikanten in Almelo, Vriezenveen en Wierden benoemde was in het geding. Berent werd eveneens in juli 1752 uit z’n ambt als verwalter-schout gezet wat de Vriezenveense boeren protestbeweging niet accepteerden. In een smeekschrift van Jan Brink en Hendrik ten Cate aan Ridderschap en steden van Overijssel d.d. 07-08-1752 werd onder andere gevraagd dit ontslag door de Heer van Almelo terug te nemen en de benoeming van procurator Harwig, die nieuw benoemd was in zijn plaats, ongedaan te maken. Het smeekschrift mocht niet baten. Berent bleef aan de kantlijn staan en door de grote boete heeft de familie ongetwijfeld grote schade gelden.
In 1752 werd Berent in verband met de kwestie ondervraagd en verklaarde hij als verwalter-schout aangesteld te zijn geweest door de Richter met een akte die ondertekend was door de Heer van Almelo en dus niet door de schout of de Vriezenveense gemeente was aangesteld. Berkhof verklaarde ook dat de Heer van Almelo in juli en augustus zijn ontslag als verwalter-schout had medegedeeld. De Heer van Almelo beweerde dat Berkhof op 31 juli 1752 zelf om zijn ontslag had verzocht en liet dit Berent Berkhof ook verklaren. De hele verklaring paste precies in het straatje van de Heer van Almelo. Het lijkt er sterk op dat Berent inzake zijn verklaringen sterk onder druk was gezet (bron AHA inv nr’s 3209 en 2969).

12-01-1763 ontvangen Egbert Berends Berkhof en Wolter Derks Schipper (gehuwd met Jenneken Berends Berkhof) van de schout Jan Dikkers 237,10 gulden, in verband met proceskosten inzake de sluis bij het Kooikershuis, die wijlen hun (schoon) vader als verwalter-schout had gemaakt en van gemeentewege had voorgeschoten (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).
Er is nog een waterput van Berent Jansen Berkhof, die verplaatst is naar de achtertuin van J. Eshuis, Oosteinde 42 met de inscriptie BJBGJ 1754 (mei 2012). BJB is de afkorting voor Berent Jansen Berkhof en GJ is de afkorting voor Geertje Jansen (put nog aanwezig mei 2012).
Notitie bij de geboorte van Berent Jansen: is in 1752 61 jaar volgens eigen getuigenverklaring (HAA inv. nr. 3209)
Notitie bij het overlijden van Berent Jansen: op een lijst van Vriezenveners die de boerhaverplicht (uit protest) niet hadden voldaan staat op een lijst,( die opgesteld is tussen 28 november en 1 december 1752), de vrouw van de gewezen verwalter scholtus Berent Berkhoff. In het belastingregister van de 1000e penning van 29-7-1758 wordt genoemd de weduwe Berent Barckhoff.

496. Henricus Harmsen Aman (dezelfde als 136 in generatie VIII), tr. Vriezenveen 23 april 1757
497. Hendrikje Gerrits Smelt (dezelfde als 137 in generatie VIII).

Notitie bij Henricus Harmsen: landbouwer (bron: overlijdensakte zoon Fredrik 1827). Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering). Zie blz. 146 Ken uw dorp en heb het lief.
Met de volkstelling van 1748 vermeld als Henricus Harmsen als kind boven 10 jaar, inwonend bij zijn ouders.
Bewoonde het ouderlijk erf. In 1760 wordt "hendrijkes harms" inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet 1,70 betalen, dat is behoorlijk boven de gemiddelde afdracht van 39 cent p.p., nl. ca. 57 cent.

Henricus was zelf van heel simpele komaf. Door zijn huwelijk (of misschien ook handelsactiviteiten) steeg de familie Aman behoorlijk op de maatschappelijke en welstandsladder.

498. J(oh)annes Berkhoff (dezelfde als 138 in generatie VIII), tr. 2e Vriezenveen 21 juni 1760
499. Metje Jansen Tutertjen (dezelfde als 139 in generatie VIII).

Notitie bij J(oh)annes: gedoopt als naam onleesbaar ouders heten Jan Jansen Berkhof en Hendrijkjen Jansen. Wordt evenals zijn vader niet in de boterpachtkohieren vermeld. Heeft het ouderlijk erf van zijn vader overgenomen dat gelegen was aan het Oosteinde 409. In de hoofgeldkohieren vermeld als Jannes of Jans. Hierin voor het eerst genoemd in 1759, wordt dan evenals in 1760 aangeslagen voor 2 gulden (aanslag voor 3 personen) en dat was een hoog bedrag, nl. ca. 67 cent, terwijl het gemiddelde op 39 cent p.p. lag. Wordt in 1764 nog genoemd, dan als Jan, wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 12 stuivers. In elk geval zijn z’n boeren activiteiten kleinschaliger van omvang dan die van zijn broer Jan, die een grote schaapskudde had. Jannes blijft bij maximaal 5 schapen steken en ook z’n landbouwareaal was kleiner van omvang, als we de belastingkohieren van gezaaide landerijen mogen geloven. In 1761 heeft hij naast een varken en een paard 5 bijenkorven en heeft hij geen schapen meer, hij zal ongeveer 2 koeien hebben gehad, gezien de bedragen die hij aan koegeld (belastiing op het hoornvee) moest betalen. Hij zal andere middelen van bestaan moeten hebben gehad, misschien koopman of schipper zoals de 2e echtgenoot van Metje Jansen Tuttertjen.
Het echtpaar maakt een testament op 8-12-1759. Testator vermaakt aan zijn moeder Hendrikjen Jansen Smelt haar legitieme erfdeel. Testatrice doet hetzelfde voor haar ouders Roelof Wilms en Aaltjen Berens. De kleding van testatrice worden vermaakt aan haar moeder, tenminste als zij zonder kinderen zou komen te overlijden. Testator legateert zijn linnen en wollen kleren aan zijn broer Jan Barkhoff. verder is het een langstlevende testament. Jannes ondertekent het testament, zijn echtgenote plaatst een kruisje (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

Jannes wordt nog in het belastingregister van gehoornde beesten in 1767 vermeld. Het erf van Johannes wordt in 1768 volgens hetzelfde belastingregister van gehoornde beesten bewoond door een zekere Jannes Albertsen, die zich ook wel Weijteman noemde, hij was in 1766 gehuwd met de weduwe van Jannes Berkhof.

Johannes, doorgaans Jannes genoemd, wordt vermeld als getuige in een proces dat handelt om de mishandeling van Lucas Jonker door Harmen Klaassen (processtuk 8-3-1747 Archief Huize Almelo inv.nr. 2932). Jannes zegt dan omtrent 18 jaar oud te zijn.
Het erf van Johannes wordt na diens dood overgenomen door de familie Weiteman; op 20-9-1766 huwt Jannes Albersen Weiteman (volgens de volkstelling van 1795 schipper van beroep) met de weduwe van Jannes Berkhoff, Metje Tuttertjen. Vanaf dat moment doet de naam Weiteman z’n intrede op het oude Berkhof’serf. De familie Weiteman bzit het pand in elk geval nog in 1834 als in de kadastrale leggers Jan Weiteman, zoon van Jannes als eigenaar van het erf wordt genoemd.
Notitie bij de geboorte van J(oh)annes: bij doop is de moeder niet vermeld, alleen de naam van de vader Jan Jansen.
Notitie bij het overlijden van J(oh)annes: op 20-09-1766 hertrouwt de weduwe van Jannes Berkhof met Jannes Alberts Weijteman.

500. Albert Berends Broertjen (dezelfde als 132 in generatie VIII), tr. Vriezenveen 24 jan. 1767
501. Janna Hendriks Hoff (dezelfde als 133 in generatie VIII).

Notitie bij Albert Berends: turfschipper en landbouwer, Oosteinde 266 (huidige nummering; bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 136). Kreeg bij de boedelscheiding na het overlijden van zijn vader in 1766 huis en erf toebedeeld (zie notities moeder Geertjen Smith). In 1790 in het belastingkohier voor dienstboden nog genoemd. Ook bij de volkstelling van 1795 nog genoemd als gezinshoofd van 7 personen, als beroep wordt schipper vermeld.

In de gemeentejaarrekening van 1767 staat dat Albert Broertjen een vergoeding krijgt van 2 gulden voor het gebruik van zijn 2 schuiten.

3-5-1777 is Albert Berends Broertjen n van de turfschippers die de Heer van Almelo verzochten om een dam in de Hollander Graven te plaatsen, zodat het water op kon stuwen, om het transport van turf te vergemakkelijken(inv. nr. 4067 Staten archief). Het verzoek is verder ondertekend door Jan Jansen Berkhof, Hendrikus Harms, Berend Hofman, Jan Koops en Jannes Vrijlink.
Notitie bij de geboorte van Albert Berends: gedoopt als Geertjen d.v. Albert Berendz Broertjen en Johanna Hof.

502. Berend Berends Holland (dezelfde als 134 in generatie VIII), tr. Vriezenveen 30 april 1768
503. Janna Wolters Schipper (dezelfde als 135 in generatie VIII).

Notitie bij Berend Berends: landbouwer (volgens overlijdensakte) en koopman.
Werd in het testament van zijn oom Jannes Jonker in 1761 tot enig erfgenaam verklaard, waardoor hij diens huis en landerijen in bezit kreeg, gelegen aan Oosteinde 248 (huidige nummering), was naast landbouwer, net zoals zijn vader koopman in linnen en tuinzaden.(Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 128).
Volgens het boterpachtregister van 1763 omvatte het erf 4 akkers. Bij de volkstelling van 1795 staat hij vermeld als boer en heeft het gezin 3 leden. Bij de inschrijving in 1801 voor de bijdragen van de verbouwing van de hervormde kerk staat Berend Holland ingeschreven met een donatie van 25 gulden, een fors bedrag voor die tijd.

504. Jan Berends Hoff (Hofman), ged. Vriezenveen 9 juni 1710, † ald. vr 1780, tr. Vriezenveen omstr. 1744
505. Fennigjen Hendriks Bramer, ged. Vriezenveen 15 nov. 1722, † ald. na 1766.

Notitie bij Jan Berends: landbouwer op het oude Schoutengoed, Oosteinde 308 (huidige nummering). Ook wel Hofjan, of Jan Berends Claessen genoemd. Kocht dit erf in 1756 van Ridderschap en Steden van Overijssel (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 145). Ook Hofjan genoemd. Verkoopt een deel van de 16 akkers, die het goed omvatte, gelijk door. Het goed beslaat in 1763 ruim 7 akkers.
Jan was zelf afkomstig van het oude Hofmanserve (Oosteinde 115 en daaromtrent uitgaande van de huidige nummering) (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 85, 86).

Tijdens de volkstelling van 1748 had het gezin een schaapherder in dienst, genaamd Berent Wiegers. Inwonend is Jans zuster Mina. Er waren toen twee kinderen te weten, "Berent Jansen en een ongedoopt meijssien". Later in 1748 (1 september) wordt ze gedoopt als Fenne. Het gezin moet in goede doen geweest zijn. Bij de hoofdgeldbelasting in 1760 krijgt Berent een aanslag van 2 gulden voor 3 personen. Dit is een belastingaanslag in de hoogste klasse. Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 1.200 gulden en een extra 150 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
Zijn vermogen werd in 1758 geschat op 1.600 gulden (bron: 1000e penningkohier 1759; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2559).
In 1780 in het hoofdgeldregister wordt Jans zoon Berent genoemd. Jan is dan kennelijk al overleden.

Op 25-02-1741 koopt Jan Berens Hoff 2 akkers land van Hendrik Alberts en Geertje Gerritsen voor de som van 123 car. guldens. Het zijn akkers gelegen naast die van wijlen Jan Berens Hols (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

akte van transport 08-05-1756; verkoop stuk land, gelegen in’t Koort Klaassensland, door Jan Berens Hoff en Fenneken Hendriks Braamer aan Frerick Jansen en zijn huisvrouw voor 56 car. guldens.
akte van transport 08-05-1756; verkoop 2 1/2 akker land door Jan Berens Hoff en Fenneken Hendriks Braamer aan Gerrit Winter en Janna Olde voor 1800 car. guldens (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).
akte van transport 08-05-1756; aankoop stuk land, gelegen in de Berkendeele, door Jan Berens Hoff en zijn vrouw van de boedel van wijlen Jan Freriks Fronten voor 94 car. guldens (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

In 1757 wordt Jan Berents Hof, ook wel Hofjan, veroordeeld tot een boete van 100 goldgulden vanwege zijn aandeel in de revolte tegen betaling van haver aan de koster (miskoorn). Hij moest ook een belofte doen tot beter gedrag. (bron: HAA inv. nr. 2969.)

akte van transport: 10-05-1766 verkoop 2 akkers hooiland gelegen in het Vosses land door Jan Berents Hoff en Fenneken Bramer aan Jan Willems Bramer en Jan Jansen voor 180 car. guldens (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).

De hond van Jan Berents Hoff is in 1772 onderwerp van een gerechterlijk vooronderzoek tegen hem. De jager van Huize Almelo, Jannes Hendriks, schoot de hond neer, omdat deze tegen de regels in, los liep. (Archief Huize Almelo inv. nr. 2932). Jan Berents Hoff, boos, sprak de jager aan met de woorden "wat regt hebt gij om mijn hond te schieten...dat had ik niet van U gedagt schiet hem nu maar heel dood.....dat is schelmenwerk dat gij mij daar het hontjen geschoten hebt". Uit de stukken blijkt dat Jan Berents Hoff, gewoonlijk Hofjans werd genoemd. Uiteindelijk krijgt Jan Hof een boete voor de hele kwestie. In een rechtzaak uit 1735 (zie opmerkingen bij de moeder) wordt hij aangeduid als Jan Berends Claassen.
Notitie bij Fennigjen Hendriks: Op 1-4-1760 speelt er een rechtszaak tussen Jan Berends Hoff en zijn vrouw, -in de stukken een paar keer ten onrechte Jenneken genoemd- contra de vader van "Jenneken", Hendrik Hendriks Bramer (inv.nr 3094 Archief Huize Almelo). De ruzie gaat over de boedelscheiding n.a.v. het overlijden van de moeder van Fennigjen Bramer, in de processtukken Hendrickjen Hendriks genoemd (bij de dopen van haar kinderen en bij de volkstelling in 1748 wordt ze overigens met de achternaam Engberts aangeduid). Het gaat om de opbrengst van in 1759 verkocht meubilair aan twee andere zusters van Fenneken, te weten Hendrina en Hendrikjen Bramer, ter waarde van 800 gulden. De rechtzaak handelt om de aanspraak op het legitieme erfdeel voor de 4 dochters (ook Aaltje Hendriks wordt in de kwestie nog genoemd als dochter). Hendrik had al wel een deel van het geld uitgekeerd aan zn dochters, echter een deel van de opbrengst van de verkoop van het meubilair had hij in eigen zak gestoken, stellende dat Fennigje bij haar trouwen reeds 200 gulden had meegekregen. Echter dit bedrag was niet door Hendrik Bramer aan zijn dochter Fenneken ten huwelijk meegegeven, maar door de grootmoeder van Fenneken, in de stukken genoemd Hermtjen Hendriks, genoemd de schoonmoeder van Hendrik Hendriks Bramer (overigens ook 2 x Hermtjen Herms genoemd in de stukken] 200 gulden hadden ontvangen, welk bedrag Hendrik Bramer had gekort op het erfdeel van zijn kinderen. Het is een ingewikkelde kwestie, maar het komt er uiteindelijk op neer dat Hendrik zijn kinderen alsnog 1/4 deel van 150 gulden verschuldigd is (=fl.37,50). En mooi is natuurlijk dat in de zaak de grootmoeder van de kinderen wordt genoemd.

506. Jan Berends Bramer, ged. Vriezenveen 21 april 1710, † ald. na 1798,94 tr. 2e Vriezenveen 8 nov. 1758 Janna Garretsen Smelt, ged. Vriezenveen 4 okt. 1726, † ald. na 1788, dr. van Gerrit Harmsen (zie 274) en Metjen Freriks Tuttertjen (zie 275); tr. 1e Vriezenveen omstr. 1736
507. Jenneken Jansen Coster, † Vriezenveen vr 17 jan. 1772.

Notitie bij Jan Berends: Woonde aan het Oosteinde (ongeveer nummer 361 huidige nummering); Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 151. Neemt het boerenerf over van zijn grootvader van moederszijde (Hermen Berents), die in het boterpachtregister van 1733 nog genoemd wordt als eigenaar van de 6 akkers land, die Jan Bramer in 1736 bezit volgens de boterpachtregisters. Wordt genoemd als de schoonzoon van Hermen Berents in het boterpachtregister, dat ik dateer op ca. 1713 (inventarisnummer 1684). In het hoofdgeldregister van 1753 staat Jan Bramer (hier aangeduid als "IJan Brammer", aangeslagen voor 5 personen voor een bedrag van 2 guldens en 3 stuivers. Volgens het personele quotisatiekohier van 1750 had hij een jaarlijks geschat inkomen van tussen de 200 en 400 gulden en dat was aanzienlijk voor deze tijd.
In 1739 wordt zijn vermogen volgens het register van de 1.000e penning geschat op 500 gulden, zijn 2 inwonende broers/zusters worden ingeschaald voor 1.000 gulden.
Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 1.000 gulden en een extra 100 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). In 1758 is zijn vermogen zelfs gegroeid tot een bedrag van 2150 gulden (bron: 1000e penningkohier 1758; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2559). Daarmee behoorde Jan Berends Bramer tot de allerrijksten van het dorp.
Gezien het grote kapitaal dat Jan bezitte kan de vraag gesteld worden of hij niet in de handel zat.

akte van transport 05-05-1764 verkoop door Jan Berens Bramer en Janna Gerrits Smelt van 4 wanden bouwland gelegen in het Onweersland voor 200 guldens aan Henrikus Boesschen.
bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676

Akte van transport 23-04-1774 Hendrik Jansen Koster (treedt op als voogd van de minderjarige zoon van Jan Bramer genaamd Hendrik Jansen Bramer, eertijds verwekt door Janna Jansen Bramer) en Berent Jansen Hofman en zijn huisvrouw Janna Jansen Bramer verkopen land en erf voor 200 gulden aan Jannes Bramer en Hendrikje Berkhof (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

-Akte van transport 20-05-1775 Jan Bramer en Janna Gerritsen Smelt kopen diverse landpercelen met huis, staande aan de zuidzijde van de dorpsstraat (oostwaarts Berent Coster en westwaarts Gerrit Henderix) voor 700 gulden van zoon Jannes Bramer en huisvrouw Hendrikje Berkhof.
-schuldverklaring op dezelfde dag 20-05-1775 van Jan Berents Braemer en Janna Gerrits Smelt voor een bedrag van 375 gulden geleend van Gerrit Bramer (als voogd van Frederikjen Bramer) tegen een intrest van 3 %. Onderpand is het eerder gekochte land van zijn zoon Jannes en echtgenote Hendrikjen Berkhof.
-Akte van transport 20-05-1775 verkoop door Jannes Braamer en zijn vrouw Henderikjen Berkhof, Berent Hofman en zijn vrouw Jenneken Braamer, Hendrik Jansen Costers als voogd van de minderjarige zoon van Jan Braamer, tesamen kinderen van wijlen Jenneken Jansen Costers van het halve huis, de halve schuur en oven met het "huijssien" (=wc) zoals voornoemde personen deze in gemeenschappelijk bezit hebben met hun vader Jan Braamer wordt door hen verkocht aan hun vader Jan Berents Braemer voor 100 gulden (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

09-07-1788 verkoop door de erfgenamen van Jannes Freriks Tuttertjen van brink met daaropstaand houtgewas voor 200 gulden aan de heer J.H. Dikkers
de erfgenamen zijn: o.a.
-Jan Bramer en Janna Gerrits Smelt (dv Gerrit Harmsen Smelt en Metjen Freriks Tuttertjen)
(bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2680).

21-01-1792 akte van transport: verkoop door Jan Berends Bramer en Janna Gerrits Smeld van huis met inboedel en vee en land aan hun zoon Jan Berends Bramer (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2680).

27 november 1798 geven Jan Fredriks en Hendrik Jansen de 50e penning aan ivm de aankoop van 2 wanden bouwland liggend in Derk Jaspers land van Jan Berends Bramer voor 70 gulden. Dezelfde dag geeft ook Derk Jaspers de 50e penning aan ivm de aankoop van 2 wanden bouwland op zijn land van Jan Berends Bramer voor 75 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).
Notitie bij Jenneken Jansen: ook Jennigje genoemd.
Notitie bij het overlijden van Jenneken Jansen: broer Hendrik Jansen Coster treedt in januari 1772 als voogd op voor de kinderen van zijn overleden zuster Jenneken Jansen Costers (AHA inv. nr. 2958).

508. Jan Jansen (Jacobs) (Baast), ged. Vriezenveen 3 dec. 1702, † ald. omstr. 1770, tr.
509. Berentjen Jansen, geb. omstr. 1705, † Vriezenveen na 1764.

Notitie bij Jan: R.K.
landbouwer (bron: overlijdensakte zoon Jannes 1822) ook genoemd: Jan Jansen of Jan Japix. Bij zijn doop staat dat zijn vader , Jan Jakobs, "paeps" is en hij beloofd, evenals eerder bij de doop van dochter Swenne in 1700, zijn kinderen de "volle vrijheid in Religie te zullen geeven en laten". Mogelijk heeft jan ook het timmermansvak uitgeoefend. Hij timmerde in opdracht van de kooiker Berent Berkhof in 1744 bij het kooikershuis (bron: AHA inv. nr. 1731).

Bij de volkstelling van 1748 staat het gezin vermeld met 5 kinderen: boven de 10 jaar oud zijn: Janna en Jenneken en onder de 10 jaar: Jan, Jannes en Fenneken.

-Jan Jacobs is niet in de boterpachtkohieren terug te vinden, echter wel in de kohieren van de hoofdelijke omslag. Zijn erf is gelegen aan het Oosteinde, ongeveer ter hoogte van het Onweerserf (Oosteinde 345 huidige nummering). In het hoofdgeldkohier van 1735 staat hij voor 3 personen te boek en moet hij 1,25 afdragen aan belastinggeld. In 1750 wordt hij in het register van de 1000e penning aangeslagen voor een inkomen van 400 gulden en op personeel daarboven 50 gulden, zodat de gezamenlijke welstand op een vermogen van 450 gulden komt.
-Op 29 november 1750 wordt Jan Jacobs ("IJan ijaekoeps") in het breukregister van de schout genoemd vanwege een ruzie met Lucas Jonker in het huis van (lees de kroeg) Wonde Garrit, waarbij rake klappen waren gevallen. Het incident vond plaats in de kroeg van de Kooiker(bron: AHA inv. nr. 3242).

In 1766 staat hij in het belastingregister van kerspellasten onder de naam "de Baast"vermeld. Zijn nakomelingen in deze boerenwoning hebben later de bijnaam "De Baais" en dat zal van deze naam zijn afgeleid. Nog in het register van kerspellasten van 1770 vermeld, daarna wordt zoon Jannes genoemd als eigenaar van de woning. Ook hij komt incidenteel voor onder de naam (de) Baes o.a in 1778.

Op 25-12-1741 verkopen Berent Berkhoff en Aeltjen Berents Kooijker samen met Hendrik Jansen Timmer voor zich zelf en mede namens laatsgenoemdes minderjarige kinderen, 300 roeden bouwland gelegen in de landerijen van Jan Onweer gelimiteerd oostwaards Jan Berends Dodde en westwaards Lukas Onweer, zoals zij dit land uit de boedel van Albert Berends Berkhof hebben aangekocht en verkopen 2 wanden aan Jan Willems en zijn vrouw en 1 wand aan Jan Jansen Jacobs voor een som van 168 gulden akte 25 september 1742 (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Op 23-12-1743 verklaren Harmen Claassen en Grietjen Hindriks enig bouwland, gelegen in het Jan Onweersland, liggend tussen de landerijen van Jan Onweer en Jan Jacobs, verkocht te hebben aan Jan Jacobs en zijn vrouw voor 118 car. guldens.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

diverse akten van transport 05-05-1764 ivm het echtpaar Jan Jansen Jacobs en Berentjen Jansen:
-verkoop 1 gaarden gelegen in het Hendrik Berents Bramersland aan Hendrik Berents Bramer en vrouw voor 255 guldens.
-aankoop 2 akkers land van Gerrit Gerrits Fleege en Janna Jansen Jonkman voor 1225 gulden.
-verkoop 6 wanden bouwland in het Jan Onweersland aan Jan Berens Bramer voor 295 gulden.
-verkoop 2 akkers turfland op de Superplus aan Jan Berens Hoff voor 289 gulden.
-verkoop huis gelegen achter de nieuwe Berkweg aan Jannes Jansen Bramer en Hendrikjen Barkhoff voor 550 guldens
bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676
Notitie bij het overlijden van Jan: nog in het belastingregister van kerspellasten uit 1764 genoemd.

510. Willem Jansen Evertman (Post), ged. Vriezenveen 24 juni 1703, † ald. vr 21 maart 1772, tr. 1e Vriezenveen omstr. 1725 Grietje Claassen, ged. Vriezenveen 26 dec. 1698, †?, dr. van Claas Hendriks en Aaltje Gerrits ten Cate (zie 699); tr. 2e Vriezenveen omstr. 1739
511. Metje Jansen Snijder (ook wel Pot), ged. Vriezenveen 24 mei 1708, † Vriezenveen (?) na 1784.

Notitie bij Willem Jansen: landbouwer, bewoonde het pand gelegen aan Oosteinde 293 (huidige nummering) Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz.126. Bezit in ca. 1735 volgens het boterpachtregister 2 1/2 akker land. In 1763 is dit uitgegroeid tot 6 akkers. In 1748 bij de volkstelling heeft het gezin een dienstbode genaamd Zwenne Harmsen.
Het erf kwam in het bezit van de familie Post via het huwelijk van Willem met Grietje Claassen. In 1733 was de weduwe van Claes Hendriks (moeder van Grietje Claassen) eigenares van het goed volgens het boterpachtregister.
Vreemd genoeg komt Willem niet voor in de registers van de 1.000e penning van 1751 en 1758. Dat is vreemd, want uit andere registers waarin hij wel genoemd wordt, zoals het hoofdgeld, komt hij zeker niet als armoedzaaier naar voren.

Op 18-08-1751 (3x) treden Berent Gerrits Coster Willem Jansen Post (gehuwd met Mette Jansen Snijder) voor het onmondige kind van wijlen Gerrit Gerritsen Koster en Aaltje Jansen Snijder, genaamd Jan Gerrits (Bron: Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Akte van transport d.d. 27 maart 1756 als de voogd van Rutgert Hendriks Klompemaker, genaamd Henrikus Hendriks Klompemaker, namens zijn broer Rutgert verklaart een halve akker hoevenland te hebben verkocht aan Willem Jansen Post op 15-02-1753 (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij Metje Jansen: op 08-09-1784 gaat Mettien Pot, samen met haar schoonzoon Hendrik Nieuwenhuijsen naar het schoutambt om een aantal erfzaken te regelen. Dezelfde dag maken Hendrik Nieuwenhuijsen en Grietje Willems Post hun testament. Het lijkt erop dat Metje Pot afstand doet van haar legitieme recht op een aandeel in de erfenis mocht dochter Grietje komen te overlijden voor dat zij zelf zou overlijden en eveneens doet Hendrik dit ten aanzien van het erfdeel van zijn vrouw, mocht Grietje eerder overlijden dan Metje Pot (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).
Notitie bij de geboorte van Metje Jansen: gedoopt als Mette dochter van Jan Egberts en Jannighjen Jans

Generatie X

512. Jan Berends Berkhof, geb. Vriezenveen omstr. 1670, † ald. omstr. 1712, tr. Vriezenveen 19 maart 1693
513. Anna (Anneken) Berends Minck, geb. Vriezenveen 1672, † ald. 1742.

Notitie bij Jan Berends: landbouwer,
Wordt vanaf 1696 in de boterpachtregisters genoemd tot 1713, dan wordt de weduwe Jan Berents Berckhoff genoemd. Zij wordt nog genoemd in het boterpachtregister over het jaar 1733 (gend in 1734). Jan Berends bewoonde waarschijnlijk de boerenwoning aan het Oosteinde nr. 393 (eveneens aan de noordzijde van het Oosteinde), waar zijn zoon Berent Jansen Berkhoff later woonde. Jan Berends Berkhoff wordt altijd als tweede op de boterpachtlijst van het Oosteinde genoemd, na Hermen Berends Berkhof. Jan bezat een zogenaamd vierakkerstuk. Vanaf ca. 1735 wordt zoon Berent Jansen Berkhoff als eigenaar van de landerijen van Jan Berends Berkhoff genoemd (Berent vestigde zich aan het Oosteinde nr. 393); mogelijk dat zoon Jan de ouderlijke woning is toegekomen, in dat geval zou Jan Berends Berkhoff aan het Oosteinde 409 hebben gewoond, want van zoon Jan is dit adres bekend.
Jan krijgt op 26-11-1688 een boete van 1 olde schilt van het breukgericht vanwege een vechtpartij met de zoon van Geert Luickes. Geert Luickes krijgt een boete van 2 olde schilt (=2 gulden en 2 stuivers) en zal derhalve wel de aanstichter van de vechtpartij zijn geweest. (bron: breukregister AHA inv. nr. 3245).

Jan had een bestuurlijke functie (wordt als zodanig in het zoutgeldkohier en het register van de 1000e penning genoemd), evenals zijn vader. Hoewel dit theoretisch ook Jan Berents Berkhoff (geboren ca. 1660) gehuwd met Fenneken Harms kan zijn.
Hoewel Jan Berends Berkhoff niet voorkomt in het register van de 1000e penning van 1694, is dit voor zijn vader Berent [Hendriks] Berkhof wel het geval, hij zal bij hem inwonend zijn geweest (met een vermogen van 600 gulden).
In 1693 en 1694 is een Jan Berents Berckhof genoemd als kerkmeester bij de aanstellingsakte van de schout Jan Berentsen Brouwer, mogelijkheid is ook, dat het zijn naamgenoot gehuwd met Fennighjen Harms die tegelijkertijd leefde, betreft. (bron Archief Huize Almelo inv.nr. 2649). Wellicht ook op 31-12- 1691 in de protocollen van het hooggericht Almelo als kerkmeester genoemd (HAA inv. nr. 2649).
In het zoutgeldkohier van 1702 worden beide Jan Berendsen Berkhof’s aangeslagen voor 12 stuivers belasting (bron: Statenarchief Overijssel inv. nr. 2394).
In het register van de 1.000e penning van 1715 wordt de wed. Jan Berends Berkhoff trouwens niet vermeld. Dit houdt in dat haar vermogen toen onder de 500 gulden lag.
Jan Berends Berkhoff is voogd over de minderjarige Jan Heijneman geweest (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 22 akte d.d. 14 november 1714).

Op 24 november 1714 compareert voor het schoutengericht Berendje Henrix Heijneman als erfgenaam van haar volle broer Jan Heijneman. Zij spreekt de voogden aan van wijlen haar broer. Dat waren Jan Berendsen Berkhoff (gehuwd geweest met de halfzuster Anna Berends Minck), nu reeds enkele jaren geleden overleden en Coert Henrix (gehuwd met Geertje Berends Mink (Bron: archief Sch.a.vr.v. inv. nr. 22).
Notitie bij Anna (Anneken) Berends: zie notities echtgenoot. In het hoofdgeldkohier van 1723 staat Anna vermeld als "Berkhoffs Anne".
Ook genoemd Anneken, de naam Mink komt uit het Jonker/Jansen archief en archief Kruijs. Anna werd noch bij haar huwelijk, noch bij de dopen van haar kinderen Mink genoemd, maar komt uitsluitend onder de naam Berents voor. Het gegeven dat haar man Jan Berends Berkhof voogd was van Jan Henrix Heijneman (de potentile halfbroer van Anna Berents Minck) lijkt echter het idee te bevestigen dat Anna inderdaad de familienaam Minck moet hebben gedragen, aangezien voogden doorgaans in de familie moeten worden gezocht.
Notitie bij de geboorte van Anna (Anneken) Berends: Anna Berents is op 11 sept. 1694 getuige in een rechtszaak van de Heer van Almelo tegen Jan Smelt, ze heet de vrouw van Jan Berents te zijn en verklaart 22 jaar oud te zijn en onverwandt tot de partijen. Anna verklaart zaken gehoord te hebben toen ze met Jennegjen Berents, Jennegjen Luix en Geertjen Berents (haar zuster?) in de woning van Lucas Jansen Smit te spinnen was.(2006_2212afoto500) (AHA inv.nr. 3009).
Notitie bij het overlijden van Anna (Anneken) Berends: In 1742 staat in het rekenboek van de Diaconie: Den 6. maij heeft Broeder Berend Berkhof uijt sijn, en sijner Broeders Berend Berkhofs naem als een vrijwillige Liefde gave, van wegens derselver moeder Annetjen Berends, in leven weduwe van Jan Berends Berkhof in:gebragt 5-10-0. De aanduiding "Broeder" (de eerste verwijzing) duidt in deze op de functie van diaken binnen de kerk.De tweede verwijzing "sijner Broeders", verwijst naar de bloedverwantschap als broers.
Notitie bij het huwelijk van Jan Berends en Anna (Anneken) Berends: ondertrouwregistratie 19-03-1693 Jan Berents Berkhof Zoon van Berent Hendriks Berkhof J.M. met Anna Berents N.D. van wijlen Berent Berentsen beijde alhier. Copulat: den 17 April.

514. Jan Gerritsen Smelt (dezelfde als 432 in generatie IX), tr. Vriezenveen 1 juli 1694
515. Hendrikje Jansen van der Aa (dezelfde als 433 in generatie IX).

516. Jan Jansen Faijer, geb. Vriezenveen 1658,95 † ald. na 1715, tr. 2e Vriezenveen 1 juni 1684 Hendrikjen Berends Cate, (ten), geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. na 1743,96 dr. van Berent Luickes (ten) Cate (Cort) (zie 1176) en Aaltje Geerts (zie 1177); tr. 1e omstr. 1680
517. Lutgertje (Lutjen) Derx, geb. Vriezenveen omstr. 1655, † ald. vr 3 mei 1684.

Notitie bij Jan Jansen: genoemd als Jan Faijer in het boterpachtregister van 1713 (opgemaakt in 1714) , is echter niet boterpachtplichtig. Vermeld staat " dese betaelt aan de armen tot Almelo" evenals een zekere Berent Engberts. Hij moet zijn erf hebben gehad aan het Oosteinde, in de buurt van nummer 200. De twee staan vermeld tussen de erven Claas Meijnerts en Jan Alberts.
Let op: er zijn meer boterpachtregsiters van het jaar 1713 (kennelijk werd er dan aan een verbetering gewerkt).
In 1723 staat op dit erf zoon Gerrit Feijer als hoofdbewoner van het goed vermeld (bron: verpondings en contributieregister).

Op 9 juni 1714 daagt Roelof Engberts Smit Jan Feijer voor het gericht vanwege het niet betaalde arbeidsloon voor verrichte arbeid. Het gaat om een bedrag van 2 gulden en 16 stuivers (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 22).

-in het breukgericht op 06-01-1687 wordt Jan Faijer vermeld als n van de personen die op de Oosterhoeve die Schipsloot tegen de order van de heer van Almelo toegepaald zou hebben met eiken stammen (bron: AHA 3245 foto 224).
-in het breukgericht van Almelo d.d. 29-09-1687 vermeld als Jan Jansen Faijer die door de schout vanwege breuken tot armoede verpandet zou zijn (bron: AHA 3245 foto 230).
Notitie bij de geboorte van Jan Jansen: verklaart in 1703 als getuige bij een rechtzaak 45 jaar oud te zijn.(heet dan Jan Faeijer) bron: HAA inv. nr. 3211.
Notitie bij het overlijden van Jan Jansen: in 1715 wordt Jan Jansen Faijer door dr. Bruins nog voor het gericht gedaagd vanwege achterstallig arbeidsloon (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 22).
Notitie bij Lutgertje (Lutjen): tot mombers van het kind van Jan Jansen Faijer en Lutgertje Derx waren aangesteld Frerick Alberts Joncker en Joan Klasen Olde.(HAA inv. nr. 3097 akte 1697)

518. Geert Hermsen Holst (Hulst of Huls), geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. na 1733, tr. Vriezenveen 7 april 1688
519. Cunne Roelofs Smelt, geb. Vriezenveen omstr. 1667, † ald. na 1716.

Notitie bij Geert Hermsen: Bewoonde het erf Oosteinde 324 (later bekend als de villa Kruys). Het erf omvatte in 1705 6 akkers land. Hij wordt nog als eigenaar van het erf in het boterpachtregister over 1733 vermeld als Geert Harmsen Holst, maar in hoeverre deze informatie betrouwbaar is valt te betwijfelen. In 1735 wordt het hele boterpachtregister aan de hand van vernieuwde gegevens opgesteld. Veel info was gedateerd.

In het register van de 1000e penning uit 1715 wordt Geert Herms genoemd als een persoon met een vermogen van 1000 gulden. In 1694 stond hij nog vermeld met een vermogen van 2.000 gulden. Hij behoorde hiermee zeker tot de elite van het dorp.

Op 17 november 1716 koopt Geert Herms Hulst de vier akkers land, die hij tot op heden had gepacht van het voormalige klooster Sibculo voor 1590 gulden van de Provincie Overijssel. Zijn borgen waren Jan Smelt en Jan Berentsen Hoffman. Het land heet gelegen te zijn tussen de erven van Berent Coers (oostwaarts) en westwaarts de weduwe pastoorshaver en Onweer. Het land was bezwaard met 16 ponden boterpacht. 1 schepel pastoorshaver en een schepel jufferenhaver voor de vicarie (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 3030).

In het testament van nicht Hendrikje Freriks [gehuwd geweest met Jan Telgenkamp, dv tante Marrie Hulsman] wordt Geert Hermsen Hulsen een dukaat gelegateerd (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674 akte 20-03-1727).

Was RK. Dit blijkt uit de doopregistratie van dochter Aeltjen in 1700.

Op 21 februari 1716 treedt Derk Jansen Faijer samen met Geert Herms Holst op als voogd op van het onmondige kind Willem Roelofs inzake de verkoop van zijn moeders zaliger kleren. NB Willem Roelofs is de zoon van Roelof Willems en Armke Geerts.(bron AHA inv. nr. 2966).

In het boterpachtregister van ca. 1735 staat Jan Barents Dodde als hoofdbewoner vermeld. Hij was gehuwd met Fenneken Geerts Huls. In het kohier op de 1.000e penning uit 1734 staat Jan Beerens vermeld met een vermogen van 500 gulden.
Notitie bij de geboorte van Cunne Roelofs: zie voor link met de moeder, notities bij de moeder.
Notitie bij het overlijden van Cunne Roelofs: Op 21 februari 1716 treedt Derk Jansen Faijer samen met Geert Herms Holst op als voogd op van het onmondige kind Willem Roelofs inzake de verkoop van zijn moeders zaliger kleren. Als koopster van een zwarte rok wordt genoemd de vrouw van Geert Hermsen Hulst. Ze koopt ook nog andere kledingstukken.Met name wordt ze bij de aankoop van een sassiene (satijnen?) schort genoemd als Kunnigien Holst de vrouw van Geert Hermsen (bron AHA inv. nr. 2966).
Notitie bij het huwelijk van Geert Hermsen en Cunne Roelofs: transcriptie van het huwelijk van Gerard Jansen te Hoofddorp: Geert Hermssen N.S. van wijlen Hermen Janssen Huls J.M. en Cunne Roelofs D. van Roelof Janssen Smelt beijde op ’t Friesenveen. copul: den 16. April.

520. Berent Wolters Schipper (dezelfde als 384 in generatie IX), tr. Vriezenveen 16 aug. 1696
521. Jennigjen Willems (dezelfde als 385 in generatie IX).

Notitie bij Berent Wolters: Bewoonde het pand Westeinde 658-660 (huidige nummering), ook bekend als het Schipserf. Had zijn erf redelijk westelijk gelegen aan het Westeinde tussen het erf van Kort Hendrik [Hendrik Koerts] en Scheet Hendrik (bron: verpondingsregister 1719).

13-01-1716 Berendt Roelofssen en Aaltjen Warners verkopen 2 akkers land lopend tot aan de Aa, oostwaarts Oldescholsland, westwaarts Lubberts Hulshoff en overscheiden met verkoperen, voor 750 kar. guldens aan Berend Wolters Schipper en Jenneken Willems (bron: archief schoutambt Vr.veen inv. nr. 2673 foto 225).


Op 06-05-1717 wordt Berent Wolters Schipper, samen met zijn broer Hermen genoemd als de voogden van de onmondige kinderen van Geertjen Peters (weduwe van Hendrik Prinsen); zie notities hierover bij Jan Jansen Glas. Daarmee wordt bevestigd dat hun moeder Berentjen Peters en Geertjen Peters vrijwel zeker zusters van elkaar waren. Als voogden werden namelijk meestal bloedverwanten aangesteld. Berentjen Peters zal dan de oudere zuster van Geertjen zijn geweest.(bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).
In het hoofdgeldkohier van 1723 als Berent Schipper vermeld. In het verpondingsregister van 1732 en 1734 en 1735 staat hij als Berent Wolters te boek. Moet gezien de belastingaanslagen toch over een redelijk vermogen hebben beschikt. In het verpondingsregister van 1735 staat Derk Schipper als de nieuwe hoofdbewoner van het erf vermeld.
In 1736 nog vermeld in het vuurstedengeldregister als hoofdbewoner. In 1737 staat de naam Derck Schippers als nieuwe hoofdbewoner in het vuurstedengeldregister vermeld. In het hoofdgeldkohier van 1735 staat Derck Berents [Schipper] als hoofdbewoner van het erf vermeld.
Notitie bij het huwelijk van Berent Wolters en Jennigjen: Berent huwde op dezelfde dag als zuster Geertje met een kind van wijlen Willem Hermsen.

ondertrouwregistratie: "Berent Wolters N.Z. van wijlen Wolter Geerts en Jennighjen Willems N.D. van wijlen Willem Hermssen beijde alhier" transcriptie van Gerard Jansen Hoofddorp.

522. Derk Jansen Faijer (dezelfde als 258 in generatie IX), tr. 1e Vriezenveen 13 jan. 171050
523. Aaltje Hermsen Berkhoff (dezelfde als 387 in generatie IX).

Notitie bij het huwelijk van Derk Jansen en Aaltje Hermsen: Als bruidschat kreeg het echtpaar op 13-01-1710 400 gulden mee van de Berkhofskant. Dit blijkt uit het testament van Hermen Berkhof en Berentien Alberts [Jonker] d.d. 21-01-1718. De datum van het huwelijk is door mij afgeleid van de datum van de bruidschat. (Archief Stadsgericht Almelo inv. nr. 2618).

524. Jan Berents Berkhoff, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. omstr. 1713, tr. Vriezenveen 14 okt. 168397
525. Fennighjen Hermsen, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. na 1723.

Notitie bij Jan Berents: Jan Berents Berckhoff wordt in het boterpachtregister over 1682 voor het eerst genoemd, hij heeft dan het goed van zijn schoonvader Hermen Egberts overgenomen. Het erf staat bekend als de "Jan Clups", het erf was gelegen aan het Oosteinde 109 huidige nummering. (Ken uw dorp en heb het lief, blz. 82). Het goed was een 5 1/2 akkerstuk.
In januari 1685 brandt het huis van Jan met veel en inboedel tot de grond toe af. Het gezin zelf ontvluchtte naakt de boerenwoning. Op 11 februari 1685 krijgt Jan een subsidie van 25 gulden toegekend van Ridderschap en steden van Overijssel als tegemoetdkoming in de kosten vanwege de brand (bron: toegang 3.1 inventarisnummer 383 HCO).

In het boterpachtregister over het jaar 1713 wordt de wed. Jan Berentsen Berckhoff genoemd. Als zodanig wordt ze nog genoemd in het boterpachtregister over het jaar 1733, gend in 1734.
In 1693 en 1694 is een Jan Berents Berckhof genoemd als kerkmeester bij de aanstellingsakte van de schout Jan Berentsen Brouwer, mogelijk is het ook zijn naamgenoot gehuwd met Anna Berents Minck die tegelijkertijd leefde. (bron Archief Huize Almelo inv.nr. 2649). Ook op 31-12- 1691 in de protocollen van het hooggericht Almelo als kerkmeester genoemd (HAA inv. nr. 2649).
In het zoutgeldkohier van 1702 worden beide Jan Berendsen Berkhof’s aangeslagen voor 12 stuivers belasting (bron: Statenarchief Overijssel inv. nr. 2394).

In het kohier van de 1.000e penning van 1715 wordt de wed. Jan Berens genoemd met een vermogen van 600 gulden.
Notitie bij het overlijden van Fennighjen: nog genoemd als de wed. Jan Berens in het verpondings en contributieregister van 1723. Het boterpachtregister waar ze nog tot 1734 in vermeld staat is niet betrouwbaar in deze periode.
Notitie bij het huwelijk van Jan Berents en Fennighjen: ondertrouw 16-09-1683 Jan Berentsen N.S. van wijlen Berent Berkhof J.M. en Fennighjen Hermssen N.D. van wijlen Hermen Egberts beijde op ’t Vriesenveen copul: den 14 octob.

526. Jan Hendricks Evertman (Post Olde), geb. omstr. 1660, † Vriezenveen vr 1713, tr. Vriezenveen 17 sept. 1693
527. Jenneken Lucassen Fronten, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. na 1719.

Notitie bij Jan Hendricks: Ook wel Post genoemd. Had een 3-akkerstuk (boterpachtregister 1700). Wordt in het boterpachtkohier over 1704, 1705, 1708 en 1713 Post genoemd. Meestal komt hij echter als Jan Hendricks voor. Komt vanaf 1694 in de boterpachtregisters voor. Heeft dan een tweeakkerstuk als opvolger van Hendrick Hendrix (vermoedelijk zijn vader, die in het boterpachtregister over 1692 nog genoemd wordt (Oosteinde 253). Bij zijn huwelijk in 1693 wordt hij Evertman genoemd.
Vermoedelijk is de naam Evertman afgeleid van de voornaam die een aantal voorouders in de vaderslijn droegen, aanvankelijk een zeer zeldzame naam in Vriezenveen.

Op 23-01-1708 kopen Jan Henrixen Post Olde en zijn vrouw Jenneken Lucas een halve woeste akker en 2 akkers land gelegen op de Westerwoesten van Berentjen Roelofs, de weduwe van Jan Jansen Engberts en haar 2 kinderen voor de som van 400 guldens.(Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2673).

12-03-1700 testament van Jan Hendrijxen en Jenneken Luix geassisteert met Berent Engberts als haar mombaar. Het is een testament op langslevende. Testator legateert aan zijn broer en zus elk een post groot[niets vermeld] testatrice legateert aan haar broers kinderen en haar zuster een post groot[niets vermeld]aan de armen een post groot[niets vermeld]. Allen ondertekenen met een kruisje. (bron: archief schoutambt Vr. veen inv. nr. 2673 foto 007).
Notitie bij het overlijden van Jan Hendricks: in het boterpachtregister over 1713 (opgemaakt in 1714) wordt de weduwe Jan Henrixen Post vermeld.
Notitie bij Jenneken Lucassen: wordt in 1719 nog in het boterpachtregister genoemd als de weduwe Jan Henrixen Post.
Notitie bij het huwelijk van Jan Hendricks en Jenneken Lucassen: 05-08-1693 - Jan Hendriks N.Z. van Hendrik Hendriksen Evertman J.M. en Jenneken Lucas dochter van Lucas Willemsen Fronten beijde alhier. Copul: den 17 September.

528. Gerrit Jansen Broertjen, geb. Vriezenveen omstr. 1670, † ald. vr 5 febr. 1736, tr. Vriezenveen 27 aug. 1693
529. Frerikjen Berents, geb. omstr. 1670, †?.

Notitie bij Gerrit Jansen: koopman
Neemt de landerijen (6 1/2 akker) over van zn vader gelegen aan het Oosteinde (vermoedelijk huidige nummering 266). Wordt in 1726 nog genoemd. In 1733 staat zijn zoon Jan Gerrits als de nieuwe eigenaar vermeld. Gerrit is dan echter nog niet overleden.

In het boterpachtregister van 1693 staat Gerrit Jansen Broertjen voor het eerst vermeld, ongetwijfeld de zoon van Jan Jansen Broertjen die daarvoor op dit erf vermeld staat. Verder staat er nog de toevoeging bij: "hier komt bij 1 1/4 pond van Hermen Hendrix Hoeck Westert".

In het boterpachtregister van 1696 (archiefmap 1693) staat vermeld dat Gerrit Jansen Broertjen een deel van de boterpacht van het erf van [zwager] Hermen Hendriks voldoet, waarmee de familierelatie tussen beide echtgenoten (Frerikjen Berends en Aaltje Berends) bevestigd lijkt.
In het register van de 1.000e penning van 1715 komt Gerrit Broertjen voor met het aanzienlijke vermogen van 1100 gulden, in 1734 is dit nog steeds 1000 gulden. In 1739 staan zijn zonen Jan en Berent "Broetien" vermeld op dezelfde locatie.

Treedt op 26-12-1710 op als momber van Geertjen Hendricks als deze haar testament opmaakt (arch. Sch.ambt Vriezenveen inv. nr. 2673).

Gerrit Jansen Broertjen is in het jaar 1737 (de maand september of oktober) in de stad Halle en Leipzig samen met Jan Jansen Berkhoff. Ook Henrik Jansen Boeschen en Jan Fredriks Fronten waren in dezelfde periode in die streken, mogelijk betrokken bij dezelfde maatschap. Dit blijkt uit een memorie uit het archief van het hooggericht Almelo. Hierin staat dat Henrik Jansen Boeschen samen met Jan Fronten van een bankier in Halle (Duitsland) enkele honderden guldens geld geleend hadden onder borg van 7 stuks linnen, maar de schuldverklaring zou Henrik Boeschen met een valse naam hebben ondertekend. Jan Jansen Berkhof en Gerrit Jansen Broertjen, die dezelfde bankier in Halle bezochten, werd gevraagd of zij de twee ( "een dikke zware man en een klein keerltien met swart haar") kenden en hen werd de valse schuldverklaring getoond, waarop ze ontkennend zouden hebben geantwoord. De man deelde de twee nog mee, jullie zijn het niet, maar ze hadden wel dezelfde spraak. (bron: AHA inv. nr. 2969).
Notitie bij het overlijden van Gerrit Jansen: in het Rekenboek van de Diaconie van Vriezenveen van de Gereformeerde Kerk (later bekend als de Nederl. Herv. Kerk) valt te lezen:
den 5.febr: ontvangen, uijt de naelaetenschap, van wijlen Gerrith Jansen Broertjen, door desselfs Erfgenaemen, op dato dezes, aen de Diakonie over: geteld de suma. van- 30-0-0.
Notitie bij het huwelijk van Gerrit Jansen en Frerikjen: Gerrijt Janssen Broertjen N.Z. van Jan Janssen Broertjen J.M. en Frerikjen Berents N. Dochter van Berent Freriks beijde alhier. Copul: den 27 Augusti:

530. Dirk Lubberts Smith, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. vr 1714, tr. 21 febr. 1686
531. Metjen Arents, geb. omstr. 1670, † Vriezenveen na 1717.

Notitie bij Dirk Lubberts: smid van beroep, na zijn overlijden neemt zoon Lubbert Derks Smit het beroep van zijn vader over.
Notitie bij het overlijden van Dirk Lubberts: op 6-7-1717 wordt genoemd de weduwe Derk Lubberts in verband met een kwestie over recht van opgang over landerijen (HAA inv. nr. 2966). Voor het schoutengericht (inv. nr. 22) wordt de kwestie reeds in 1714 vermeld, ook dan wordt gesproken over de wed. Derk Lubberts.
Notitie bij het overlijden van Metjen: genoemd de weduwe Derk Lubberts in verband met een kwestie over recht van opgang over landerijen op 6-7-1717 (HAA inv. nr. 2966).

532. Jan Berents Hofman, geb. Vriezenveen omstr. 1665, † ald. vr 1738, tr. Vriezenveen 9 maart 1690
533. Armken Egberts, geb. omstr. 1665, †?.

Notitie bij Jan Berents: Koopt in 1717 dit goed van de provincie Overijssel, dat aanvankelijk het klooster Sibculo toebehoorde. De grond werd daarvoor door de familie Hofman gehuurd, Jan was al vanaf ca. 1689 huurder. Hij had het goed van zn vader overgenomen als huurder. De 2 1/2 akker wordt door hem in 1717 voor 950 caroli guldens gekocht. Lukas Harmsen Hospers koopt de andere helft, ook 2 1/2 akker groot.
Het goed is gelegen aan het Oosteinde 121-123 (huidige nummering). (Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 85).
Toch bezit Jan meer dan dat. In 1752 , volgens het boterpachtboek, beschikt hij over 5 akkers. Hij komt veelvuldig onder de naam Hofjan in de boterpachtregisters voor tot 1735. Dan neemt zijn zoon zn bezittingen over.
Op 26-06-1738 repareert hij samen met Lucas Geertsen Hols de middelste sluis bij het Kooikershuis en ontvangt daarvoor een gage van 71 guldens (bron: AHA inv. nr. 1731).

Verkoopakte 15 maarti 1728 van Jan Berendsen Hofman en zijn vrouw Armke Egbersen een derde half akker land met huis, schuur en schapenschot aan hun zoon Hendrik Jansen en zijn aanstaande vrouw Berentien Jansen (bron: inventaris nr. 81.3 archief verening Oud Vriezenveen). gelimiteerd wed. Hoffenne oostwaarts en Hendrik Evertman westwaarts. De gaarden die in het land ligt van Claas Jansen [de Jonge] is uitgezonderd van de koop. Verder zit in de koop 1 1/2 akker turfland op de Oosterhoeven, gelimiteerd oostwaarts Jan Hend. Boesgen en westwaarts de wed. Harmen Grave. Dit voor de som van 300 Ceijser guldens. Verder verkopen zij een paard en 6 beesten [lees koeien] die op stal staan en 13 schapen, het "beeste varken", kribben, kisten en spind en alle huisraad voor de som van 426 Ceijser guldens, maakt samen 700 Ceijser guldens. Verder is er een uitgebreide bijlage van rechten die de verkopers op het oude erf houden, een stede bij den heert, licht en brant vrij, een wand rogge en een wand haver, 3 schapen, een koe en een dagwerk turf etc.. verder moet (als ze hier niet meer toe in staat zijn, hun linnen genaaid en hun was gewassen worden, waarbij de verkopers de hiervoor benodigde zeep ter beschikking zullen stellen. De ongetrouwde zoon Egbert, zal, zolang hij ongetrouwd is ook recht hebben op kost en inwoning en verder komt hem nog 2 wand bouwland toe op Rutgersland, waarvoor de koper [Hendrik Jansen] 10 jaar de mest zal moeten leveren om het land te kunnen bemesten, maar koper komt het recht van haver en knollen toe geoogst op dit land. Ook komt Egbert het slaghland toe in de Almelose slagen gelegen, onverscheiden met Hendrik Cluppels. De ouders [Jan Berents Hofman en echgenote] komt echter het vruchtgebruik toe en een eiken boom bij de put, zolang nog n van beiden leeft. Verder komt Egbert de oudste kast toe na het overlijden van zijn ouders en een zijde spek. Als Egbert mocht komen te trouwen komt hem de n na beste koe toe. Jan Berents Hofman en Armke Egberts, evenals koper Hendrik Jansen tekenen allen met een kruisje
.
Op 05-03-1729 verklaren de volgende personen
-Rutger Berendsen, voor hemzelf.
-Jan Gerritsen en Jan Berendsen Hoffman als voogden over de 3 nagelaten dochters van hun overleden moeder Grietien Claassen.
-wed. van wijlen Lucas Hospis genaamd Henrikien Engberts [Klooster] geassisteerd met als haar voogd Derk de Ritter.
-Derk Coops [gehuwd met Trijntje Engberts Clooster; info Vriezenveners.nl] en
-Berend Engberts Klooster als voogden over de nagelaten kinderen van wijlen hun vader Lucas Hermsen Hospis.

Te verkopen hooiland toebehorend aan Rutger Berends, lopend van de Oudeweg tot aan de dijk of de Aa, belast met 6 pond boter, dus 1 1/2 akker, namelijk 4 pond boter per akker.
Te verkopen door de wed. Lucas Hospis 5 akkers land, lopend van de Oudeweg tot aan de Oude Graaven, belast met 11 pond boter (? ponden boters en akkers land zijn strijdig met elkaar).
Tesamen voor een som van 700 car. guldens te verkopen aan de kopers Jan Cruis en Gerrit Feijer (bron: archief schoutambt Vriezenveen; inv.nr. 2674).

Jan Berents Hofman kon niet schrijven. Dit blijkt uit een akte van 25-5-1727, als hij samen met Jan Gerritsen als momber (voogd) optreedt voor de drie kinderen van de overleden moeder Griettien Klaassen. Verkoper is verder de weduwnaar van Grietje, Rutger Berends. het land wordt verkocht aan Egbert Lamberts en zijn vrouw Maria Egberts Spijcker. Zowel Jan Berens Hoff als Rutger Berents ondertekenen de akte als verkopers met een kruisje. (NB hier staat dus niet dat Griettien Klaassen de moeder van Jan Berents Hofman zou zijn. Hij zal wel verwant zijn aan Griettien Klaassen, dat was bij voogdijschap meestal het geval, maar hoe de familierelatie precies in elkaar zit is volstrekt onduidelijk.)

In het zoutgeldkohier van 1694 komt Jan niet onder de naam Hoff(man) voor. Er zijn een viertal Jan Berentsens genoemd, die allen worden aangeslagen voor het zoutgeld en dus niet tot de grote groep van paupers behoorden die van deze belasting waren vrijgesteld. (zie mijn digitale archief; via mijn home-page te bereiken).
Notitie bij het huwelijk van Jan Berents en Armken: 15-02-1690 - Jan Berents Hofman Zoon van Berent Roelofs Hofman en Armken Egberts N.D. van wijlen Egbert Hermsen beijde op ’t Friesenveen. Copulat: den 9. Martij

534. Jan Berents, geb. Vriezenveen omstr. 1660, † ald. vr 1710, tr. Vriezenveen 31 maart 1684
535. Grietjen Berents, geb. omstr. 1660, † Vriezenveen na 1723.

Notitie bij Jan: bewoonde het ouderlijke erf. Was woonachtig in de buurt van het Westeinde 260 (huidige nummering), dit blijkt uit de volgende akte, waar de landerijen van de weduwe van Jan Berents worden aangeduid.

Grietjen Berends wed. van wijlen Jan Berends, kerkmr. Jan Schol, Jan Jansen Everts, Berent Berents Grubbe en Jan Henriks van Beek als mombaren van de onmondige kinderen van Jan Berents schuldig aan Henrik Gerritsen Winter en huisvr. 248 gld en 8 stuivers, aan Jan Krul en zijn vrouw 156 gulden aan Klooster Engberts zijn vrouw Aaltje Berends 150 gld. en aan Berend Engberts Klooster 57 gld en 12 stuivers onder hypotheek van 2 akkers land gedeeld bezit met Jan Jansen Everts en 5 vierdel land onverscheiden met Wicher Jansen Dodde, ook de gaardens gekocht van Jan Gerritsen ten Cate en die van Jan de Ruiter zoals Jan Berents deze eertijds in gebruik heeft gehad. 25-03-1710 (bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2673).


Volgens het belastingregister van de 1.000e penning wordt zoon Berent Jansen als de hoofdbewoner genoemd. Hij heeft een geschat vermogen van 900 gulden.
Notitie bij Grietjen: Grietjen Berents heet bij haar huwelijk de nagelaten dochter te zijn van Berent Werners. is RK van geloof.
Bij de doop van zoon Lukas heet ze "Paeps" te zijn en de vader gereformeerd. De moeder belooft, bij de doop van haar zoon, tegenover de kerkelijke gemeente het kind in de gereformeerde leer op te zullen voeden.

27-05-1702 Leena Berents geassisteerd met Engbert Jansen verkoopt 1/2 akker bovenwegsland, oostert Gerrit Hermsen Coster, westert wed. Jan Fronten en een halve akker gelegen in het Grubbenvierdel onverscheiden met Berent Alberts Creemer gelim. oostert de wed. Luix Jansen Scholl en westert Jan Wolters Smitt aan de wed. van wijlen Jan Berents Dodde en aan Jan Berents en zijn huisvr. Grietje Berents op voorwaarde dat comparante van de gronden turf mag blijven graven zo lang ze leeft ( bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2673 foto 039). Lena Berents was een buurvrouw van vader Berent Warners aan het Oosteinde. Volgens het vuiurstedengeldregister van 1684 was ze armlastig. Ze staat als pauper te boek.


27-04-1709 test. van een zieke Geertjen Lucas wed. van Berent Werners in het huis van Jan Henrix ter Beek, met als haar momber Jan Schol, benoemt tot universele erfgenamen haar dochters, Fenneken, Aele en Geertjen Berends en de kinderen van haar dochter Grietje Berends, dochter van Grietje Berends, Geertien 50 gld. de armen van Vriezenveen worden bedacht met 2 rijksdaalders ( bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2673 foto 126).

Grietjen Berends wed. van wijlen Jan Berends, kerkmr. Jan Schol, Jan Jansen Everts, Berent Berents Grubbe en Jan Henriks van Beek als mombaren van de onmondige kinderen van Jan Berents schuldig aan Henrik Gerritsen Winter en huisvr. 248 gld en 8 stuivers, aan Jan Krul en zijn vrouw 156 gulden aan Klooster Engberts zijn vrouw Aaltje Berends 150 gld. en aan Berend Engberts Klooster 57 gld en 12 stuivers onder hypotheek van 2 akkers land gedeeld bezit met Jan Jansen Everts en 5 vierdel land onverscheiden met Wicher Jansen Dodde, ook de gaardens gekocht van Jan Gerritsen ten Cate en die van Jan de Ruiter zoals Jan Berents deze eertijds in gebruik heeft gehad. 25-03-1710 (bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2673).
Notitie bij het overlijden van Grietjen: nog vermeld in het register op de verponding en contributie van 1723, ze wordt vermeld na Berent Jansen als "de moeder".
Notitie bij het huwelijk van Jan en Grietjen: 15-03-1684- Jan Berentsen N.S. van Berent Janssen J.M. en Grietjen Bere